HOOFDSTUK 1: HOMO SAPIENS ALS STUDIEOBJECT
1. Wie is de homo sapiens?
Homo sapiens hebben andere cognitie dan vb. katten;
• Kunst typeert ons
• Wij kunnen abstracties maken (boeken, technologie, etc.)
• Paradoxaal gedrag: zelfzuchtig en strategisch versus behulpzaam en meevoelend
• Onevenaarbaar succes in biomassa, flexibiliteit, creativiteit, maar ook een neiging tot geweld en destructie
• Grote ecologische afdruk; wereld aangepast aan onze noden ipv omgekeerd
Waarom? Ons brein is vrij groot en op een bepaalde manier georganiseerd
• Lange kindertijd
• Sociale interacties
• Mogelijkheid tot abstract denken
Groene zones in brein waar ons brein verschilt van chimpansees; heeft te maken met sociale interacties
2. Gedragswetenschappen
= een huwelijk tussen rationalisme (theorievorming) en empirisme (ervaring, dataverzameling)
2.1. Het rationalisme en het empirisme: complementaire filosofische stromingen
Rationalisme: rede en reflectie veel belangrijker dan empirisch achterhalen van absolute waarheden
• Zintuigen onvoldoende om wetenschappelijke kennis te bereiken
• Enige waar je niet aan moet twijfelen is je eigen denken (‘Je pense donc je suis’)
• Beginselen van neurowetenschappen
Empirisme: kennis ontstaat door continue observaties en opbouwen van ervaringen
• Mensen worden geboren als een ‘tabula rasa’ (onbeschreven blad)
• Geest wordt gevuld door empirie die indrukken en ideeën schept
2.2. Gedragswetenschappen in 19e en 20e eeuw
Bewustzijn: 1 van de eerste onderzoeksdomeinen in gedragswetenschappen
(1) Structuralisme: experimentele analyse v.d. onderdelen van het bewustzijn
o Systematische, objectieve observaties van bewuste ervaringen
o Voorbeeld: experiment naar minimumverschil in lichtintensiteit dat eenzelfde persoon kan waarnemen
(2) Funtionalisme: onderzoekt functie v.h. bewustzijn
o Uitgangspunt: wat draagt het bewustzijn bij aan het leven van een mens?
o Invloed van het Darwinisme; het bewustzijn heeft overlevingswaarde
o Vergelijking in ontwikkeling van sociale groepen
1
,-> Conflict tussen structuralisme en functionalisme leidt tot waaier van wetenschappelijke benaderingen:
(1) Behaviorisme: bestudeert enkel het observeerbare gedrag
o Uitgangspunt: een organisme zal een bepaalde gedragstendens behouden en vermeerderen als het positieve gevolgen
heeft, en verminderen als het negatieve gevolgen heeft
o Gedrag is geen gevolg van keuzes, maar van conditionering (= vrije wil is een illusie)
o Sterk beïnvloed door studies van Pavlov
o Weinig ruimte voor impact van ecologische en sociale context
(2) Psychodynamica: bestudeert de onbewuste drijfveren van het gedrag
o Twee belangrijkste onbewuste invloeden: eros (seksdrang) en thanatos (doodsangst)
o Ontwikkeld om psychopathologisch gedrag efficiënter te behandelen
(3) Humanisme: “mensen zijn veranderbaar” -> focus op zelfrealisatie
o Motivatie om zichzelf te ontwikkelen is universeel
o Persoon met congruentie tussen zelfbeeld en beeld van anderen hebben een gezonde mentale toestand
o Mensen zijn geen slaaf van externe prikkels = unieke menselijke vrijheid
2.3. Moderne benaderingen
(1) Biologische: gedrag verklaren aan de hand van genetische, neurologische en biochemische processen
• Hersenen reageren actief op prikkels in de omgeving
(2) Cognitieve: hoe wordt informatie vergaard, opgeslagen en verwerkt?
