MICROBIOLOGIE
2. RESPIRATOIRE INFECTIES – TOTAALOVERZICHT
I. VIRALE RESPIRATOIRE INFECTIES > 200 SUBTYPES
EPIDEMIOLOGIE • Belangrijke principes:
o De meeste virussen zijn prevalenter in de winter.
ZEER HOGE PREVALENTIE SEIZOENSGEBONDEN o Klinisch beeld is niet specifiek:
§ Verkoudheid kan door verschillende virussen veroorzaakt worden.
• 60–100 episodes per 100 personen per jaar • Vooral in wintermaanden
§ Pneumonie kan eveneens verschillende virale oorzaken hebben.
• Zeer frequent voorkomende aandoening • Oorzaak is indoor crowding, niet koude zelf
o Klinische presentatie laat geen zekere etiologische diagnose toe.
• 44% zoekt medische hulp • Transmissie gebeurt vooral person-to-person
• Specifiekere associaties (maar niet absoluut):
o Belangrijke oorzaak van werk- en • Experimenten tonen aan dat extreme koude op
o RSV ↔ bronchiolitis
schoolverlet zich geen infecties veroorzaakt.
• Seizoensgebondenheid:
• Normaal # infecties:
o Meeste respiratoire virussen: winterpiek
o Volwassenen: 2–3 per jaar
o Uitzonderingen:
o Kleuters: 5–7 per jaar
§ Adenovirus
• Meer infecties betekent niet automatisch een
§ Seizoenscoronavirus
onderliggende aandoening
o Influenza piekt typisch in de winter.
o Verkoudheden kunnen het hele jaar voorkomen.
RISICOFACTOREN LAGE MORTALITEIT
TRANSMISSIE
• Rokers • Leeftijd (jonge kinderen en ouderen)
• Ouderen • Chronische onderliggende aandoeningen AËROGEEN
• Jonge kinderen (dubbele leeftijdscurve) • Immuundeficiëntie DROPLETS AEROSOLEN Voorbeeld:
• Chronische aandoeningen (bv. diabetes) • Ondervoeding • 100 µm • Kleine partikels <5 µm • COVID → aerosol
• Immuundeficiëntie • Ontstaan bij hoesten en niezen • Blijven uren in lucht • TB → aerosol
o Vaak secundair • Vallen binnen 1 m • Inhaleerbaar
§ corticosteroïden • Niet inhaleerbaar (blijven niet in • Bescherming: FFP2/FFP3
§ anti-inflammatoire therapie de lucht hangen)
§ chemotherapie • Preventie : afstand (2 arm-
lengtes
→ Verminderde immuniteit verhoogt vooral het risico op
luchtweginfecties.
CONTACT
• Via fysiek contact (bv. handdruk) Belangrijk:
• Via fomieten (gecontamineerde oppervlakken) • Direct fysiek contact (handdruk) is gevaarlijker dan
• Vooral niet-poreuze oppervlakken contact met een zakdoek.
, EPIDEMIOLOGIE PATHOFYSIOLOGIE
SURVEILLANCE EN SEIZOENSGEBONDENHEID VAN VIRALE RESPIRATOIRE INFECTIES
1. VIRALE BINDING EN PENETRATIE
1. MONITORING (SCIENSANO) • Een virus is geen levende cel en kan zich niet zelfstandig vermenigvuldigen.
• Deze surveillance toont: • Moet gastheercel binnendringen om te repliceren
o Een jaarlijkse stijging in de wintermaanden o @ binding aan specifieke receptoren op epitheelcellen van de luchtwegen.
