Samenvatting: partim Vlaeminck
(diabetes)
Het basisprobleem
- lichaamscellen hebben energie nodig -> functioneren
- cellen kunnen 3 # energiebronnen hiervoor aanspreken:
1) koolhydraten
2) vetten
3) eiwitten
- meest voordelig voor de cellen = verbranding koolhydraten -> glucose
- glucose kan alleen maar binnendringen in de cellen als er insuline voorradig is!!
- insuline = hormoon aangemaakt in de pancreas
- bij diabetes, is er onvoldoende insuline, hierdoor zal de verbranding van glu vertragen & blijft glu in de
Bloedbaan circuleren -> verhoogd bloedsuikergehalte (hyperglycemie)
- ongebruikte suiker gaat via de nieren nr de urine (glucosurie)
- als het lichaam geen glu kan gebruiken als energiebron:
-> stresshormonen (glucagon, adrenaline, groeihormoon, cortisol) zorgen vr extra productie glu:
1) glycogeen -> glucose (glycogenolyse)
2) lichaam gebruikt andere energiebronnen (verbranden vn eiwitten, vetten (gluconeogen.)
-> zorgt voor afvalstoffen (vrije vz, ketonlichamen (keto-acidose))
1.1 etiologie en vormen van diabetes
Diabetes type 1 Diabetes type 2
Lichaam maakt geen insuline meer Onvoldoende insuline aanwezig + is minder
werkzaam, want weefsels ≠ gevoelig voor insuline
= insulineresistentie
Eigen afweersysteem valt de ß-cellen van de Erfelijke aanleg speelt een grote rol
pancreas aan met antistoffen
Treedt op voor de leeftijd van 20 jaar + direct Ouder worden, zwaarlijvigheid en gebrek aan
starten met insulinetherapie lichaamsbeweging verhogen het risico
Prediabetes kan worden vastgesteld en
teruggedraaid
Treft vooral volwassenen > 40 jaar
Speciale vorm = zwangerschapsdiabetes:
- GDM (gestational diabetes)
- in de 2e helft van de zwangerschap
- door hormonale veranderingen, die de insulineresistentie bevorderen
- ß-cellen kunnen niet voldoende compenseren voor de toegenomen insulinebehoefte
- er kan geen normale glycemiewaarde gehandhaafd worden
- houdt verband met overgewicht
- meestal verdwijnt dit na de zs -> maar P(diabetes type 2) verhoogd
, Verpleegkundige begeleiding van diabetici
Verpleegkundige taken specifiek voor de patiënt met diabetes:
- informatie verstrekken
- uitleg geven over hypo- en hyperglycemie
- angst proberen wegnemen
- zelfcontrole dmv bloedglucose meter aanleren
- correct insuline leren injecteren
2.1 compliance, adherence en zelfmanagement
Compliance = term die gebruikt wordt wanneer de zieke de therapeutische voorschriften
zonder meer opvolgt. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van de autoritaire en
paternalistische relatie tss de zorgverlener en de patiënt.
¯
Adherence = verwijst naar een relatie tss zorgverlener en patiënt, waarbij de patiënt meer
‘in het spel’ wordt gezet. De term impliceert dat de patiënt zich houdt aan de afspraken
die in de dialoog tss zorgverlener en patiënt gemaakt worden.
¯
Zelfmanagement = impliceert dat de patiënt de ‘hoofdrolspeler’ is. Hij regelt zelf hoe hij
het therapeutisch regime in zijn leven gestalte geeft. Het is het bewust zelf nemen van
beslissingen om de ziekte zo goed mogelijk in het dagelijkse leven in te passen, de ziekte
onder controle te houden en de gevolgen ervan te beperken. Dit houdt in dat het individu
preventieve handelingen verricht en / of de uitvoering van de therapie op een passende
wijze gestalte geeft.
¯
Adequaat zelfmanagement = de patiënt kiest bewust voor de oplossing die het beste
compromis is tss de eisen van de ziekte en de eisen van het leven. En de patiënt handelt
dan overeenkomstig ook deze beslissing.