• Hernieuwde interesse in bewustzijn, maar rekening houden met neurobiologische basis
• Gedrag kan worden begrepen in termen van hoe mensen denken
(3) Evolutionaire: evolutie door selectie, bestudeert universele tendensen, berust op assumpties uit het verleden
• Menselijk gedrag begrijpen door bekijken in licht van evolutionaire geschiedenis
• Natuurlijke selectie: individuen met competitief voordeel hebben meer kans om voort te planten en te blijven bestaan
• Mismatch tussen aangepast gedrag uit verleden en noden van vandaag
(4) Sociaal-culturele: gedrag is afhankelijk van de socio-culturele context
• Idee van evolutionair verworven gedrag is overdreven
o Geen overtuigend bewijs voor universele gedragsadaptaties
• Benadrukt belang van leerprocessen
2.4. Belang voor economen
Reden 1) Begrip voor economische anomalieën:
1. Verwachting van rationaliteit, maar mensen zijn niet rationeel
2. Mensen vertonen atypisch economisch gedrag
Anomalieën:
o Mensen hebben een afkeer voor onrechtvaardigheid (zie “Monkeys do not like unequal pay” en ultimatumspel p.78)
o Vertrouwen is de basis van onze democratie (fundament van coöperatie)
o Belang van verhalen (“collectief in iets geloven”)
Reden 2) Gedrag en bedrijfskunde
1. Werknemers zijn “Human Resources” -> groot belang van werknemers en hun betrokkenheid in bedrijven
2. Hawthorne studies: werkcondities beïnvloeden productiviteit via hun invloed op de verwachtingen van werknemers
o Zolang positieve verwachtingen gekoesterd worden, verhoogt motivatie en verbetert werk
2
,Reden 3) Goede theorie is domein-overschrijdend en biedt toepassingsmogelijkheden in diverse gebieden
Voorbeeld: belang van controlegevoel (locus of control)
1. Controleverlies draagt bij tot:
o Aangeleerde hulpeloosheid
o Passievere houding van daklozen en werklozen
o Argwaan tov vaccins
2. Controlegevoel draagt bij tot:
o Minder gezondheidsproblemen
o Successvolle CEO’s
o Productievere werknemers
-> Effect van stress op tumorgroei (zie experiment met ratten):
3
,HOOFDSTUK 2: OVER DIVERSITEIT, GENEN, EN CULTUUR
1. Geschiedenis van sociaal gedrag
Meest opvallende menselijke eigenschappen:
(1) Relatief groter brein gegeven lichaamsgrootte
• Niet toevallig; breindelen betrokken bij abstract denken en sociale interacties meer ontwikkeld
• Mental imaging geeft mogelijkheid om toekomstvisie te hebben
(2) Kindertijd is sterk verlengd bij de mens
• Geen enkel dier zo afhankelijk als moderne mens
• Functie van leerproces
• Sterke inzet op rol van cultuur; gedragspatronen doorgeven
(3) Communicatie complexer en veelzijdiger
o Menselijke taal is onuitputbaar
o Taal is uniek in syntax, recursiviteit, en generativiteit
Menselijk gedrag is complex en moeilijk voorspelbaar:
• Gedrag wordt ogenblikkelijk bepaald
• Samenspel van omgevingsprikkels, motivatie, intenties, en emoties die snel kunnen veranderen
MAAR… Om menselijk gedrag te begrijpen kan je een tijdslijn gebruiken die alle oorzaken van systematisch gedrag opsomt:
2. Evolutie via natuurlijke selectie
2.1. Uitgangspunten van natuurlijke selectie
Darwin observeerde levensvormen en bouwde een overkoepelende theorie op, met volgende uitgangspunten:
(1) Individuen in een populatie verschillen in eigenschappen
(2) Deze eigenschappen hebben een erfelijk component
(3) In de omgeving van de populatie heerst er competitie
(4) Sommige eigenschappen bieden een omgeving-specifiek competitief voordeel
(5) Individuen met een competitief voordeel hebben meer nageslacht
(6) De genen die bijdragen tot de eigenschappen met meer voortplantingssucces nemen toe in de populatie
4
,2.2. Kernbegrippen in evolutieleer
Adaptatie: erfelijke eigenschap die toeneemt in een populatie en door natuurlijke selectie tot stand kwam, en fitness van een individu
vermeerdert
Fitness: maatstaf voor voortplantingssucces en gevolg van evolutie via natuurlijke selectie
• Hoge fitness: nodige lichaams- en gedragseigenschappen om in omgeving te overleven en voort te planten
• ‘fit’ = aangepast aan omgeving
• Gemeten door aantal afstammelingen van individu per generatie te vergelijken met afstammelingen in gehele populatie
-> beperkingen want persoon die eigenschappen bezit maar plotseling vroegtijdig sterft heeft fitness van 0
2.3. Evolutionaire mismatch
Adaptaties dragen enkel bij tot verhoogde fitness in de omgeving waarin ze gevormd werden
Gevolg: evolutionaire “mismatch”: aangepast gedrag uit het verleden versus noden van vandaag
• Voorkeur voor calorierijk voedsel, want calorierijk voedsel was schaars voor onze voorouders
• Ongepaste agressie (fight or flight response) was nuttig in de Savanne 2.5 miljoen jaar geleden
• Depressief gedrag
• …
3. Andere verklaringsgronden
Sommige gedragingen moeilijk te verklaren met natuurlijke selectie:
o Gedrag vertoont vaak contra-adaptieve neigingen (voorbeeld: overdreven consumptie, extreem risicogedrag, conformeren aan
sociale normen, etc.)