o Klassiek een toename op het einde van het jaar
VOORBEELDEN:
→ Bevestigt het seizoensgebonden karakter van respiratoire infecties. • SARS-CoV-2 → ACE2-receptor
• Rhinovirus → ICAM-1-receptor
2. SUBTYPERING EN LEEFTIJDSVERDELING
INFLUENZA RSV COVID-19
• Duidelijke winterpiek • Piek vóór influenza- • Recente piek vooral bij oudere
• Meestal januari–februari seizoen personen Door binding kan het virus:
• Soms dubbele piek (voor en na • Vooral bij jonge kinderen • Mogelijk afnemende relevantie in • De cel binnendringen (internalisatie)
kerst) • Minder uitgesproken bij komende jaren
• Zijn genetisch materiaal tot expressie brengen
• Komt voor in alle leeftijden volwassenen
• De cellulaire machinerie gebruiken om nieuwe viruspartikels te maken
• We zitten typisch in deze periode
Resultaat:
op het piekmoment
• Vrijzetting van nieuwe virusdeeltjes (virale shedding 5 dagen tot 2–3 weken)
• Soms celdood (necrose)
3. SEIZOENSPATRONEN PER VIRUS
• Verloop replicatie:
o Lytisch ⇾ cel lyseert
o Lysogeen ⇾ virus integreert tijdelijk
Virus Typisch seizoen
Influenza Januari–februari
RSV Net vóór influenza (late herfst–vroege winter) 2. ACTIVATIE VAN HET AANGEBOREN IMMUUNSYSTEEM
Rhinovirus Hele jaar
Na infectie:
Adenovirus Hele jaar
• Activatie van pattern recognition receptors (PRR) zoals:
Seizoenscoronavirus Winter o Toll-like receptoren (TLR)
Parainfluenza Vooral herfst en lente
Dit leidt tot:
Belangrijk:
• Activatie van:
• Verkoudheidsvirussen (rhinovirus, adenovirus) circuleren het hele jaar o Neutrofielen (granulocyten)
• Influenza en RSV vertonen duidelijke winterpieken o Macrofagen
• Productie van cytokines
• Ontstekingsreactie
• Toegenomen vasculaire permeabiliteit
• IL-8 productie → influx van PMN
,3. INTERFERONRESPONS 1. SPECIFIEKE VIRALE INFECTIES
Geïnfecteerde epitheelcellen produceren:
1.1 ACUTE TRACHEOBRONCHITIS
• Interferonen (IFN)
Infectie van de lagere luchtwegen onder de stembanden (trachea en bronchi).
Effect:
EPIDEMIOLOGIE
• Remmen virale replicatie
• 22–100 gevallen per 1000 personen per jaar
• Hebben antivirale werking
• Zeer frequente reden voor consultatie bij de huisarts
• Worden soms therapeutisch gebruikt
• Seizoensgebonden (vooral winter)
ETIOLOGIE
4. ACTIVATIE VAN HET VERWORVEN IMMUUNSYSTEEM
MEESTAL VIRAAL (± 90%)
• Activatie van:
o Helper T-lymfocyten Oorzaken:
o B-lymfocyten • Rhinovirus
• Antistofproductie • Influenza
• Eliminatie van het virus • SARS-CoV-2
• Coronavirus
• Parainfluenzavirus
• RSV
• hMPV
MINDERHEID BACTERIEEL (± 6%)
• Mycoplasma Pneumoniae
• Chlamydia Pneumoniae
• Bordetella Spp.
Specifiek:
• Bordetella Pertussis → langdurige hoest
• Bordetella Bronchiseptica → zelden via huisdieren overdraagbaar
(!!) KLINISCH PRINCIPE ⇾ Overgrote meerderheid is viraal
Daarom:
• AB zijn bijna nooit geïndiceerd
• AB beïnvloeden het ziekteverloop niet bij virale etiologie
ð Correct onderscheid viraal vs bacterieel is dus cruciaal om overbehandeling te vermijden
, PATHOFYSIOLOGIE DIAGNOSE
• Mucosale ontsteking van trachea en bronchi ten gevolge van infectie. KLINISCHE DIAGNOSE
• Vaak voorafgegaan door een bovenste luchtweginfectie → (micro)aspiratie naar lagere luchtwegen. • Diagnose is primair klinisch
• Komt meestal voor bij personen zonder onderliggend longlijden • Geen routinematig aanvullend onderzoek nodig
→ Differentiaaldiagnose: acute COPD-exacerbatie.
