Hoofdstuk 1: Wat is kinddiagnostiek en wat maakt haar uniek?
1.1 Wat roept diagnostiek intuïtief op?
• Diagnostiek = professioneel, vakkundig en doelgericht oordelen
• Het is altijd een interactie van mens tot mens → persoonlijke indrukken en gevoelens
zijn automatisch betrokken
• Twee soorten uitdagingen:
o Cognitief: veelheid aan informatie en bronnen verwerken
o Emotioneel: omgaan met eigen gevoelens én die van het kind en gezin
• Basis voor transparant oordelen: je eigen denken en voelen actief verkennen en
impliciete oordelen aftoetsen aan professionele inzichten
• Relationele dimensie extra verzorgen: verplaatsen in de beleving van kind én ouders
→ bepaalt hoeveel informatie het gezin vrijgeeft
1.2 Werkdefinitie van diagnostiek
Diagnostiek = vakkundige oordeelsvorming
Drie kernelementen:
• Vakkundig: aantoonbaar weten wat je doet, waarom en hoe, vanuit kennis van
typische ontwikkeling, opvoeding en gezinsfunctioneren
• Doelgericht: oordelen worden pas vakkundig als je ze doelgericht binnen je
werkkader inzet
• Doel: eerst onderkennen/beschrijven, dan verklaren/begrijpen → einddoel is samen
met het cliëntsysteem beslissen welk hulptraject raadzaam is
1.3 Vormen van oordelen
De vraag is niet óf je oordeelt, maar hóe. Er zijn drie tegenstellingen:
Impliciet vs. expliciet
• Impliciet = niet verwoorden wat je denkt/voelt, vanuit gevoel, altijd aanwezig, kun je
niet uitschakelen
• Expliciet = bewust, gericht informatie verzamelen met professionele technieken,
kwaliteit bewaken en eigen gevoelens herkennen
• Ze vullen elkaar aan: impliciet blijft altijd aanwezig, maar planmatig werken maakt
oordelen transparant verantwoordbaar
Vrij vs. systematisch
• Vrij = zonder plan, geleid door het moment, weinig controle
• Systematisch = basisplan voor informatieverzameling en -verwerking, oordelen zo
betrouwbaar (standvastig tussen beoordelaars en in de tijd) en valide (je meet wat je
wil meten) mogelijk maken
,Niet-participerend vs. participerend
• Niet-participerend = enkel rol van diagnosticus, meest gebruikelijk in werkveld
• Participerend = tegelijk diagnosticus én behandelaar → moeilijker, maar hogere
ecologische validiteit (informatie sluit nauwer aan bij dagelijks functioneren door
continue steekproef van gedrag)
1.4 Vormen van maatstaven
Categorisch vs. dimensioneel
• Categorisch = probleem is aan- of afwezig (bv. ADHD, autisme)
• Dimensioneel = drukt een mate van gedrag uit op een glijdende schaal
Nomothetisch vs. ideografisch
• Nomothetisch = functioneren aftoetsen aan een vergelijkingsgroep (bv.
leeftijdsnormen, testuitkomsten)
• Ideografisch = functioneren aftoetsen aan wat voor de eigen specifieke context
adaptief of gunstig is → per definitie subjectief en veranderlijk, geen vaste maatstaf
1.5 Vier uitdagingen van kinddiagnostiek
Diagnostiek bij kinderen is anders dan bij volwassenen: informatie moet altijd geplaatst
worden in het perspectief van de ontwikkeling en de context van het kind.
1. Verloop van de aanmelding Het kind meldt zich zelden zelf aan maar is wel de focus. Dit
geeft de kinddiagnostische paradox: je moet het kind onderzoeken dat er zelf niet om vroeg,
terwijl de ouders mogelijk menen dat zíj niet onderzocht moeten worden. Vereist zorgvuldige
analyse van diverse informatiebronnen vanaf het eerste contact.