o Mensen handelen regenlmatig irrationeel
o Altruïsme: mensen houden rekening met het lot van anderen
3.1. Evolutie via verwantschapsselectie
Hamilton: evolutie van altruïsme is gevolg van natuurlijke selectie op genen in plaats van individuen
• Inclusive fitness: som van individuele voortplantingssucces + voortplantingssucces van verwanten die dezelfde genen delen
• Verwantschapsselectie geldt als één van verklaringsgronden voor altruïsme (vb. bij sociale insecten zoals kruisspinnen)
• Mensen gedragen zich meer altruïstisch tegenover anderen die op hen lijken
Wet van Hamilton: altruïsme kan bestaan wanneer C < B x r waarvan C = fitness kost, B = fitness voordeel, r = graad van verwantschap
3.2. Evolutie via seksuele selectie
Bij sommige diersoorten wordt de voortplanting voorafgegaan door uitbundige hofmakerij en zorgvuldige partnerkeuze
• Komt voor bij competitie voor seksuele partners
• Kunnen fitness verhogen (wanneer erfelijk) doordat voordeel mogelijke nadelen op andere gebieden overtreffen
• Via seksuele selectie kan een eigenschap die ogenschijnlijk niet fit is toch voortbestaan
5
,Twee vormen van seksuele selectie:
(1) Overheersing door competitie: kenmerk geeft geslacht dat moet concurreren een competitief voordeel
o Bevordert kracht en aggressie
o Voorbeeld: steenbokhoorns
(2) Verleiding door aantrekkelijkheid: partner kiezen op basis van opvallend kenmerk
o Stimuleert esthetische kenmerken binnen een soort
o Voorbeeld: pauwenstaart
3.3. Evolutie via culturele groepsselectie en gen-cultuur co-evolutie
Groepsselectie: groepen zijn afgebakende identiteiten en bestaan uit individuen
• Hoe meer individuen zich inspannen voor groep en groepsbelang voorop plaatsen, hoe succesvoller de groep
• Weinig verklaringsgrond: één egoïst in een groep altruïsten heeft zo’n groot voordeel, dat de groep het competitief voordeel
verliest
Gen-cultuur co-evolutie: cultuur creëert een niche waar bepaald gedrag (en de genen die ertoe bijdragen) een voordeel heeft
• Vervangt gedebatteerde “groepselectie” om altruïsme te verklaren
• Kan altruïstische eigenschap die tegen individueel belang gaat toch afgedwongen worden
• Evolutie van culturele normen is veel sneller dan evolutie van genen
Voorbeeld: empathie en coöperatieve kinderzorg (“allo-ouders” = kinderen worden opgevoed in groepsverband)
4. Genetische en epigenetische overerving
Eigenschappen doorgeven berust op overerving van genen -> eigenschappen verworven doorheen leven kunnen niet zomaar van ene
generatie op andere overgedragen worden, MAAR toch kan omgeving wel invloed hebben op doorgeven van genetisch-bepaalde
eigenschappen
4.1. Wat genen wel en niet kunnen
Informatie om een organisme te maken zit in de chemische structuur van DNA
Genoom: totaal van het DNA in een cel
gen: klein stukje DNA dat een code voor één eiwit bevat
• Meerdere varianten voor een gen bestaan
• Elk persoon heeft 2 varianten van elk gen (♀, ♂)
Gedrag: functie van genen, omgeving, en gen*omgeving
4.1.1. Herabiliteit
Erfelijkheidsgraad: relatieve bijdrage van genetische (versus niet- genetische) factoren bij verklaren van variatie in populatie
• H = 1, geen verschil tussen mensen (voorbeeld: 2 benen)
• H < 1, onder invloed van omgeving (voorbeeld: BMI)
-> H niet reduceerbaar naar individu, maar kan snel verhogen of verlagen wanneer omgeving verandert
-> H geeft enkel de variatie weer binnen groep; kan geen 2 groepen vergelijken want de oorzaak van de variatie ligt anders zijn
6
,4.2. Epigenetica
= studie van erfelijke veranderingen in functie van genen zonder dat moleculaire veranderingen optreden in het DNA
Hoe? Een gen wordt gemarkeerd door een methylgroep die zich aan DNA vasthecht en belet dat het gen herkend en uitgedrukt wordt
• Via methylatie en andere processen wordt bepaald welke genen in een cel “aan” en “uit” staan
• Kunnen veranderingen in uitdrukking van gen veroorzaken zonder dat gen zelf aangepast wordt
• Veranderingen in geslachtscellen worden doorgegeven aan volgende generatie
Oorzaak: omgevingsfactoren (tijdens ontwikkeling) die de uitdrukking van genen verhinderen of versterken
• Veranderingen blijven in volgende generaties voortbestaan (voorbeeld: oorlogstrauma’s, etc.)
