Specifieke onderwijsbehoeften
1. Leerpad Autismespectrumstoornis
Intro: Lees ASS volgens DSM-5
1. Wat is autisme?
Autisme is een neurologische ontwikkelingsstoornis die invloed heeft op meerdere
levensgebieden en in alle levensfasen.
DSM staat voor Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders en is een
classificatiesysteem waarin internationale afspraken zijn gemaakt over welke criteria van
toepassing zijn op een bepaalde psychische stoornis op basis van (nieuwe)
wetenschappelijke inzichten.
Autisme of het autismespectrumstoornis volgens DSM-5: we stellen autisme vast,
wanneer er voldaan wordt aan de criteria A, B, C en D
A Aanhoudende tekorten in sociale communicatie en sociale interactie, zich
manifesterend in alle volgende:
1. tekorten in de sociaal-emotionele wederkerigheid;
● Geen vlotte heen en weer lopende sociale interacties
● Interesses en gevoelen minder delen met anderen
● Niet in staat tot sociale interacties
● Een ongewone manier om sociale contacten te hebben
● Sociale interacties niet of moeilijk kunnen opstarten
2. tekorten in non-verbale communicatie gebruikt voor sociale interactie;
● Onvoldoende afgestemd oogcontact
● Te weinig of net te veel oogcontact
● Afwijkende lichaamstaal
● Minder gebruik van non-verbale communicatie, gebaren en
gezichtsuitdrukkingen tot totale afwezigheid ervan
● Non- verbale communicatie, gebaren en gezichtsuitdrukkingen van andere
niet voldoende herkennen en interpreteren
● Slecht geïntegreerde verbale en non-verbale communicatie
3. tekorten in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties.
● Moeilijk vrienden maken
● Moeite om vriendschappen te behouden
● Moeite om zich aan te passen aan verschillende sociale omstandigheden
● Moeite hebben om deel te nemen aan een fantasiespel
● Geen belangstelling voor leeftijdsgenoten
B Beperkte, repetitieve patronen van gedrag, interesses of activiteiten, zich
manifesterend in ten minste twee van de volgende:
1. Stereotiepe of repetitieve motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of
spraak;
● Speelgoed telkens in een bepaalde volgorde zetten ipv ermee te spelen
● Voorwerpen herhaaldelijk aanraken, erop tikken, ronddraaien
1
, ● Onmiddellijke of uitgestelde echolalie: nazeggen van woorden, zinnen of
die van anderen
● Idiosyncratisch taalgebruik: individuele woordkeuze of woordvolgorde
gebruiken die ongewoon zijn
2. Aandringen op gelijkheid, inflexibel vasthouden aan routines of geritualiseerde
patronen van verbaal of non-verbaal gedrag;
● Extreem overstuur bij kleine veranderingen
● Moeite met overgangen van de ene activiteit naar de andere
● Rigide denkpatronen
● Iemand begroeten op rituele wijze
● Steeds dezelfde route willen volgen
● Elke dag hetzelfde willen eten
3. Zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal zijn in intensiteit of focus;
● Extreme interesse voor bepaalde onderwerpen en thema’s
● Dermate grote fascinatie voor onderwerpen zodat men er te pas en te
onpas over blijft praten
● Preoccupatie voor ongebruikelijke voorwerpen
4. Hyper- of hypo-reactiviteit op sensorische input of ongewone interesse in
zintuiglijke aspecten in de omgeving.
● Overgevoelig reageren voor bepaalde geluiden of texturen
● Fascinatie voor lichten of bewegingen
● Schijnbare onverschilligheid voor pijn en temperatuur
C De symptomen moeten aanwezig zijn in de vroege kindertijd (maar kunnen soms pas
merkbaar worden wanneer sociale eisen de beperkte capaciteit overstijgen of
gemaskeerd worden door aangeleerde strategieën in het latere leven)
D De symptomen leiden tot klinisch significante beperkingen in het sociaal,
beroepsmatig functioneren of andere belangrijke terreinen van het huidig functioneren.
E De stoornissen worden niet beter verklaard door verstandelijke beperking of algemene
ontwikkelingsvertraging. verstandelijke beperking en ASS komen frequent samen voor.
Om comorbide diagnoses van ASS en verstandelijke handicap te stellen, moet de sociale
communicatie lager zijn dan te verwachten voor het algemeen ontwikkelingsniveau.w
Anders denken
0. Inleiding
Er zijn verschillende cognitieve theorieën en hypothesen die het gedrag van mensen met
ASS proberen te verklaren.
