GB Dieren
hoofdstuk 7: Mollusca
Diagnose
Morfologie Coeloom gereduceerd tot pericard, bilateraal symmetrisch, vaak sec.
asymmetrisch, meestal met schelp
Fysiologie Radula voor afschrapen van voedselpartikels, volledig
spijsverteringskanaal, vertering intracellulair zenuwstelsel: parige ganglia
verbonden door zenuwen , ademhaling: kieuwen of long (in mantelholte)
bloedvatenstelsel meestal open, hart aanwezig , osmoregulatie en
excretie door metanephridia
Voortbeweging Gespierde voet, cilia en muscus belangrijk, veel vormen zijn sessiel
Voortplanting Meestal tweehuizig, soms eenhuizig, copulatie en externe bevruchting
Ontwikkeling Ontwikkeling (meestal) indirect: trochofora - en soms veligerlarve
Habitat Meestal marien, zoetwater en terrestrisch, enkelen parasitair, wereldwijde
verspreiding
Grootte 1mm - > 20m
Diversiteit 130.000 beschreven recente soorten
, Algemeenheden
In de spijsverteringsklier zal de effectieve vertering gebeuren zowel intra - als extracellulair.
Probleem met de situering van de nephridioporus in de mantelholte, het zijn kieuwen die je
eigenlijk proper wil houden en nu komen daar veel afvalstoffen langs.
Schelp
O ntstaat op de rug van het embryo of de larve
Breidt zich uit over heel de rug
Bestaat uit 3 lagen
o Periostracum : uitwendige eiwitachtige laag
afgescheiden door de buitenste mantelplooi
o O stracum: middelste kalklaag, bestaande uit
kristallen die loodrecht op de lichaamsas
georiënteerd zijn afgescheiden door cellen aan de buitenste mantelrand
o H ypostracum: binnenste parelmoerlaag: bestaande uit evenwijdig aan de
lichaamsas georiënteerde kalkkristallen, afgescheiden door de ganse
oppervlakte van de mantel
Periodieke groei (groeilijnen!)
Vaak gespiraliseerd
Voet
Ventrale uitgroei van de romp, dicht achter de kop
Kan vingervormig zijn of hele buikzijde in beslag
nemen
Sterk omgevormd bij de Cephalopoda: randen
g roeien uit tot vangarmen rond de mond
G ebruikt om te kruipen, graven, zwemmen
Radula
In radulazakje (uitzakking van de mondbodem)
C hitineus plaatje met dwarse rijen tandjes
G esteund door een kraakbenige structuur
Talrijke protractor‐ en retractorspieren
Kan substraat afraspen of afbijten
N iet bij Bivalvia
Lumen die macrofaag, niet aan filtervoeding doen
hoofdstuk 7: Mollusca
Diagnose
Morfologie Coeloom gereduceerd tot pericard, bilateraal symmetrisch, vaak sec.
asymmetrisch, meestal met schelp
Fysiologie Radula voor afschrapen van voedselpartikels, volledig
spijsverteringskanaal, vertering intracellulair zenuwstelsel: parige ganglia
verbonden door zenuwen , ademhaling: kieuwen of long (in mantelholte)
bloedvatenstelsel meestal open, hart aanwezig , osmoregulatie en
excretie door metanephridia
Voortbeweging Gespierde voet, cilia en muscus belangrijk, veel vormen zijn sessiel
Voortplanting Meestal tweehuizig, soms eenhuizig, copulatie en externe bevruchting
Ontwikkeling Ontwikkeling (meestal) indirect: trochofora - en soms veligerlarve
Habitat Meestal marien, zoetwater en terrestrisch, enkelen parasitair, wereldwijde
verspreiding
Grootte 1mm - > 20m
Diversiteit 130.000 beschreven recente soorten
, Algemeenheden
In de spijsverteringsklier zal de effectieve vertering gebeuren zowel intra - als extracellulair.
Probleem met de situering van de nephridioporus in de mantelholte, het zijn kieuwen die je
eigenlijk proper wil houden en nu komen daar veel afvalstoffen langs.
Schelp
O ntstaat op de rug van het embryo of de larve
Breidt zich uit over heel de rug
Bestaat uit 3 lagen
o Periostracum : uitwendige eiwitachtige laag
afgescheiden door de buitenste mantelplooi
o O stracum: middelste kalklaag, bestaande uit
kristallen die loodrecht op de lichaamsas
georiënteerd zijn afgescheiden door cellen aan de buitenste mantelrand
o H ypostracum: binnenste parelmoerlaag: bestaande uit evenwijdig aan de
lichaamsas georiënteerde kalkkristallen, afgescheiden door de ganse
oppervlakte van de mantel
Periodieke groei (groeilijnen!)
Vaak gespiraliseerd
Voet
Ventrale uitgroei van de romp, dicht achter de kop
Kan vingervormig zijn of hele buikzijde in beslag
nemen
Sterk omgevormd bij de Cephalopoda: randen
g roeien uit tot vangarmen rond de mond
G ebruikt om te kruipen, graven, zwemmen
Radula
In radulazakje (uitzakking van de mondbodem)
C hitineus plaatje met dwarse rijen tandjes
G esteund door een kraakbenige structuur
Talrijke protractor‐ en retractorspieren
Kan substraat afraspen of afbijten
N iet bij Bivalvia
Lumen die macrofaag, niet aan filtervoeding doen