Hoofdstuk 1. Wat is rechtssociologie?
1.1 Inleiding
Rechtssociologie bestudeert de relatie tussen recht en samenleving.
Het gaat niet alleen over wat het recht zegt, maar vooral over hoe het
recht ontstaat, werkt en wordt ervaren in de praktijk.
De kernvragen zijn:
Hoe werkt het recht in de samenleving?
Hoe is het recht ontstaan?
Welke rol speelt het recht in maatschappelijke processen?
1.1.2 Methode in de rechtssociologie
2.1 De doctrinaire (juridische) methode – law in the books
Dit is de klassieke methode van de rechtswetenschappen.
Men bekijkt het recht hier vanuit een intern perspectief.
o De onderzoeker staat hier zelf binnen het recht.
Kenmerken:
Feiten worden onder een rechtsregel gebracht (subsumptie).
De onderzoeker zoekt:
o de toepasselijke regel (heuristiek),
o interpreteert open of vage normen (bv. “het belang van het
kind”),
interpretaite wordt gevuld met juridische technieken.
o controleert de geldigheid van normen,
o weegt grondrechten tegen elkaar af.
Alles gebeurt binnen het recht zelf.
,Doel:
Coherentie van het recht bewaren.
Antwoord geven op vragen zoals:
o Hoe luidt het recht?
o Wat is het toepasselijke recht?
o Hoe zou het recht moeten zijn?
Dit is een normatieve methode: het recht zegt hoe het zou moeten zijn
(ought).
2.2 De empirische methode – law in action
Dit is de kern van de rechtssociologie.
Zij bekijken het recht vanuit een extern perspectief.
o De onderzoeker staat dus zelf buiten het recht.
Kenmerken:
Systematische, wetenschappelijke dataverzameling in de praktijk
(het veld).
Het gaat niet om anekdotes of persoonlijke indrukken.
De focus ligt op hoe het recht effectief werkt in de
samenleving.
Onderzoeksstrategieën:
Kwantitatief onderzoek
o Werkt met cijfers en meetbare variabelen.
o Doel: trends en patronen ontdekken.
o Voorbeelden: enquêtes, statistieken, experimenten.
Kwalitatief onderzoek
o Werkt met ervaringen, betekenissen en percepties.
o Doel: begrijpen waarom mensen handelen zoals ze doen.
o Voorbeelden: interviews, observaties, focusgroepen.
Begrijpen betekent hier niet goedkeuren, maar verklaren.
1.1.3 Criteria voor empirisch onderzoek
,We moeten ook kijken naar bepaalde criteria als we deze onderzoeken
voeren:
3.1 Kwantitatief onderzoek
Betrouwbaarheid
o Krijg je dezelfde resultaten als je het onderzoek herhaalt?
Cijfers moeten consistent zijn
Interne validiteit
o Volgen de conclusies logisch uit de onderzoeksopzet?
Klopt de conclusie met het de onderzoekopzet? Zit er
waarheid in?
Externe validiteit
o Zijn de resultaten representatief voor een grotere groep?
Resultaten moeten toepasbaar zijn voor de hele groep
Objectiviteit
o Persoonlijke meningen van de onderzoeker mogen geen
invloed hebben.
Gaat over neutraliteit
3.2 Kwalitatief onderzoek
Afhankelijkheid
o Is het onderzoek logisch en zorgvuldig opgebouwd?
Gaat over consistentie
Geloofwaardigheid
o Zijn de resultaten plausibel en consistent?
Er moet waarheid in je resultaten zitten
Het kan bijvoorbeeld niet zijn dat er alleen maar
negatieve ervaringen over iets zijn en geen enkele
positieve.
Overdraagbaarheid
o Kunnen inzichten voorzichtig toegepast worden op andere
contexten?
Gaat over toepasbaarheid
Vaak moeilijker bij kwalitatieve data
Overtuigingskracht
o Hoe beïnvloeden de onderzoeker en zijn vragen de resultaten?
Op welke manier en hoe neutraal stelt de onderzoeken
zijn vragen en gesprek op?
Bij kwantitatief heeft de onderzoeker zelf geen invloed
Hier speelt de positionaliteit van de onderzoeker een belangrijke rol.
, Bij de empirishce methode gaat men de wetenschappelijke data niet
enkel verzamelen, maar ook analyseren. Men kijkt naar het recht IN
de samenleving.
1.1.4 Voorbeelden: verschil tussen doctrinair en
rechtssociologisch onderzoek
Voorbeeld 1: Genitale verminking
Doctrinaire methode
o Welke verdragen en wetten zijn van toepassing?
o Bestaat er een mensenrechtelijk kader?
Conclusie: juridisch probleem opgelost.
Rechtssociologie
o Wordt de wet nageleefd?
o Waarom wel of niet?
o Is er maatschappelijke steun?
Hiervoor is empirisch onderzoek nodig.
Voorbeeld 2: Vrijwillige zwangerschapsafbreking
Doctrinair
o Vergelijking België – Nederland.
o Analyse van wetgeving en rechtspraak.
Conlusie: er is een verschillend juridisch kader
Rechtssociologisch
o Wat zijn de effecten van de verschillende regelgeving?
o Zijn er drempels?
o Hoe ervaren vrouwen dit in de praktijk?
1.1.5 Perspectief: intern vs extern
5.1 Intern perspectief - klassieke rechtswetenschap
De onderzoeker staat binnen het recht. (meestal perspectief van
de rechter)
Focus op:
o interne logica
o rechtszekerheid,
o rechtseenheid (geen tegenstrijdigheid)
o coherentie.
Is = ought: wat het recht is, is hoe het zou moeten zijn.