TOS LES 4
DOELSTELLINGEN
DE STUDENT WEET NA DIT HOOFDSTUK:
- WAT NIET-SPECIFIEKE TAALSTOORNISSEN ZIJN
- KAN SPECIFIEKE VAN NIET-SPECIFIEK TAALSTOORNISSEN ONDERSCHEIDEN
- KENT DE BELANGRIJKSTE KENMERKEN VAN DE SPRAAK- EN TAALONTWIKKELING BIJ:
O KINDEREN MET GEHOORSTOORNISSEN
O KINDEREN MET VERSTANDELIJKE BEPERKING
O KINDEREN MET VISUELE BEPERKING
O KINDEREN MET NEURO-PSYCHIATRISCHE STOORNISSEN
1.3 NIET SPECIFIEKE TOS
Factoren die de talige ontwikkeling bepalen (Manders e.a., 2012)
• Leeftijd waarop de gehoorstoornis wordt vastgesteld — vroege detectie beschermt
taalontwikkeling.
• Ernst van het gehoorverlies — hoe groter het verlies, hoe groter de impact op taal.
• Oorzaak van het gehoorverlies — genetisch, syndromaal, pre-/perinataal, verworven.
• Gebruik van gehoorversterkende maatregelen — hoortoestellen, cochleaire implantatie,
consistent gebruik.
• Aanwezigheid van bijkomende medische aandoeningen — comorbiditeit beïnvloedt
taalverwerving.
• Communicatieaanbod — kwaliteit, kwantiteit en toegankelijkheid van input.
1
,Typen gehoorverlies en hun impact op taal
Slechthorendheid (definitie)
• Gemiddeld verlies > 20 dB op frequenties 500–2000 Hz.
• Ernstig bilateraal aangeboren verlies → veel grotere impact dan unilateraal verlies.
Geleidingsverlies (≈ 4/5 van de gevallen)
• Vaak tijdelijk en medisch behandelbaar.
• Oorzaak: ophoping van vocht of taaie/lijmachtige substantie → demping van geluid.
• Gevolg: verminderde werking van de gehoorbeentjesketen → geleidingsverlies.
• Impact op taal: vooral kwantitatieve beperking van input (minder luid/duidelijk).
Perceptief gehoorverlies (≈ 1/5 van de gevallen)
• Meestal pre- of perinataal ontstaan.
• Vaak onderdeel van een genetisch syndroom.
• Gevolgen:
o Demping van geluid én vervormde geluidssensaties.
o Grote variatie in aard en ernst.
• Impact op taal: zowel kwantitatieve als kwalitatieve verstoring van auditieve input →
verhoogd risico op TOS-achtige taalprofielen.
2
, Waarom auditieve beperkingen tot TOS-achtige kenmerken kunnen leiden
• Beperkte toegang tot fonologische informatie → vertraagde fonologische ontwikkeling.
• Moeilijkheden met woordenschatopbouw door minder stabiele auditieve representaties.
• Morfosyntactische ontwikkeling vertraagt door minder blootstelling aan grammaticale
markeringen.
• Pragmatische ontwikkeling kan beïnvloed worden door beperkte toegang tot sociale
auditieve cues.
• Grote variabiliteit: afhankelijk van ernst, tijdstip van interventie en communicatieomgeving.
TAALKENMERKEN BIJ MATIG TOT ERNSTIG SLECHTHORENDE KINDEREN
Taalkenmerken bij matig tot ernstig slechthorende kinderen (41–70 dB)
Factoren die taalontwikkeling beïnvloeden (Manders e.a., 2012)
• Leeftijd waarop gehoorverlies wordt vastgesteld
• Ernst van het verlies
• Oorzaak (geleidingsverlies vs. perceptief; genetisch syndroom)
• Gebruik van gehoorversterkende maatregelen
• Aanwezigheid van bijkomende medische aandoeningen
• Communicatieaanbod (kwaliteit, kwantiteit, toegankelijkheid)
Kenmerken van het gehoorverlies
• Matig tot ernstig gehoorverlies = 41–70 dB.