2. Het kind als minderjarige
• Afhankelijk van ouders en behandelaar → vertrouwen is cruciaal
• Roept deontologische (beroepsvoorschriften) en ethische (maatschappelijke waarden
en normen) vragen op
• Altijd meerdere informanten betrokken → informatie via hen verzamelen én met hen
werken aan een hulptraject
,3. Het ontwikkelingsniveau
• Minder verbaal vaardig → bepaalt hoe je informatie kunt verzamelen
• Emoties, metacognitie en zelfsturing zijn nog in ontwikkeling
• Zelfinzicht is nog in volle groei
• → Geschikte methoden inzetten om zelfexpressie te faciliteren
4. Variabiliteit van de ontwikkeling
• Kindontwikkeling biedt geen vaste maatstaf
• Kleine wijzigingen in context of interventies kunnen al grote effecten hebben
• Cultuur, waarden en normen wegen mee
1.6 Het kind in context: altijd opvoeding en gezin meenemen
• Door de kinddiagnostische paradox is het altijd nodig de kindomgeving te betrekken
• Kindsignalen kunnen gelinkt zijn aan een probleem dat oorspronkelijk bij de ouders
ligt
• Zelfs als de focus buiten het gezin ligt (bv. school) is verkenning van opvoeding en
gezin zinvol → helpt de juiste interventie te kiezen
• Doel: handvatten zoeken in thuiscontext die een succesvolle interventie faciliteren
1.7 Vier pijlers van vakkundige kinddiagnostiek
Kwaliteitsvolle kinddiagnostiek is evidence-based: werkwijze en oordelen onderbouwen
vanuit vakkundige argumenten.
Pijler Inhoud
Kennis van doelgroepen en problematieken, tijdens opleiding én
1. Vakinhoud
permanente bijscholing
2. Proces en Hulpvragen → informatieverzameling → besluit/advies → rapport, cyclus
cyclus herhaalt zich mogelijk
Multi-informant + multi-method: informatie van verschillende
3. Methoden
betrokkenen met verschillende methoden combineren
Denken besturen en emoties reguleren om standvastig en geldig te
4. Vaardigheden
oordelen, het "voertuig" van de diagnostiek
, Hoofdstuk 2: Hoe handel je evidence-based? De FACE-aanpak
2.1 Evidence-based diagnostiek: wat, waarom en hoe?
Evidence-based werken is de kern van vakkundige diagnostiek. Je integreert drie soorten
evidence:
Soort Inhoud Voorbeeld
Handelen volgens actueel Meisjes → meer internaliserend gedrag;
1. Evidence-based
wetenschappelijk jongens → meer externaliserend gedrag
(empirisch onderzoek)
onderzoek → geslacht is relevante info
2. Practice-based
Werkwijzen die in het Geen uitgebreide gedragsvragenlijst bij
evidence
veld werkzaam blijken kansarme doelgroepen
(praktijkkennis)
Vragen, behoeften en
3. Cliëntgestuurde
ervaringen van het gezin Wat werkt al? Wat is al geprobeerd?
evidence
zelf
Best practices = combinatie van empirische kennis + praktijkkennis, aanbevolen door
beroepsorganisaties.
Aanvullen met intervisie en supervisie → informatie interdisciplinair uitbreiden en
overleggen.
2.2 Vier uitdagingen van evidence-based kinddiagnostiek
1. Selectie uit de evidence-base Het onderzoeksbestand is enorm, bij elke aanmelding alles
doorzoeken is onmogelijk. Oplossing: het FACE-model geeft overzicht van welke info
aandacht verdient.
2. Vertaalslag naar maatwerk Onderzoek werkt op groepsniveau, maar jij werkt met 1
gezin. Je moet zelf evidence verzamelen over die specifieke situatie en daaruit coherente
besluiten trekken.
3. Transparantie van praktijk- en cliëntkennis Je moet zichtbaar maken welke praktijk- en
cliëntervaringen je gebruikt en hoe ze je oordelen onderbouwen. Dit gaat in tegen hoe het
brein spontaan werkt (snel conclusies trekken op basis van gevoel).
4. Weging en integratie van de evidentie Onderzoekskennis afwegen tegen de concrete
situatie van het kind, gecombineerd met praktijkkennis en de behoeften van het gezin. Geen
vaste maatstaf, wel transparant verantwoorden.
2.3 De FACE-aanpak
Doel: evidence-based kinddiagnostiek ondersteunen door overzicht te creëren in de
kindsituatie → beschrijven, begrijpen en verantwoord adviseren.