4 theorieën / hypothesen:
● Theorie of mind
● Centrale coherentie
● Executieve functies
● Voorspellend brein
Ze geven ons een beter inzicht in de denkprocessen en het gedrag van mensen met
autisme. Er blijven echter nog veel onduidelijkheden en verder onderzoek is nodig. Op dit
2
,ogenblik is er geen enkele theorie of hypothese die erin slaagt om alle hoofdkenmerken
van autisme te verklaren, maar ze zorgen telkens voor meer inzicht en begrip in de
andere manier van denken en waarnemen.
● Ijsbergtheorie
○ Gedrag topje van ijsberg boven water
○ Waarom van het gedrag= oorzaken onderwater
1. Theorie of mind
● Is de vaardigheid om gedachten, intenties, gevoelens en ideeën toe te schrijven
aan anderen en er rekening mee te houden
● Vertraagde of verstoorde ontwikkeling van ToM
○ Moeilijk inleven in de andere
○ VB. Pop afpakken van zus, niet doorhebben dat zus hier ook mee wou
spelen, zus begint te wenen en niet begrijpen waarom ze weent
■ Egoïstisch niet juist → egocentrisme willen rekeningen houden maar
kunnen dit niet of weten niet hoe
● Sally & Anne test
○
● Tips:
○ Leg uit waarom mensen zich zo gedragen
○ Social stories (inzichten in sociale signalen en aanleren welke reacties wel
of niet gepast zijn
○ Speelgoed delen is moeilijk → afspraken maken wie wanneer of 2
explameren
○ Bij voorlezen: aandacht voor gedachten en gevoelens van het boekje
● Beperkt inlevingsvermogen in anderen maar ook beperkt zicht op eigen
binnenkant
○ Eigen gevoelens moeilijker herkennen of benoemen
○ Moeite met keuzes maken
○ Minder zicht op wie zie zijn, wat ze leuk en minder leuk vinden of waar ze
goed en minder goed in zijn
2. Centrale coherentie
Ons brein zoekt samenhang tussen kleine informatie die binnenkomt via zintuigen, obv
samenhang geven we betekenis waar personen zonder autisme eerst het geheel en dan
details. Personen met autisme eerst details en dan samen puzzelen tot groter geheel
● Onvoldoende samenhang tussen losse elementen = gefragmenteerde
waarneming
● Afhankelijk van details komen ze tot een juiste of foute interpretatie van de
werkelijkheid
● Ervaren wereld als chaos
3
, ● Houden zich vast aan routines en gewoontes en houden niet van veranderingen
○ VB. klas niet meer herkennen wanneer sinterklaasversiering ophangt
● Tips
○ Vereenvoudig verbale boodschappen, enkel essentiële info geen
overbodige details
○ Structureer en concentristeseer
■ ‘Straks gaan we even naar winkel’ gaan we veranderen in ‘we gaan
straks naar de slager en bakker’
○ Positief verwoorden: benoemen wat je wel wil zien, niet wat je niet wel zien
■ Niet lopen naar auto veranderen in wandel naar de auto
○ Geef de persoon tijd: tijd geven om nadenken geef je eerlijkere kans om
gepast te reageren
3. Executieve functies
● =denkprocessen die cruciaal zijn bij plannen van acties en doelgericht oplossen
van probleem
● Bij personen met autisme werken deze functies minder goed: moeilijkheden met
plannen, organiseren en structuren
● DAgdagelijkse activiteiten, zoals douchen of boodschappen doen vergeven veel
meer dan je denkt
● Niet duidelijk uit welke deeltaken een vaardigheid bestaat, maar ook in welke
volgorde ze deze moeten doorlopen
● VB. Maxim moet zich aankleden voor school van mam, maxim trekt jeansbroek
over zijn pyjama en vergat dus zen pyjama broek uit te doen
● Tips:
○ Stappenplan of schema met daarop gevisualiseerd waaruit een bepaalde
activiteit zoals bijvoorbeeld douchen of aankleden staat
○ Bied hulp bij het plannen van huiswerk of boodschappen doen: verwacht
niet dat dit van de eerste keer uit zichzelf kunnen
○ Beperk de afleiding uit de omgeving, wanneer een persoon een opdracht
dient uit te voeren
4. Het voorspellend brein
● De hypothese over het voorspellende brein is het resultaat van zeer recent
onderzoek over de werking van het brein en over de manier waarop we
waarnemen
Waarnemen: Hoe men dacht dat het was
Men dacht heel lang dat de informatieverwerking in onze hersenen te vergelijken is met
die van een computer:
- Via onze zintuigen komen gegevens binnen (=input)
- Via de zenuwen worden deze gegevens vervolgens naar de hersenen gestuurd
- De hersenen interpreteren in de volgende stap die gegevens (=verwerking)
- Sturen eventueel commando’s in de vorm van reacties naar de spieren (=output).