- de vpk is hierbij een belangrijk steunpunt
-> geeft de nodige informatie aan de patiënt
- centraal thema in zelfmanagement = self-efficacy:
-> het wel of nier uitvoeren van gezondheidsgedrag w beïnvloed door de overtuiging dit gedrag uit
Te kunnen voeren
-> het slagen van het uitvoeren > dan het stellen van het gedrag zelf
-> geen onrealistische doelen stellen
-> manier om self-efficacy te verhogen = modeling
(= de patiënt ervaart dat een medelotgenoot erin slaagt om een bepaald gedrag te stellen)
De onderzoeken
3.1 glucosurie
,- opsporen van glucose in de urine
- meestal de eerste test die w uitgevoerd
- glucosurie is normaal afwezig
-> w sterk beïnvloed door de nierfunctie & nierdrempel (180 mg/dl)
-> betekent dat glycemie > 180 mg/dl te vinden is in de urine
- test w uitgevoerd dmv stix (vb. clinistix-test)
3.2 acetonurie & ketonemie
- moet regelmatig gebeuren om stofwisselingsstoornissen te signaleren
-> zeker indien glycemie > 250 mg/dl
- aceton is in de urine te vinden bij:
-> ontregeling van de diabetes met vetverbranding
-> hongertoestanden
- test w uitgevoerd dmv stix (vb. acetest, ketostix)
3.3 nuchtere glycemie
- persoon moet 10 uren nuchter zijn
- veneus of capillair bloed wordt genomen
- normaal tss de 70 – 100 mg/dl
- > 125 mg/dl = diabetes
3.4 glucosetolerantietest
3.5 challenge test
- enkel als glycemie bepaling onvoldoende uitsluitsel geeft + bij zwangerschapsdiabetes
- 1 uur na belasting met 50g glu w veneus een glycemiebepaling uitgevoerd
- niet nuchter zijn bij aanvang
- positieve test -> na 1 uur nog altijd glycemie van > 140 mg/dl
-> nu moet de diagnose bevestigd w door een 100 g OGTT
3.6 O.G.T.T.
= orale glucosetolerantie test
- wordt uitgevoerd na 1 nacht vasten
-> meestal w 75g glucopur gegeven bij volwassenen
-> 1,75g glu/kg lichaamsgewicht (max 75g) bij kinderen
-> 100g glu bij zwangeren
- glu w opgelost in 300 ml water
- moet in minder dan 5 min. Worden uitgedronken
Stadium Nuchtere glycemie Random plasma glucose OGTT
Diabetes > 126 mg/dl > 200 mg/dl > 200 mg/dl
Gestoorde glucose 100 – 126 mg/dl 140 – 200 mg/dl
tolerantie
Normaal < 100 mg/dl < 140 mg/dl (na 2 uur)
, 3.5 hemoglobine A1c
- als men informatie wil krijgen over het glucosegehalte gedurende een langere periode
-> bepaling van HbA1c
HbA1c = fractie van Hb die zich gedurende de levensduur van de RBC (120 dagen) gaat
binden aan de glucose in het bloed. = glycolyseren van het bloed
- hoe meer suiker in de bloedbaan, hoe meer geglycolyseerd Hb
-> deze binding is blijvend
-> oude RBC zullen meer versuikerd Hb bevatten
- HbA1c weerspiegelt een gemiddelde waarde van de laatste maanden
- normaalwaarde = 4 à 5 %
- diabetes = > 6,5 %
- eenheid = mmol / mol
- nieuwe omrekenformule:
-> nieuwe HbA1c waarde = (10,93 x oud HbA1c) – 23,5 mmol/mol
-> oude HbA1c waarde = (0,0915 x nieuw HbA1c) + 2,15 %
-> vb. 7% = 53 mmol/mol
3.6 de glycemiedagcurve
- glycemie w nuchter, voor elke maaltijd & voor het slapengaan bepaald
- helpt de patiënt tot zelfregulering te komen & bloedsuikerwaarde zoveel mogelijk te normaliseren
3.7 C-peptide bepalen en bepalen van antistoffen
C-peptide = fragment van pro-insuline dat door de ß-cellen samen met insuline wordt
gesecreteerd.
- uit de bepaling van C-peptide kan men residuele secretiecapaciteit van de langerhans-eilandjes afleiden &
Diagnose bekrachtigen
- binnen de cel w pro-insuline gesplitst in evenveel deeltjes insuline en C-peptide
- omzetting van pro-insuline -> actieve insuline = volledig op het ogenblik van de afscheiding in de bloed-
Baan
- door bepaling in het bloed van c-peptide gehalte kan men een idee krijgen vd nog overblijvende eigen
Insuline afscheiding van de patiënt
- heel lage waarde + glycemie van > 100 mg/dl = diabetes type 1
- heel hoge waarde + glycemie van > 100 mg/dl = diabetes type 2 (weerspiegeling van insulineresistentie)
De behandeling
4.1 het dieet
- gezonde, evenwichtige, gevarieerde voeding, aangepast aan de persoonlijke behoeften van de patiënt
- 3 hoofdmaaltijden + 3 tussendoortjes
-> niet bij ultrasnelwerkende insuline
- voldoende drinken
- letten op zout & vet
(diabetes)
Het basisprobleem
- lichaamscellen hebben energie nodig -> functioneren
- cellen kunnen 3 # energiebronnen hiervoor aanspreken:
1) koolhydraten
2) vetten
3) eiwitten
- meest voordelig voor de cellen = verbranding koolhydraten -> glucose
- glucose kan alleen maar binnendringen in de cellen als er insuline voorradig is!!