• Sterk beïnvloed door externe omgevingsfactoren (dieet, pollutie, stress, …)
• Maakt ons gevoelig voor ziekte (PTSS, Alzheimer, etc.)
5. De interactie tussen genen en cultuur
5.1. De bron van variatie
DNA van mensen vandaag op aarde genetisch gezien voor 99,9% gelijk -> Wat verantwoordt dan onze genetische uniciteit?
• DNA bevat gigantische hoeveelheden informatie = unieke genetische handtekening
• Variatie wordt in stand gehouden via seksuele voortplanting
o Meerdere varianten van een gen worden geshuffeld en gerecombineerd om nieuw leven te creëren
• Invloed van familie en cultuur niet te onderschatten
o Genen en omgeving interageren actief met elkaar (voorbeeld: aangeboren temperament kan worden versterk of
afgezwakt door omgeving – stil kind kan lawaaierige groepen actief vermijden)
• Nature vs. Nurture: welk van beide overhand heeft hangt af van verscheidene factoren (er hoeft geen 1 op 1 verband te zijn)
5.2. Erfelijkheid: een misbegrepen concept
“Kinderen erven gedragseigenschappen van ouders” -> kinderen worden geboren met genetische disposities voor bepaalde
eigenschappen
• Is een trek erfelijk? ≠ Hoe erfelijk is een trek?
• Eigenschappen met weinig variatie tussen mensen (voorbeeld: aantal ledematen) hebben erfelijkheidsgraad rond 100%
• Eigenschappen onder 100% genetische controle zijn onderhevig aan milieu- en cultuurinvloeden (voorbeeld: lichaamsgewicht,
intelligentie, voorkeur voor zoet of zout)
7
,HOOFDSTUK 3: HERSENEN STUREN GEDRAG
1. Informatieverwerking- en voorspellingsysteem
Hersenen zijn centraal onderdeel van zenuwstelsel
Hersenen genereren gedragsresponsies met overlevingswaarde in steeds veranderende wereld, maar hoe slagen hersenen erin
perceptie en actie op elkaar af te stemmen?