Theorie van het voorspellende brein
Ondertussen is er binnen de neurowetenschap een heel andere kijk op de werking van
ons brein. Men gaat binnen deze nieuwe hypothese ervan uit dat ons brein een
voorspellingsmachine is: hierbij wacht ons brein niet passief af welke informatie onze
zintuigen ons geven over de situatie/ realiteit, maar gaat het zelf al aan de slag om de
4
1. Leerpad Autismespectrumstoornis
Intro: Lees ASS volgens DSM-5
1. Wat is autisme?
Autisme is een neurologische ontwikkelingsstoornis die invloed heeft op meerdere
levensgebieden en in alle levensfasen.
DSM staat voor Diagnostic and Statistical Manual of Mental Disorders en is een
classificatiesysteem waarin internationale afspraken zijn gemaakt over welke criteria van
toepassing zijn op een bepaalde psychische stoornis op basis van (nieuwe)
wetenschappelijke inzichten.
Autisme of het autismespectrumstoornis volgens DSM-5: we stellen autisme vast,
wanneer er voldaan wordt aan de criteria A, B, C en D
A Aanhoudende tekorten in sociale communicatie en sociale interactie, zich
manifesterend in alle volgende:
1. tekorten in de sociaal-emotionele wederkerigheid;
● Geen vlotte heen en weer lopende sociale interacties
● Interesses en gevoelen minder delen met anderen
● Niet in staat tot sociale interacties
● Een ongewone manier om sociale contacten te hebben
● Sociale interacties niet of moeilijk kunnen opstarten
2. tekorten in non-verbale communicatie gebruikt voor sociale interactie;
● Onvoldoende afgestemd oogcontact
● Te weinig of net te veel oogcontact
● Afwijkende lichaamstaal
● Minder gebruik van non-verbale communicatie, gebaren en
gezichtsuitdrukkingen tot totale afwezigheid ervan
● Non- verbale communicatie, gebaren en gezichtsuitdrukkingen van andere
niet voldoende herkennen en interpreteren
● Slecht geïntegreerde verbale en non-verbale communicatie
3. tekorten in het ontwikkelen, onderhouden en begrijpen van relaties.
● Moeilijk vrienden maken
● Moeite om vriendschappen te behouden
● Moeite om zich aan te passen aan verschillende sociale omstandigheden
● Moeite hebben om deel te nemen aan een fantasiespel
● Geen belangstelling voor leeftijdsgenoten
B Beperkte, repetitieve patronen van gedrag, interesses of activiteiten, zich
manifesterend in ten minste twee van de volgende:
1. Stereotiepe of repetitieve motorische bewegingen, gebruik van voorwerpen of
spraak;
● Speelgoed telkens in een bepaalde volgorde zetten ipv ermee te spelen
● Voorwerpen herhaaldelijk aanraken, erop tikken, ronddraaien
1
, ● Onmiddellijke of uitgestelde echolalie: nazeggen van woorden, zinnen of
die van anderen
● Idiosyncratisch taalgebruik: individuele woordkeuze of woordvolgorde
gebruiken die ongewoon zijn
2. Aandringen op gelijkheid, inflexibel vasthouden aan routines of geritualiseerde
patronen van verbaal of non-verbaal gedrag;
● Extreem overstuur bij kleine veranderingen
● Moeite met overgangen van de ene activiteit naar de andere
● Rigide denkpatronen
● Iemand begroeten op rituele wijze
● Steeds dezelfde route willen volgen
● Elke dag hetzelfde willen eten
3. Zeer beperkte, gefixeerde interesses die abnormaal zijn in intensiteit of focus;
● Extreme interesse voor bepaalde onderwerpen en thema’s
● Dermate grote fascinatie voor onderwerpen zodat men er te pas en te
onpas over blijft praten
● Preoccupatie voor ongebruikelijke voorwerpen
4. Hyper- of hypo-reactiviteit op sensorische input of ongewone interesse in
zintuiglijke aspecten in de omgeving.