- insuline = hormoon aangemaakt in de pancreas
- bij diabetes, is er onvoldoende insuline, hierdoor zal de verbranding van glu vertragen & blijft glu in de
Bloedbaan circuleren -> verhoogd bloedsuikergehalte (hyperglycemie)
- ongebruikte suiker gaat via de nieren nr de urine (glucosurie)
- als het lichaam geen glu kan gebruiken als energiebron:
-> stresshormonen (glucagon, adrenaline, groeihormoon, cortisol) zorgen vr extra productie glu:
1) glycogeen -> glucose (glycogenolyse)
2) lichaam gebruikt andere energiebronnen (verbranden vn eiwitten, vetten (gluconeogen.)
-> zorgt voor afvalstoffen (vrije vz, ketonlichamen (keto-acidose))
1.1 etiologie en vormen van diabetes
Diabetes type 1 Diabetes type 2
Lichaam maakt geen insuline meer Onvoldoende insuline aanwezig + is minder
werkzaam, want weefsels ≠ gevoelig voor insuline
= insulineresistentie
Eigen afweersysteem valt de ß-cellen van de Erfelijke aanleg speelt een grote rol
pancreas aan met antistoffen
Treedt op voor de leeftijd van 20 jaar + direct Ouder worden, zwaarlijvigheid en gebrek aan
starten met insulinetherapie lichaamsbeweging verhogen het risico
Prediabetes kan worden vastgesteld en
teruggedraaid
Treft vooral volwassenen > 40 jaar
Speciale vorm = zwangerschapsdiabetes:
- GDM (gestational diabetes)
- in de 2e helft van de zwangerschap
- door hormonale veranderingen, die de insulineresistentie bevorderen
- ß-cellen kunnen niet voldoende compenseren voor de toegenomen insulinebehoefte
- er kan geen normale glycemiewaarde gehandhaafd worden
- houdt verband met overgewicht
- meestal verdwijnt dit na de zs -> maar P(diabetes type 2) verhoogd
, Verpleegkundige begeleiding van diabetici
Verpleegkundige taken specifiek voor de patiënt met diabetes:
- informatie verstrekken
- uitleg geven over hypo- en hyperglycemie
- angst proberen wegnemen
- zelfcontrole dmv bloedglucose meter aanleren
- correct insuline leren injecteren
2.1 compliance, adherence en zelfmanagement
Compliance = term die gebruikt wordt wanneer de zieke de therapeutische voorschriften
zonder meer opvolgt. Hierbij wordt er gebruik gemaakt van de autoritaire en
paternalistische relatie tss de zorgverlener en de patiënt.
¯
Adherence = verwijst naar een relatie tss zorgverlener en patiënt, waarbij de patiënt meer
‘in het spel’ wordt gezet. De term impliceert dat de patiënt zich houdt aan de afspraken
die in de dialoog tss zorgverlener en patiënt gemaakt worden.
¯
Zelfmanagement = impliceert dat de patiënt de ‘hoofdrolspeler’ is. Hij regelt zelf hoe hij
het therapeutisch regime in zijn leven gestalte geeft. Het is het bewust zelf nemen van
beslissingen om de ziekte zo goed mogelijk in het dagelijkse leven in te passen, de ziekte
onder controle te houden en de gevolgen ervan te beperken. Dit houdt in dat het individu
preventieve handelingen verricht en / of de uitvoering van de therapie op een passende
wijze gestalte geeft.
¯
Adequaat zelfmanagement = de patiënt kiest bewust voor de oplossing die het beste
compromis is tss de eisen van de ziekte en de eisen van het leven. En de patiënt handelt
dan overeenkomstig ook deze beslissing.