3
DOELSTELLINGEN
DE STUDENT WEET NA DIT HOOFDSTUK:
- WAT NIET-SPECIFIEKE TAALSTOORNISSEN ZIJN
- KAN SPECIFIEKE VAN NIET-SPECIFIEK TAALSTOORNISSEN ONDERSCHEIDEN
- KENT DE BELANGRIJKSTE KENMERKEN VAN DE SPRAAK- EN TAALONTWIKKELING BIJ:
O KINDEREN MET GEHOORSTOORNISSEN
O KINDEREN MET VERSTANDELIJKE BEPERKING
O KINDEREN MET VISUELE BEPERKING
O KINDEREN MET NEURO-PSYCHIATRISCHE STOORNISSEN
1.3 NIET SPECIFIEKE TOS
Factoren die de talige ontwikkeling bepalen (Manders e.a., 2012)
• Leeftijd waarop de gehoorstoornis wordt vastgesteld — vroege detectie beschermt
taalontwikkeling.
• Ernst van het gehoorverlies — hoe groter het verlies, hoe groter de impact op taal.
• Oorzaak van het gehoorverlies — genetisch, syndromaal, pre-/perinataal, verworven.
• Gebruik van gehoorversterkende maatregelen — hoortoestellen, cochleaire implantatie,
consistent gebruik.
• Aanwezigheid van bijkomende medische aandoeningen — comorbiditeit beïnvloedt
taalverwerving.
• Communicatieaanbod — kwaliteit, kwantiteit en toegankelijkheid van input.
1
,Typen gehoorverlies en hun impact op taal
Slechthorendheid (definitie)
• Gemiddeld verlies > 20 dB op frequenties 500–2000 Hz.
• Ernstig bilateraal aangeboren verlies → veel grotere impact dan unilateraal verlies.
Geleidingsverlies (≈ 4/5 van de gevallen)
• Vaak tijdelijk en medisch behandelbaar.
• Oorzaak: ophoping van vocht of taaie/lijmachtige substantie → demping van geluid.
• Gevolg: verminderde werking van de gehoorbeentjesketen → geleidingsverlies.
• Impact op taal: vooral kwantitatieve beperking van input (minder luid/duidelijk).
Perceptief gehoorverlies (≈ 1/5 van de gevallen)
• Meestal pre- of perinataal ontstaan.
• Vaak onderdeel van een genetisch syndroom.
• Gevolgen:
o Demping van geluid én vervormde geluidssensaties.
o Grote variatie in aard en ernst.
• Impact op taal: zowel kwantitatieve als kwalitatieve verstoring van auditieve input →
verhoogd risico op TOS-achtige taalprofielen.
2
, Waarom auditieve beperkingen tot TOS-achtige kenmerken kunnen leiden
• Beperkte toegang tot fonologische informatie → vertraagde fonologische ontwikkeling.
• Moeilijkheden met woordenschatopbouw door minder stabiele auditieve representaties.
• Morfosyntactische ontwikkeling vertraagt door minder blootstelling aan grammaticale
markeringen.
• Pragmatische ontwikkeling kan beïnvloed worden door beperkte toegang tot sociale
auditieve cues.
• Grote variabiliteit: afhankelijk van ernst, tijdstip van interventie en communicatieomgeving.
TAALKENMERKEN BIJ MATIG TOT ERNSTIG SLECHTHORENDE KINDEREN
Taalkenmerken bij matig tot ernstig slechthorende kinderen (41–70 dB)
Factoren die taalontwikkeling beïnvloeden (Manders e.a., 2012)
• Leeftijd waarop gehoorverlies wordt vastgesteld
• Ernst van het verlies
• Oorzaak (geleidingsverlies vs. perceptief; genetisch syndroom)
• Gebruik van gehoorversterkende maatregelen
• Aanwezigheid van bijkomende medische aandoeningen
• Communicatieaanbod (kwaliteit, kwantiteit, toegankelijkheid)
Kenmerken van het gehoorverlies
• Matig tot ernstig gehoorverlies = 41–70 dB.
3