1.1 Wat roept diagnostiek intuïtief op?
• Diagnostiek = professioneel, vakkundig en doelgericht oordelen
• Het is altijd een interactie van mens tot mens → persoonlijke indrukken en gevoelens
zijn automatisch betrokken
• Twee soorten uitdagingen:
o Cognitief: veelheid aan informatie en bronnen verwerken
o Emotioneel: omgaan met eigen gevoelens én die van het kind en gezin
• Basis voor transparant oordelen: je eigen denken en voelen actief verkennen en
impliciete oordelen aftoetsen aan professionele inzichten
• Relationele dimensie extra verzorgen: verplaatsen in de beleving van kind én ouders
→ bepaalt hoeveel informatie het gezin vrijgeeft
1.2 Werkdefinitie van diagnostiek
Diagnostiek = vakkundige oordeelsvorming
Drie kernelementen:
• Vakkundig: aantoonbaar weten wat je doet, waarom en hoe, vanuit kennis van
typische ontwikkeling, opvoeding en gezinsfunctioneren
• Doelgericht: oordelen worden pas vakkundig als je ze doelgericht binnen je
werkkader inzet
• Doel: eerst onderkennen/beschrijven, dan verklaren/begrijpen → einddoel is samen
met het cliëntsysteem beslissen welk hulptraject raadzaam is
1.3 Vormen van oordelen
De vraag is niet óf je oordeelt, maar hóe. Er zijn drie tegenstellingen:
Impliciet vs. expliciet
• Impliciet = niet verwoorden wat je denkt/voelt, vanuit gevoel, altijd aanwezig, kun je
niet uitschakelen
• Expliciet = bewust, gericht informatie verzamelen met professionele technieken,
kwaliteit bewaken en eigen gevoelens herkennen
• Ze vullen elkaar aan: impliciet blijft altijd aanwezig, maar planmatig werken maakt
oordelen transparant verantwoordbaar
Vrij vs. systematisch
• Vrij = zonder plan, geleid door het moment, weinig controle
• Systematisch = basisplan voor informatieverzameling en -verwerking, oordelen zo
betrouwbaar (standvastig tussen beoordelaars en in de tijd) en valide (je meet wat je
wil meten) mogelijk maken
,Niet-participerend vs. participerend
• Niet-participerend = enkel rol van diagnosticus, meest gebruikelijk in werkveld
• Participerend = tegelijk diagnosticus én behandelaar → moeilijker, maar hogere
ecologische validiteit (informatie sluit nauwer aan bij dagelijks functioneren door
continue steekproef van gedrag)
1.4 Vormen van maatstaven
Categorisch vs. dimensioneel
• Categorisch = probleem is aan- of afwezig (bv. ADHD, autisme)
• Dimensioneel = drukt een mate van gedrag uit op een glijdende schaal
Nomothetisch vs. ideografisch
• Nomothetisch = functioneren aftoetsen aan een vergelijkingsgroep (bv.
leeftijdsnormen, testuitkomsten)
• Ideografisch = functioneren aftoetsen aan wat voor de eigen specifieke context
adaptief of gunstig is → per definitie subjectief en veranderlijk, geen vaste maatstaf
1.5 Vier uitdagingen van kinddiagnostiek
Diagnostiek bij kinderen is anders dan bij volwassenen: informatie moet altijd geplaatst
worden in het perspectief van de ontwikkeling en de context van het kind.
1. Verloop van de aanmelding Het kind meldt zich zelden zelf aan maar is wel de focus. Dit
geeft de kinddiagnostische paradox: je moet het kind onderzoeken dat er zelf niet om vroeg,
terwijl de ouders mogelijk menen dat zíj niet onderzocht moeten worden. Vereist zorgvuldige
analyse van diverse informatiebronnen vanaf het eerste contact.
