Het didactisch model
Bevat noodzakelijke componenten om leerprocessen te realiseren en
geeft de relaties tussen deze componenten weer.
Via doelstellingen drukken we de verwachte leerresultaten uit.
Keuze van de doelstelling is afhankelijk van de beginsituatie.
We moeten een onderwijsleersituatie creëren om leerprocessen op
gang te brengen en zodoende om leerresultaten te realiseren.
Je selecteert leerinhoud die je opneemt in je doelstellingen.
Je kiest geschikte leerstof om de leerinhoud aan te brengen.
Je kiest passende didactische werkvormen en leermiddelen om de doelstellingen op
een efficiënte manier te bereiken. Hierbij houd je rekening met didactische principes.
Om na te gaan in welke mate de leerlingen de doelstellingen effectief bereikt hebben, ga
je doelgericht evalueren.
Module 1: doelgericht werken
Doelgericht werken
Verschillende soorten doelen:
- Minimumdoelen
- Leerplandoelen = vertaling van minimumdoelen
- Lesdoelen
Efficiënt = recht op je doel af, niet te veel omwegen zonder tijdverlies, zonder
omwegen, recht op het del af
Effectief = dat je daadwerkelijk je doel gaat bereiken. Zoals hoe sorteer je en als de
leerlingen dit weten aan het eind van de les is je doel effectief behaalt, daadwerkelijk
Alle leerlingen = we zullen onze aanpak moeten afstemmen op de beginsituatie van de
leerlingen en rekening houden met de verschillen tussen de leerlingen om effectief en
efficiënt te handelen
Doelstellingen: leren, geen vrijblijvende aangelegenheid
Taxonomie van Bloom
Taxonomie= een methode om zaken in te delen met als doel ideeën en materiaal
universeel te kunnen delen
Bloom = een leraar, hij zag dat de punten van zijn klas altijd lager waren dan andere
klassen. Hij heeft een systeem bedacht hoe hij zijn doelen kan bewaken.
,Taxonomie van Bloom = kader om jou eigen doelen te gaan checken, kwaliteitscontrole
om te kijken of er genoeg variatie is in jouw doelstelling
Geen waardeoordeel = je moet de leerlingen extra uitleg geven wil je dat ze bepaalde
dingen in juiste categorieën leggen.
Elk doel heeft een gedragsniveau en een inhoudsniveau
- De studenten kunnen verwoorden wat doelgericht werken is.
3 domeinen voor de doelen:
- Cognitief (denken) taxonomie werkt alleen hierop
- Dynamisch-affectief (houding, attitude)
- Psychomotorisch (grove en fijnen motoriek)
- Lage orde van denken is 1 tot 3 (lage denkvaardigheid)
o Ookal is het laag heb je ze wel nodig om een les te geven
- Hoge orde van denken is 4 tot 6
o Goed om eens te kijken of je na een tijdje wel eens de bovenste niveaus
hebt gebruikt, je moet dit niet elke les doen maar na een tijdje gewoon
eens controleren
Creëren = geen tekening maken maar je gaat iets maken waarbij je alle 6 de niveaus
nodig hebt
, Voorbeeld en definitie
1. Herinneren
Het kunnen ophalen van adequate informatie uit het lange termijn geheugen of het
kunnen herkennen van informatie.
De studenten kunnen de zes denkniveaus van de taxonomie van Bloom opsommen.
2. Begrijpen
Eerder verworven kennis uit je langetermijngeheugen ophalen en er betekenis aan
geven. Om de te onthouden kennis te begrijpen, moeten we een brug leggen tussen
voorkennis en nieuwe kennis.
De studenten kunnen een gegeven doelstelling aan het passende denkniveau van de
taxonomie van Bloom verbinden.
3. Toepassen
Een vaardigheid om kennis en inzichten in nieuwe situaties te gebruiken om zo een
probleem op te lossen, tak of oefeningen aan te pakken.