• Hersenen functioneren als voorspellingsmachine
• Voorspellingen van verwachte waarnemingen gebaseerd op opgeslagen kennis en ervaringen
• Vergelijken voorspellingen met inkomende sensorische informatie
• Voorspellingsfout bepaalt hoe hersenen reageren
-> We leren niet rechtstreeks van wat we waarnemen maar via afwijkingen tussen wat we dachten te waarnemen en de werkelijkheid
• Zelfcorrigerende functie van brein gebeurt niet altijd bewust = automatische motorische response, ook wel reflexen
o Voorbeeld: vinger wegtrekken wanneer je een hete pot aanraakt
• Grote brein stelt ons in staat tot complexe denkpatronen en bewustzijn, die ons helpen impulsen te onderdrukken,
beslissingen uit te stellen en eigen gedrag te reguleren
2. Werking van het zenuwstelsel
Informatieverwerking in het zenuwstelsel berust op anatomie en chemie -> chemische reacties zorgen ervoor dat gedrag van moment
tot moment kan veranderen
• Chemische reacties vinden plaats in gespecialiseerde cellen (neuronen)
• Neuronen in hersenen liggen dichtste bij elkaar
• Neuronen communiceren door middel van neurotransmitters
2.1. Neuronen
Neuronen: functionele cellen in zenuwstelsel die informatie ontvangen, evalueren en doorsturen
• Impulsgeleiders met zeer diverse structuur
• Bestaande uit basiscomponenten: cellichaam (soma), verschillende dendrieten en één uitschieter: het axon
Prototypische neuron:
Dendrieten: geleiden neurale
impuls naar cellichaam
Axon: wegleiden impuls en
contact maken met dendriet
volgende cel
Neuron: verspreiding van neurale
impuls
Informatiestroom via neurale impulsen = elektrisch signaal + chemische overdracht
8
,2.2. Actiepotentiaal
Actiepotentiaal: neuron wordt sterk genoeg geprikkeld waardoor binnenkant van cel positieve lading bereikt
• Elektrisch signaal
• Korte termijn potentiaalverschil tussen binnen- en buitenkant van axon
2.3. Neurotransmissie
Neurotransmitters: chemische stoffen die overdracht van informatie van ene neuron naar de andere mogelijk maken
De synapse: elektrisch signaal wordt omgezet in chemisch signaal = actiepotentiaal + neutrotransmitter-receptor binding
• Snelheid van zenuwimpuls zeer verschillend afhankelijk van type neuron en waar in lichaam
• Leeftijd, geslacht en gezondheid kunnen impulssnelheid en overdracht beïnvloeden (voorbeeld: MS)
• Sneller dan transport via bloedsomloop, maar beperkt sterk de reactietijden, impact op bewustzijn
Neurotransmissie: via neurotransmitter-receptor binding wordt
neurale impuls van ene cel voortgezet in volgende cel
Lijkt op hoe primitieve diersoorten op elkaar reageren door
chemische stoffen vrij gelaten door soortgenoten (groot verschil is
wel dat neurotransmissie geïnternaliseerd werd binnen 1 cel van 1
organisme)
9
, 2.4. Neurotransmitters en neuromodulatie
Neurotransmitters: chemische boodschappers die bepalen of, hoe snel, en hoe sterk signaal van ene neuron naar andere wordt
doorgegeven
• Bepalen verloop van informatiestroom
• Staan in voor spierbeweging en lichaamsfuncties
Neuromodulators veranderen onrechtsreeks manier waarop zenuwcellen signalen doorgeven, vaak door gevoeligheid van receptoren te
verhogen of verlagen, of door de activiteit van meerdere synapsen tegelijk te reguleren
• Bijkomende laag complexiteit
• Fundamentele grondleggers van gedrag
• Beïnvloeden aandacht, alertheid, agressie, en mentale gezondheid (voorbeeld: dopaminenetwerk)
Acetylchloline Beweging
Dopamine Beweging, aandacht, leerprocessen, motivatie
Norepinephrine Gemoedstoestand, aandacht, opwinding
Serotonine Slaap, eetlust, agressie, gemoedstoestand
Endorphine Pijnstillend, positieve emoties
Oxytocine Bevalling, borstvoeding, eetlust, verhoogt verbondenheid
2.5. Dopaminergische beloningsysteem
Psychoactiva (zoals cocaine) die dopamine vrijlating stimuleren verhogen neurale activiteit in hersenneuronen
• Dopaminergische systeem faciliteert onmiddelijke voldoening en impulsieve beslissingen
• Stuurt gedrag dat oorspronkelijke stimulatie herhaalt, los van gevoel dat er mee samenhangt
• Speelt een rol in verslavingsontwikkeling
• Voor de hersenen is willen ≠ graag hebben
3. Organisatie van zenuwstelsel
3.1. Perifeer zenuwstelsel
Perifeer zenuwstelsel wordt opgesplitst in autonome zenuwstelsel (onvrijwillige lichaamsfuncties) en somatische zenuwstelsel (bewuste
controle)
-> Autonome zenuwstelsel wordt opgesplitst in:
• Sympathisch zenuwstelsel: fight/flight
• Parasympathisch zenuwstelsel: energiebesparing
Fight/flight en energiebesparing zitten in aparte systemen = gestuurd door andere hersencircuits
10