2. Het kind als minderjarige
• Afhankelijk van ouders en behandelaar → vertrouwen is cruciaal
• Roept deontologische (beroepsvoorschriften) en ethische (maatschappelijke waarden
en normen) vragen op
• Altijd meerdere informanten betrokken → informatie via hen verzamelen én met hen
werken aan een hulptraject
,3. Het ontwikkelingsniveau
• Minder verbaal vaardig → bepaalt hoe je informatie kunt verzamelen
• Emoties, metacognitie en zelfsturing zijn nog in ontwikkeling
• Zelfinzicht is nog in volle groei
• → Geschikte methoden inzetten om zelfexpressie te faciliteren
4. Variabiliteit van de ontwikkeling
• Kindontwikkeling biedt geen vaste maatstaf
• Kleine wijzigingen in context of interventies kunnen al grote effecten hebben
• Cultuur, waarden en normen wegen mee
1.6 Het kind in context: altijd opvoeding en gezin meenemen
• Door de kinddiagnostische paradox is het altijd nodig de kindomgeving te betrekken
• Kindsignalen kunnen gelinkt zijn aan een probleem dat oorspronkelijk bij de ouders
ligt
• Zelfs als de focus buiten het gezin ligt (bv. school) is verkenning van opvoeding en
gezin zinvol → helpt de juiste interventie te kiezen
• Doel: handvatten zoeken in thuiscontext die een succesvolle interventie faciliteren
1.7 Vier pijlers van vakkundige kinddiagnostiek
Kwaliteitsvolle kinddiagnostiek is evidence-based: werkwijze en oordelen onderbouwen
vanuit vakkundige argumenten.
Pijler Inhoud
Kennis van doelgroepen en problematieken, tijdens opleiding én
1. Vakinhoud
permanente bijscholing
2. Proces en Hulpvragen → informatieverzameling → besluit/advies → rapport, cyclus
cyclus herhaalt zich mogelijk
Multi-informant + multi-method: informatie van verschillende
3. Methoden
betrokkenen met verschillende methoden combineren
Denken besturen en emoties reguleren om standvastig en geldig te
4. Vaardigheden
oordelen, het "voertuig" van de diagnostiek
, Hoofdstuk 2: Hoe handel je evidence-based? De FACE-aanpak
2.1 Evidence-based diagnostiek: wat, waarom en hoe?
Evidence-based werken is de kern van vakkundige diagnostiek. Je integreert drie soorten
evidence:
Soort Inhoud Voorbeeld
Handelen volgens actueel Meisjes → meer internaliserend gedrag;
1. Evidence-based
wetenschappelijk jongens → meer externaliserend gedrag
(empirisch onderzoek)
onderzoek → geslacht is relevante info
2. Practice-based
Werkwijzen die in het Geen uitgebreide gedragsvragenlijst bij
evidence
veld werkzaam blijken kansarme doelgroepen
(praktijkkennis)
Vragen, behoeften en
3. Cliëntgestuurde
ervaringen van het gezin Wat werkt al? Wat is al geprobeerd?
evidence
zelf
Best practices = combinatie van empirische kennis + praktijkkennis, aanbevolen door
beroepsorganisaties.
Aanvullen met intervisie en supervisie → informatie interdisciplinair uitbreiden en
overleggen.
2.2 Vier uitdagingen van evidence-based kinddiagnostiek
1. Selectie uit de evidence-base Het onderzoeksbestand is enorm, bij elke aanmelding alles
doorzoeken is onmogelijk. Oplossing: het FACE-model geeft overzicht van welke info
aandacht verdient.
2. Vertaalslag naar maatwerk Onderzoek werkt op groepsniveau, maar jij werkt met 1
gezin. Je moet zelf evidence verzamelen over die specifieke situatie en daaruit coherente
besluiten trekken.
3. Transparantie van praktijk- en cliëntkennis Je moet zichtbaar maken welke praktijk- en
cliëntervaringen je gebruikt en hoe ze je oordelen onderbouwen. Dit gaat in tegen hoe het
brein spontaan werkt (snel conclusies trekken op basis van gevoel).
4. Weging en integratie van de evidentie Onderzoekskennis afwegen tegen de concrete
situatie van het kind, gecombineerd met praktijkkennis en de behoeften van het gezin. Geen
vaste maatstaf, wel transparant verantwoorden.
2.3 De FACE-aanpak
Doel: evidence-based kinddiagnostiek ondersteunen door overzicht te creëren in de
kindsituatie → beschrijven, begrijpen en verantwoord adviseren.