Van anatomie naar functie/fysiologie
Verminderde visuele acuïteit: verminderde scherpte/helderheid.
Scotomen: kleine blinde vlekken bij kleine laesies in het visuele veld.
Laesies: beschadiging/afwijking.
Hemianopsie: Uitval in deel vh gezichtsveld door letsel aan visuele
banen.
Tinnitus: oorsuizen.
Hemianesthesie: verminderde waarneming van aanraking aan één kant.
Proprioceptie en kinesthesie: waarnemen vd positie en beweging van
lichaamsdelen.
Lidmaatapraxie: problemen met doelgerichte bewegingen.
Myalgie: spierpijn.
Analgesie: het verminderen of afnemen van pijn.
Hyperalgesie: verhoogde gevoeligheid voor pijn.
Anosmie: afwezig reukvermogen.
Hyposmie: verminderd reukvermogen.
Ageusie: niet kunnen proeven.
Hypogeusie: verminderde smaak.
Agnosie: verlies van kennis, verlies van herkenning van objecten, kleuren,
vormen of geluiden. (Visuele – auditieve – tactiele)
o Discriminatieproblemen: niet kunnen onderscheiden vd vorm,
grootte, hardheid, ruwheid.
o Asterognosie: niet herkennen van objecten door alleen tast,
waardoor er geen betekenis aan de stimulus kan worden gehecht.
Somatoagnosie: niet herkennen van eigen delen vh lichaam als eigen
lichaamsdelen.
Somatoparafrenie: pt herkent lichaamsdeel niet als van zichzelf,
beschouwt dit als van iemand anders.
Autotopagnosie: niet kunnen vinden of herkennen van eigen
lichaamsdelen.
Constructieve apraxie: moeite met uitvoeren van handelingen waarbij
visueel-ruimtelijke aspecten belangrijk zijn.
Hemispatiaal neglect: halfzijdige verwaarlozing.
Anosognosie: niet bewust vd verwaarlozing/beperking.
Allesthesie: verkeerde pijnlokalisatie.
Anosodiaforie: onverschilligheid tov stoornis.
Amnesie: stoornis in het opslaan van nieuwe informatie.
Confabulatie: ontbrekende geheugeninhoud en gebeurtenissen worden
opgevuld met onlogisch geordende gedachten. Kan leiden tot verzonnen of
vervormde herinneringen.
Atrofie: afname spiervezels.
Myasthenia gravis: auto-immuunziekte waarbij de spieren zwakker
worden naarmate ze meer gebruikt worden.
Hemiplegie: halfzijdige verlamming
Hemiparese: krachtvermindering in een lichaamshelft.
Tics: kortdurende, onwillekeurige aanspanning vd spieren
, Dystonieën: onwillekeurige spiercontracties die leiden tot verstoorde,
vertraagde bewegingen met verhoogde tonus.
Myoklonieën: schokken vd spieren, meestal in bovenarm, schouder of
romp.
Tremor: ritmische, onwillekeurige spierbewegingen die leiden tot
trillingen.
Afasie: taalstoornis. Het beïnvloedt het vermogen om te spreken,
begrijpen, lezen of schrijven — terwijl intelligentie en spierfunctie vaak
intact zijn.
Mutisme: niet (kunnen of willen) spreken.
Apraxie: ernstige beperking vh doelgerichte, willekeurige en aangeleerde
handelen. Meestal na een cammando.
o Ideomotorische apraxie: pt weet wel wat hij moet doen, maar niet
hoe.
o Ideationele apraxie: stoornis in het plannen vd reeks bewegingen
of het concept vd handeling.
Apathie: een gebrek aan motivatie, emotie of interesse in dingen waar
iemand normaal wél op zou reageren.
Perseveratie: hardnekkige herhaling van ineffectief gedrag.
Anosognosie: Gebrek aan inzicht in eigen beperkingen.
Fysiologie vd intracraniële druk (BOEK):
Schedel wordt bekeken als gesloten doos met vaste elementen die bepaald
volume innemen. Als 1 van deze groter wordt -> noodzakelijk dat andere
kleiner wordt. Anders ontstaat verhoogde intracraniële druk. Indien ernstig
verhoogd -> leiden tot blijvende hersenschade, vaak levensbedreigend
door inklemming.
VPK: Goed inzicht in basisprincipes van intracraniële druk en kennis vd mogelijke
interventies bij intracraniële hypertensie -> daardoor tijdig reageren en extra
neurologische schade beperken.
Normale intracraniële druk:
Bepaald door fysieke kenmerken vd hersenen en schedel.
Volwassen: hard en rigide -> dus volume in normale fysiologische
omstandigheden steeds hetzelfde. Hersenen nemen 80% vd ruimte in en volume
bloed en cerebrospinaal vocht elk +/- 10%.
Lichaam houdt 3 componenten in balans door Monroe-Kellieprincipe: volume
en dus druk nemen toe in 1 vd componenten, dus zal volume van andere
component afnemen. Druk wordt dus bepaald door volume vd hersenen,
intracraniële bloed en hersenvocht.
Die druk schommelt tussen 0 en 10 mmHg.
, Bij volwassenen met gesloten schedelnaden zal elk extra volume of massa,
buiten de beperkte compensatiemechanismen, een verhoging geven vd
intracraniële druk.
Beperkte compensatiemechanismen:
Volumecompensatie:
o Veneuze cerebrale bloedvaten gecomprimeerd -> veneuze afvloei
onder meer druk -> met beperkte verschuiving naar arteriële zijde.
o Volume liquor ↓ door verhoogde resorptie, dichtdrukken vd basale
cisternen en verschuiving van liquor naar
wervelkanaalcompartiment.
Volumebuffering:
o Hersenen en cerebrale bloedvaten door hun elastische
eigenschappen (compliantie) kunnen deformeren.
Cerebrale autoregulatie:
o Fysiologisch hemostatisch mechanisme.
o Cerebrale bloedflow gegarandeerd bij volume- of drukverandering
vd arteriële bloeddruk of de intracraniële druk.
o Hersenweefsel is gevoelig aan voldoende aanvoer van bloed door
nood aan glucose en zuurstof.
o Hersenen verbuiken 20% vh totale zuurstofaanbod, slechts 2% vh
lichaamsgewicht.
o Normale cerebrale toevoer = 50-65ml/100g hersenweefsel per
minuut -> per minuut tussen 750-900ml bloed naar hersenen.
o Indien onderbreking (10sec) -> kan leiden tot bewusteloosheid, na
3-8min irreversibele hersenschade in gevoeligste gebieden
(hippocampus, expliciet geheugen en cerebellum).
o Wanneer oorzaak te wijten is aan verhoogde intracraniële druk zal er
resorptie vh hersenvocht verhogen en wordt hersenvocht
verschoven naar wervelkanaalcompartiment (↓Vhernsenvocht).
o Compressie vd veneuze structuren waardoor bloedafvoer stijgt
(↓Vbloed)
o Effectief wanneer MAP binnen waarden van 60-140 mmHg blijft.
o Limieten bereikt -> druk bij elke toename vd extra massa
exponentieel toenemen.
= Langfitt-curve: geeft stijging vd
intracraniële druk aan ifv
volumetoename. Bij hoge intracraniële
druk werken compensatiemechanismen
niet meer en is tolerantie voor geringe
volumetoename zeer klein.