De studenten kunnen beargumenteren waarom de kennis van de taxonomie van Bloom
het doelgericht lesgeven kan bevorderen.
4. Analyseren
Vaardigheid om informatie op te delen in onderdelen zodat je onderliggende relaties,
verbanden en patronen kan zien.
De studenten kunnen de taxonomie van Bloom vergelijken met de taxonomie van De
Block.
5. Evalueren
Vaardigheid om de waarde van iets te beoordelen in relatie tot een bepaald doel. Het
oordeel is gebaseerd op externe en interne criteria. Een bewust proces en gebaseerd is
op voldoende begrip en analyse van het verschijnsel.
De studenten kunnen aangeven waarom de taxonomie van Bloom al dan niet een
verplicht onderdeel moet zijn van de opleiding.
6. Creëren
De leerling brengt kenniselementen samen of reorganiseert de kenniselementen tot een
nieuw coherent en functioneel geheel. Het is de bedoeling om nieuwe feitelijke kennis of
conceptuele kennis te reorganiseren en niet zelf nieuwe kennis creëren
De studenten kunnen een nieuwe en betere indeling van denkniveaus ontwerpen.
, Soorten inhoudelijke kennis
1. feitelijke kennis
de basiselementen die je moet kennen om problemen op te lossen of kennis te maken
met een bepaalde ‘discipline’. Bv. Doelen
2. Conceptuele kennis
de relaties tussen de basiselementen die de leerling moet weten om zo de samenhang
en verbanden te zien binnen een grotere structuur. Bv. Het didactisch model,
zoogdieren
3. Procedures of procedurele kennis
hoe je iets doet, manieren van onderzoeken en criteria voor vaardigheden, algoritmes,
technieken en methoden. Bv. Differentiëren, cijferen, kompas, stappenplan ww
4. Metacognitieve kennis
kennis over kennis in het algemeen, zelfkennis en zelfbewustzijn over de eigen kennis.
Bv. Reflectie over les, aanpak bij leren, jezelf kennen
Bevat noodzakelijke componenten om leerprocessen te realiseren en
geeft de relaties tussen deze componenten weer.
Via doelstellingen drukken we de verwachte leerresultaten uit.
Keuze van de doelstelling is afhankelijk van de beginsituatie.
We moeten een onderwijsleersituatie creëren om leerprocessen op
gang te brengen en zodoende om leerresultaten te realiseren.
Je selecteert leerinhoud die je opneemt in je doelstellingen.
Je kiest geschikte leerstof om de leerinhoud aan te brengen.
Je kiest passende didactische werkvormen en leermiddelen om de doelstellingen op
een efficiënte manier te bereiken. Hierbij houd je rekening met didactische principes.
Om na te gaan in welke mate de leerlingen de doelstellingen effectief bereikt hebben, ga
je doelgericht evalueren.
Module 1: doelgericht werken
Doelgericht werken
Verschillende soorten doelen:
- Minimumdoelen
- Leerplandoelen = vertaling van minimumdoelen
- Lesdoelen
Efficiënt = recht op je doel af, niet te veel omwegen zonder tijdverlies, zonder
omwegen, recht op het del af
Effectief = dat je daadwerkelijk je doel gaat bereiken. Zoals hoe sorteer je en als de
leerlingen dit weten aan het eind van de les is je doel effectief behaalt, daadwerkelijk
Alle leerlingen = we zullen onze aanpak moeten afstemmen op de beginsituatie van de
leerlingen en rekening houden met de verschillen tussen de leerlingen om effectief en
efficiënt te handelen
Doelstellingen: leren, geen vrijblijvende aangelegenheid
Taxonomie van Bloom
Taxonomie= een methode om zaken in te delen met als doel ideeën en materiaal
universeel te kunnen delen
Bloom = een leraar, hij zag dat de punten van zijn klas altijd lager waren dan andere
klassen. Hij heeft een systeem bedacht hoe hij zijn doelen kan bewaken.