- de vpk is hierbij een belangrijk steunpunt
-> geeft de nodige informatie aan de patiënt
- centraal thema in zelfmanagement = self-efficacy:
-> het wel of nier uitvoeren van gezondheidsgedrag w beïnvloed door de overtuiging dit gedrag uit
Te kunnen voeren
-> het slagen van het uitvoeren > dan het stellen van het gedrag zelf
-> geen onrealistische doelen stellen
-> manier om self-efficacy te verhogen = modeling
(= de patiënt ervaart dat een medelotgenoot erin slaagt om een bepaald gedrag te stellen)
De onderzoeken
3.1 glucosurie
,- opsporen van glucose in de urine
- meestal de eerste test die w uitgevoerd
- glucosurie is normaal afwezig
-> w sterk beïnvloed door de nierfunctie & nierdrempel (180 mg/dl)
-> betekent dat glycemie > 180 mg/dl te vinden is in de urine
- test w uitgevoerd dmv stix (vb. clinistix-test)
3.2 acetonurie & ketonemie
- moet regelmatig gebeuren om stofwisselingsstoornissen te signaleren
-> zeker indien glycemie > 250 mg/dl
- aceton is in de urine te vinden bij:
-> ontregeling van de diabetes met vetverbranding
-> hongertoestanden
- test w uitgevoerd dmv stix (vb. acetest, ketostix)
3.3 nuchtere glycemie
- persoon moet 10 uren nuchter zijn
- veneus of capillair bloed wordt genomen
- normaal tss de 70 – 100 mg/dl
- > 125 mg/dl = diabetes
3.4 glucosetolerantietest
3.5 challenge test
- enkel als glycemie bepaling onvoldoende uitsluitsel geeft + bij zwangerschapsdiabetes
- 1 uur na belasting met 50g glu w veneus een glycemiebepaling uitgevoerd
- niet nuchter zijn bij aanvang
- positieve test -> na 1 uur nog altijd glycemie van > 140 mg/dl
-> nu moet de diagnose bevestigd w door een 100 g OGTT
3.6 O.G.T.T.
= orale glucosetolerantie test
- wordt uitgevoerd na 1 nacht vasten
-> meestal w 75g glucopur gegeven bij volwassenen
-> 1,75g glu/kg lichaamsgewicht (max 75g) bij kinderen
-> 100g glu bij zwangeren
- glu w opgelost in 300 ml water
- moet in minder dan 5 min. Worden uitgedronken
Stadium Nuchtere glycemie Random plasma glucose OGTT
Diabetes > 126 mg/dl > 200 mg/dl > 200 mg/dl
Gestoorde glucose 100 – 126 mg/dl 140 – 200 mg/dl
tolerantie
Normaal < 100 mg/dl < 140 mg/dl (na 2 uur)
, 3.5 hemoglobine A1c
- als men informatie wil krijgen over het glucosegehalte gedurende een langere periode
-> bepaling van HbA1c
HbA1c = fractie van Hb die zich gedurende de levensduur van de RBC (120 dagen) gaat
binden aan de glucose in het bloed. = glycolyseren van het bloed
- hoe meer suiker in de bloedbaan, hoe meer geglycolyseerd Hb
-> deze binding is blijvend
-> oude RBC zullen meer versuikerd Hb bevatten
- HbA1c weerspiegelt een gemiddelde waarde van de laatste maanden
- normaalwaarde = 4 à 5 %
- diabetes = > 6,5 %
- eenheid = mmol / mol
- nieuwe omrekenformule:
-> nieuwe HbA1c waarde = (10,93 x oud HbA1c) – 23,5 mmol/mol
-> oude HbA1c waarde = (0,0915 x nieuw HbA1c) + 2,15 %
-> vb. 7% = 53 mmol/mol
3.6 de glycemiedagcurve
- glycemie w nuchter, voor elke maaltijd & voor het slapengaan bepaald
- helpt de patiënt tot zelfregulering te komen & bloedsuikerwaarde zoveel mogelijk te normaliseren
3.7 C-peptide bepalen en bepalen van antistoffen
C-peptide = fragment van pro-insuline dat door de ß-cellen samen met insuline wordt
gesecreteerd.
- uit de bepaling van C-peptide kan men residuele secretiecapaciteit van de langerhans-eilandjes afleiden &
Diagnose bekrachtigen
- binnen de cel w pro-insuline gesplitst in evenveel deeltjes insuline en C-peptide
- omzetting van pro-insuline -> actieve insuline = volledig op het ogenblik van de afscheiding in de bloed-
Baan
- door bepaling in het bloed van c-peptide gehalte kan men een idee krijgen vd nog overblijvende eigen
Insuline afscheiding van de patiënt
- heel lage waarde + glycemie van > 100 mg/dl = diabetes type 1
- heel hoge waarde + glycemie van > 100 mg/dl = diabetes type 2 (weerspiegeling van insulineresistentie)
De behandeling
4.1 het dieet
- gezonde, evenwichtige, gevarieerde voeding, aangepast aan de persoonlijke behoeften van de patiënt
- 3 hoofdmaaltijden + 3 tussendoortjes
-> niet bij ultrasnelwerkende insuline
- voldoende drinken
- letten op zout & vet