Overzicht immuunsysteem
Infectie
● Pathogeen moet door externe barrières om een infectie te kunnen veroorzaken
○ Voorbeelden van externe barrières
■ Ogen
● Lysosomen in traanvocht
● Knipperen en wimpers
● Enzymen
■ Maag
● Lage pH
■ Darmen
● Verteringsenzymen
● Commensalen
● Peristaltiek
● Mucus
■ Luchtwegen
● Hoesten en niezen
● Mucus
● Ciliën
■ Huid
● Fysieke barrière
● Mucus
● Ciliën
Innate immunity (niet specifiek)
● Als een pathogeen door de externe barrières heen kan komen → infectie
● Niet specifieke afweer → aanwezig in alle weefsels
○ Wordt actief na het binnendringen van een pathogeen
○ Trekt macrofagen, dendritische cellen (DCs) en mestcellen aan
■ Macrofagen en DCs → snel actief →
fagocytose
■ Complement activatie → nodig voor
activatie mestcellen
● Pattern recognition receptoren (PRRs) → aanwezig voor
de herkenning van lichaamsvreemd materiaal
○ Toll-like receptors (TLRs)
○ Aanwezig op macrofagen, DCs en mestcellen
○ Zorgt voor de activatie van witte bloedcellen
● Uittreden van ontstekingscellen uit de bloedcirculatie naar
de infectie
○ Granulocyten + Natural killer cellen (NK cellen)
■ Granulocyten: neutrofielen, eosinofielen en basofielen
, ● Neutrofielen → fagocytose
● Eosinofielen + basofielen → Hebben enzymen en giftige
eiwitten die vrijkomen na activatie
■ NK cellen: herkennen
+ doden geïnfecteerde
cellen
● Ontstekingsreactie → geïnfecteerde
gebied wordt rood, opgezwollen en
pijnlijk
○ Ontstekingscellen migreren
makkelijk het weefsel in door
vasodilatatie en vasculaire
permeabiliteit
● Complement systeem wordt
geactiveerd → complex van pro-enzymen → cascade van actieve enzymen
○ 3 routes
■ Classical pathway
● Antigeen-antilichaam
complex
■ Lectin pathway
● Lectine bindt aan het
oppervlakte van het
pathogeen
■ Alternative pathway
● Binding direct aan het
oppervlakte van het
pathogeen
○ Alle routes komen aan bij de activatie van C3
■ C3b blijft gebonden aan het pathogeen, C3a komt vrij
■ C3a heeft een rol in de activatie van endotheelcellen
○ Effecten
■ Producten die meehelpen bij de ontstekingsreactie ontstaan
■ Opsonisatie van pathogenen
● Als een complement factor op het pathogeen gaat zitten wordt
het sneller gefagocyteerd → complement delen worden
herkend door macrofagen
■ Doden van pathogenen
Adaptive immunity (specifiek)
Lymfeklieren
● Alle weefsels worden gedraineerd door lymfevaten → komen uit in lymfeklieren
○ Structuur lymfeklier
■ Boonvormig
■ Afferente lymfe is aan de andere kant van efferente lymfe
● Bloedvaten aan dezelfde kant als efferente lymfe
Infectie
● Pathogeen moet door externe barrières om een infectie te kunnen veroorzaken
○ Voorbeelden van externe barrières
■ Ogen
● Lysosomen in traanvocht
● Knipperen en wimpers
● Enzymen
■ Maag
● Lage pH
■ Darmen
● Verteringsenzymen
● Commensalen
● Peristaltiek
● Mucus
■ Luchtwegen
● Hoesten en niezen
● Mucus
● Ciliën
■ Huid
● Fysieke barrière
● Mucus
● Ciliën
Innate immunity (niet specifiek)
● Als een pathogeen door de externe barrières heen kan komen → infectie
● Niet specifieke afweer → aanwezig in alle weefsels
○ Wordt actief na het binnendringen van een pathogeen
○ Trekt macrofagen, dendritische cellen (DCs) en mestcellen aan
■ Macrofagen en DCs → snel actief →
fagocytose
■ Complement activatie → nodig voor
activatie mestcellen
● Pattern recognition receptoren (PRRs) → aanwezig voor
de herkenning van lichaamsvreemd materiaal
○ Toll-like receptors (TLRs)
○ Aanwezig op macrofagen, DCs en mestcellen
○ Zorgt voor de activatie van witte bloedcellen
● Uittreden van ontstekingscellen uit de bloedcirculatie naar
de infectie
○ Granulocyten + Natural killer cellen (NK cellen)
■ Granulocyten: neutrofielen, eosinofielen en basofielen
, ● Neutrofielen → fagocytose
● Eosinofielen + basofielen → Hebben enzymen en giftige
eiwitten die vrijkomen na activatie
■ NK cellen: herkennen
+ doden geïnfecteerde
cellen
● Ontstekingsreactie → geïnfecteerde
gebied wordt rood, opgezwollen en
pijnlijk
○ Ontstekingscellen migreren
makkelijk het weefsel in door
vasodilatatie en vasculaire
permeabiliteit
● Complement systeem wordt
geactiveerd → complex van pro-enzymen → cascade van actieve enzymen
○ 3 routes
■ Classical pathway
● Antigeen-antilichaam
complex
■ Lectin pathway
● Lectine bindt aan het
oppervlakte van het
pathogeen
■ Alternative pathway
● Binding direct aan het
oppervlakte van het
pathogeen
○ Alle routes komen aan bij de activatie van C3
■ C3b blijft gebonden aan het pathogeen, C3a komt vrij
■ C3a heeft een rol in de activatie van endotheelcellen
○ Effecten
■ Producten die meehelpen bij de ontstekingsreactie ontstaan
■ Opsonisatie van pathogenen
● Als een complement factor op het pathogeen gaat zitten wordt
het sneller gefagocyteerd → complement delen worden
herkend door macrofagen
■ Doden van pathogenen
Adaptive immunity (specifiek)
Lymfeklieren
● Alle weefsels worden gedraineerd door lymfevaten → komen uit in lymfeklieren
○ Structuur lymfeklier
■ Boonvormig
■ Afferente lymfe is aan de andere kant van efferente lymfe
● Bloedvaten aan dezelfde kant als efferente lymfe