TYPISCHE AUSCULTATIE
Risicofactoren: Bij endoscopie:
• Roken • Rood, geïnflammeerd slijmvlies • Diffuse brommende rhonchi
• Leeftijd > 75 jaar • Verhoogde mucusproductie • Continue bijgeluiden
• Zowel bij inspiratie als expiratie
• Snurkend/brommend karakter
SYMPTOMEN • Veroorzaakt door vibrerende secreties in de bronchi
• Soms grove crepitaties
Algemeen Hoest (hoofdklacht) (!!!) DIFFERENTIAALDIAGNOSE: Pneumonie
• Patiënt is niet uitgesproken ernstig ziek • Paroxysmale hoestbuien
• Pneumonie heeft een ander auscultatiebeeld
• Geen hoge koorts • Duur: 10–20 dagen (soms tot 3 weken)
• Indien enkel rhonchi en geen klinische tekens van pneumonie → diagnose tracheobronchitis
• Hoogstens matige temperatuurstijging • Vaak productief
• Soms algemene malaise • Expectoratie van: WANNEER EXTRA ONDERZOEK?
• Niet-purulente sputa Niet routinematig nodig: WEL overwegen bij:
• Geen bloedonderzoek • Hoge koorts
• Of purulente (geel/groen) sputa
• Geen sputumstaal • Ernstig ziek beeld
• Geen wisser • Frailty
(!!) gekleurd sputum betekent niet automatisch bacterieel.
• Geen RX-thorax • Twijfel over pneumonie
• Persisterende klachten (>14 dagen) → onderliggend longlijden uitsluiten
Andere symptomen Kenmerken die helpen onderscheiden van pneumonie (COPD, astma, bronchiëctasie)
• Substernaal druk- of pijngevoel • Geen hoge koorts
• Ademhalings- of hoestgebonden pijn • Niet ernstig ziek
• Milde dyspnee • Meestal mild klinisch verloop
• Soms wheezing • Zelflimiterend VERLOOP
• Soms lichte koorts
• Zelflimiterend
• Symptomen verdwijnen meestal binnen 1–3 weken
• Hoest kan 10–20 dagen aanhouden
Mogelijke complicaties:
• Bacteriële superinfectie
• Pneumonie
• Exacerbatie astma/COPD
2. RESPIRATOIRE INFECTIES – TOTAALOVERZICHT
I. VIRALE RESPIRATOIRE INFECTIES > 200 SUBTYPES
EPIDEMIOLOGIE • Belangrijke principes:
o De meeste virussen zijn prevalenter in de winter.
ZEER HOGE PREVALENTIE SEIZOENSGEBONDEN o Klinisch beeld is niet specifiek:
§ Verkoudheid kan door verschillende virussen veroorzaakt worden.
• 60–100 episodes per 100 personen per jaar • Vooral in wintermaanden
§ Pneumonie kan eveneens verschillende virale oorzaken hebben.
• Zeer frequent voorkomende aandoening • Oorzaak is indoor crowding, niet koude zelf
o Klinische presentatie laat geen zekere etiologische diagnose toe.
• 44% zoekt medische hulp • Transmissie gebeurt vooral person-to-person
• Specifiekere associaties (maar niet absoluut):
o Belangrijke oorzaak van werk- en • Experimenten tonen aan dat extreme koude op
o RSV ↔ bronchiolitis
schoolverlet zich geen infecties veroorzaakt.
• Seizoensgebondenheid:
• Normaal # infecties:
o Meeste respiratoire virussen: winterpiek
o Volwassenen: 2–3 per jaar
o Uitzonderingen:
o Kleuters: 5–7 per jaar
§ Adenovirus
• Meer infecties betekent niet automatisch een
§ Seizoenscoronavirus
onderliggende aandoening
o Influenza piekt typisch in de winter.
o Verkoudheden kunnen het hele jaar voorkomen.