,Taxonomie van Bloom = kader om jou eigen doelen te gaan checken, kwaliteitscontrole
om te kijken of er genoeg variatie is in jouw doelstelling
Geen waardeoordeel = je moet de leerlingen extra uitleg geven wil je dat ze bepaalde
dingen in juiste categorieën leggen.
Elk doel heeft een gedragsniveau en een inhoudsniveau
- De studenten kunnen verwoorden wat doelgericht werken is.
3 domeinen voor de doelen:
- Cognitief (denken) taxonomie werkt alleen hierop
- Dynamisch-affectief (houding, attitude)
- Psychomotorisch (grove en fijnen motoriek)
- Lage orde van denken is 1 tot 3 (lage denkvaardigheid)
o Ookal is het laag heb je ze wel nodig om een les te geven
- Hoge orde van denken is 4 tot 6
o Goed om eens te kijken of je na een tijdje wel eens de bovenste niveaus
hebt gebruikt, je moet dit niet elke les doen maar na een tijdje gewoon
eens controleren
Creëren = geen tekening maken maar je gaat iets maken waarbij je alle 6 de niveaus
nodig hebt
, Voorbeeld en definitie
1. Herinneren
Het kunnen ophalen van adequate informatie uit het lange termijn geheugen of het
kunnen herkennen van informatie.
De studenten kunnen de zes denkniveaus van de taxonomie van Bloom opsommen.
2. Begrijpen
Eerder verworven kennis uit je langetermijngeheugen ophalen en er betekenis aan
geven. Om de te onthouden kennis te begrijpen, moeten we een brug leggen tussen
voorkennis en nieuwe kennis.
De studenten kunnen een gegeven doelstelling aan het passende denkniveau van de
taxonomie van Bloom verbinden.
3. Toepassen
Een vaardigheid om kennis en inzichten in nieuwe situaties te gebruiken om zo een
probleem op te lossen, tak of oefeningen aan te pakken.
De studenten kunnen beargumenteren waarom de kennis van de taxonomie van Bloom
het doelgericht lesgeven kan bevorderen.
4. Analyseren
Vaardigheid om informatie op te delen in onderdelen zodat je onderliggende relaties,
verbanden en patronen kan zien.
De studenten kunnen de taxonomie van Bloom vergelijken met de taxonomie van De
Block.
5. Evalueren
Vaardigheid om de waarde van iets te beoordelen in relatie tot een bepaald doel. Het
oordeel is gebaseerd op externe en interne criteria. Een bewust proces en gebaseerd is
op voldoende begrip en analyse van het verschijnsel.
De studenten kunnen aangeven waarom de taxonomie van Bloom al dan niet een
verplicht onderdeel moet zijn van de opleiding.
6. Creëren
De leerling brengt kenniselementen samen of reorganiseert de kenniselementen tot een
nieuw coherent en functioneel geheel. Het is de bedoeling om nieuwe feitelijke kennis of
conceptuele kennis te reorganiseren en niet zelf nieuwe kennis creëren
De studenten kunnen een nieuwe en betere indeling van denkniveaus ontwerpen.
, Soorten inhoudelijke kennis
1. feitelijke kennis
de basiselementen die je moet kennen om problemen op te lossen of kennis te maken
met een bepaalde ‘discipline’. Bv. Doelen
2. Conceptuele kennis
de relaties tussen de basiselementen die de leerling moet weten om zo de samenhang
en verbanden te zien binnen een grotere structuur. Bv. Het didactisch model,
zoogdieren
3. Procedures of procedurele kennis
hoe je iets doet, manieren van onderzoeken en criteria voor vaardigheden, algoritmes,
technieken en methoden. Bv. Differentiëren, cijferen, kompas, stappenplan ww
4. Metacognitieve kennis
kennis over kennis in het algemeen, zelfkennis en zelfbewustzijn over de eigen kennis.
Bv. Reflectie over les, aanpak bij leren, jezelf kennen