RISICOFACTOREN LAGE MORTALITEIT
TRANSMISSIE
• Rokers • Leeftijd (jonge kinderen en ouderen)
• Ouderen • Chronische onderliggende aandoeningen AËROGEEN
• Jonge kinderen (dubbele leeftijdscurve) • Immuundeficiëntie DROPLETS AEROSOLEN Voorbeeld:
• Chronische aandoeningen (bv. diabetes) • Ondervoeding • 100 µm • Kleine partikels <5 µm • COVID → aerosol
• Immuundeficiëntie • Ontstaan bij hoesten en niezen • Blijven uren in lucht • TB → aerosol
o Vaak secundair • Vallen binnen 1 m • Inhaleerbaar
§ corticosteroïden • Niet inhaleerbaar (blijven niet in • Bescherming: FFP2/FFP3
§ anti-inflammatoire therapie de lucht hangen)
§ chemotherapie • Preventie : afstand (2 arm-
lengtes
→ Verminderde immuniteit verhoogt vooral het risico op
luchtweginfecties.
CONTACT
• Via fysiek contact (bv. handdruk) Belangrijk:
• Via fomieten (gecontamineerde oppervlakken) • Direct fysiek contact (handdruk) is gevaarlijker dan
• Vooral niet-poreuze oppervlakken contact met een zakdoek.
, EPIDEMIOLOGIE PATHOFYSIOLOGIE
SURVEILLANCE EN SEIZOENSGEBONDENHEID VAN VIRALE RESPIRATOIRE INFECTIES
1. VIRALE BINDING EN PENETRATIE
1. MONITORING (SCIENSANO) • Een virus is geen levende cel en kan zich niet zelfstandig vermenigvuldigen.
• Deze surveillance toont: • Moet gastheercel binnendringen om te repliceren
o Een jaarlijkse stijging in de wintermaanden o @ binding aan specifieke receptoren op epitheelcellen van de luchtwegen.
o Klassiek een toename op het einde van het jaar
VOORBEELDEN:
→ Bevestigt het seizoensgebonden karakter van respiratoire infecties. • SARS-CoV-2 → ACE2-receptor
• Rhinovirus → ICAM-1-receptor
2. SUBTYPERING EN LEEFTIJDSVERDELING
INFLUENZA RSV COVID-19
• Duidelijke winterpiek • Piek vóór influenza- • Recente piek vooral bij oudere
• Meestal januari–februari seizoen personen Door binding kan het virus:
• Soms dubbele piek (voor en na • Vooral bij jonge kinderen • Mogelijk afnemende relevantie in • De cel binnendringen (internalisatie)
kerst) • Minder uitgesproken bij komende jaren
• Zijn genetisch materiaal tot expressie brengen
• Komt voor in alle leeftijden volwassenen
• De cellulaire machinerie gebruiken om nieuwe viruspartikels te maken
• We zitten typisch in deze periode
Resultaat:
op het piekmoment
• Vrijzetting van nieuwe virusdeeltjes (virale shedding 5 dagen tot 2–3 weken)
• Soms celdood (necrose)
3. SEIZOENSPATRONEN PER VIRUS
• Verloop replicatie:
o Lytisch ⇾ cel lyseert
o Lysogeen ⇾ virus integreert tijdelijk
Virus Typisch seizoen
Influenza Januari–februari
RSV Net vóór influenza (late herfst–vroege winter) 2. ACTIVATIE VAN HET AANGEBOREN IMMUUNSYSTEEM
Rhinovirus Hele jaar
Na infectie:
Adenovirus Hele jaar
• Activatie van pattern recognition receptors (PRR) zoals:
Seizoenscoronavirus Winter o Toll-like receptoren (TLR)
Parainfluenza Vooral herfst en lente
Dit leidt tot:
Belangrijk:
• Activatie van:
• Verkoudheidsvirussen (rhinovirus, adenovirus) circuleren het hele jaar o Neutrofielen (granulocyten)
• Influenza en RSV vertonen duidelijke winterpieken o Macrofagen
• Productie van cytokines
• Ontstekingsreactie
• Toegenomen vasculaire permeabiliteit
• IL-8 productie → influx van PMN
,3. INTERFERONRESPONS 1. SPECIFIEKE VIRALE INFECTIES
Geïnfecteerde epitheelcellen produceren:
1.1 ACUTE TRACHEOBRONCHITIS
• Interferonen (IFN)
Infectie van de lagere luchtwegen onder de stembanden (trachea en bronchi).
Effect:
EPIDEMIOLOGIE
• Remmen virale replicatie
• 22–100 gevallen per 1000 personen per jaar
• Hebben antivirale werking
• Zeer frequente reden voor consultatie bij de huisarts
• Worden soms therapeutisch gebruikt
• Seizoensgebonden (vooral winter)
ETIOLOGIE
4. ACTIVATIE VAN HET VERWORVEN IMMUUNSYSTEEM
MEESTAL VIRAAL (± 90%)
• Activatie van:
o Helper T-lymfocyten Oorzaken:
o B-lymfocyten • Rhinovirus
• Antistofproductie • Influenza
• Eliminatie van het virus • SARS-CoV-2
• Coronavirus
• Parainfluenzavirus
• RSV
• hMPV
MINDERHEID BACTERIEEL (± 6%)
• Mycoplasma Pneumoniae
• Chlamydia Pneumoniae
• Bordetella Spp.
Specifiek:
• Bordetella Pertussis → langdurige hoest
• Bordetella Bronchiseptica → zelden via huisdieren overdraagbaar
(!!) KLINISCH PRINCIPE ⇾ Overgrote meerderheid is viraal
Daarom:
• AB zijn bijna nooit geïndiceerd
• AB beïnvloeden het ziekteverloop niet bij virale etiologie
ð Correct onderscheid viraal vs bacterieel is dus cruciaal om overbehandeling te vermijden
, PATHOFYSIOLOGIE DIAGNOSE
• Mucosale ontsteking van trachea en bronchi ten gevolge van infectie. KLINISCHE DIAGNOSE
• Vaak voorafgegaan door een bovenste luchtweginfectie → (micro)aspiratie naar lagere luchtwegen. • Diagnose is primair klinisch
• Komt meestal voor bij personen zonder onderliggend longlijden • Geen routinematig aanvullend onderzoek nodig
→ Differentiaaldiagnose: acute COPD-exacerbatie.
TYPISCHE AUSCULTATIE
Risicofactoren: Bij endoscopie:
• Roken • Rood, geïnflammeerd slijmvlies • Diffuse brommende rhonchi
• Leeftijd > 75 jaar • Verhoogde mucusproductie • Continue bijgeluiden
• Zowel bij inspiratie als expiratie
• Snurkend/brommend karakter
SYMPTOMEN • Veroorzaakt door vibrerende secreties in de bronchi
• Soms grove crepitaties
Algemeen Hoest (hoofdklacht) (!!!) DIFFERENTIAALDIAGNOSE: Pneumonie
• Patiënt is niet uitgesproken ernstig ziek • Paroxysmale hoestbuien
• Pneumonie heeft een ander auscultatiebeeld
• Geen hoge koorts • Duur: 10–20 dagen (soms tot 3 weken)
• Indien enkel rhonchi en geen klinische tekens van pneumonie → diagnose tracheobronchitis
• Hoogstens matige temperatuurstijging • Vaak productief
• Soms algemene malaise • Expectoratie van: WANNEER EXTRA ONDERZOEK?
• Niet-purulente sputa Niet routinematig nodig: WEL overwegen bij:
• Geen bloedonderzoek • Hoge koorts
• Of purulente (geel/groen) sputa
• Geen sputumstaal • Ernstig ziek beeld
• Geen wisser • Frailty
(!!) gekleurd sputum betekent niet automatisch bacterieel.
• Geen RX-thorax • Twijfel over pneumonie
• Persisterende klachten (>14 dagen) → onderliggend longlijden uitsluiten
Andere symptomen Kenmerken die helpen onderscheiden van pneumonie (COPD, astma, bronchiëctasie)
• Substernaal druk- of pijngevoel • Geen hoge koorts
• Ademhalings- of hoestgebonden pijn • Niet ernstig ziek
• Milde dyspnee • Meestal mild klinisch verloop
• Soms wheezing • Zelflimiterend VERLOOP
• Soms lichte koorts
• Zelflimiterend
• Symptomen verdwijnen meestal binnen 1–3 weken
• Hoest kan 10–20 dagen aanhouden
Mogelijke complicaties:
• Bacteriële superinfectie
• Pneumonie
• Exacerbatie astma/COPD