● Overgevoelig reageren voor bepaalde geluiden of texturen
● Fascinatie voor lichten of bewegingen
● Schijnbare onverschilligheid voor pijn en temperatuur
C De symptomen moeten aanwezig zijn in de vroege kindertijd (maar kunnen soms pas
merkbaar worden wanneer sociale eisen de beperkte capaciteit overstijgen of
gemaskeerd worden door aangeleerde strategieën in het latere leven)
D De symptomen leiden tot klinisch significante beperkingen in het sociaal,
beroepsmatig functioneren of andere belangrijke terreinen van het huidig functioneren.
E De stoornissen worden niet beter verklaard door verstandelijke beperking of algemene
ontwikkelingsvertraging. verstandelijke beperking en ASS komen frequent samen voor.
Om comorbide diagnoses van ASS en verstandelijke handicap te stellen, moet de sociale
communicatie lager zijn dan te verwachten voor het algemeen ontwikkelingsniveau.w
Anders denken
0. Inleiding
Er zijn verschillende cognitieve theorieën en hypothesen die het gedrag van mensen met
ASS proberen te verklaren.
4 theorieën / hypothesen:
● Theorie of mind
● Centrale coherentie
● Executieve functies
● Voorspellend brein
Ze geven ons een beter inzicht in de denkprocessen en het gedrag van mensen met
autisme. Er blijven echter nog veel onduidelijkheden en verder onderzoek is nodig. Op dit
2
,ogenblik is er geen enkele theorie of hypothese die erin slaagt om alle hoofdkenmerken
van autisme te verklaren, maar ze zorgen telkens voor meer inzicht en begrip in de
andere manier van denken en waarnemen.
● Ijsbergtheorie
○ Gedrag topje van ijsberg boven water
○ Waarom van het gedrag= oorzaken onderwater
1. Theorie of mind
● Is de vaardigheid om gedachten, intenties, gevoelens en ideeën toe te schrijven
aan anderen en er rekening mee te houden
● Vertraagde of verstoorde ontwikkeling van ToM
○ Moeilijk inleven in de andere
○ VB. Pop afpakken van zus, niet doorhebben dat zus hier ook mee wou
spelen, zus begint te wenen en niet begrijpen waarom ze weent
■ Egoïstisch niet juist → egocentrisme willen rekeningen houden maar
kunnen dit niet of weten niet hoe
● Sally & Anne test
○
● Tips:
○ Leg uit waarom mensen zich zo gedragen
○ Social stories (inzichten in sociale signalen en aanleren welke reacties wel
of niet gepast zijn
○ Speelgoed delen is moeilijk → afspraken maken wie wanneer of 2
explameren
○ Bij voorlezen: aandacht voor gedachten en gevoelens van het boekje
● Beperkt inlevingsvermogen in anderen maar ook beperkt zicht op eigen
binnenkant
○ Eigen gevoelens moeilijker herkennen of benoemen
○ Moeite met keuzes maken
○ Minder zicht op wie zie zijn, wat ze leuk en minder leuk vinden of waar ze
goed en minder goed in zijn
2. Centrale coherentie
Ons brein zoekt samenhang tussen kleine informatie die binnenkomt via zintuigen, obv
samenhang geven we betekenis waar personen zonder autisme eerst het geheel en dan
details. Personen met autisme eerst details en dan samen puzzelen tot groter geheel
● Onvoldoende samenhang tussen losse elementen = gefragmenteerde
waarneming
● Afhankelijk van details komen ze tot een juiste of foute interpretatie van de
werkelijkheid
● Ervaren wereld als chaos
3
, ● Houden zich vast aan routines en gewoontes en houden niet van veranderingen
○ VB. klas niet meer herkennen wanneer sinterklaasversiering ophangt
● Tips
○ Vereenvoudig verbale boodschappen, enkel essentiële info geen
overbodige details
○ Structureer en concentristeseer
■ ‘Straks gaan we even naar winkel’ gaan we veranderen in ‘we gaan
straks naar de slager en bakker’
○ Positief verwoorden: benoemen wat je wel wil zien, niet wat je niet wel zien
■ Niet lopen naar auto veranderen in wandel naar de auto
○ Geef de persoon tijd: tijd geven om nadenken geef je eerlijkere kans om
gepast te reageren
3. Executieve functies
● =denkprocessen die cruciaal zijn bij plannen van acties en doelgericht oplossen
van probleem
● Bij personen met autisme werken deze functies minder goed: moeilijkheden met
plannen, organiseren en structuren
● DAgdagelijkse activiteiten, zoals douchen of boodschappen doen vergeven veel
meer dan je denkt
● Niet duidelijk uit welke deeltaken een vaardigheid bestaat, maar ook in welke
volgorde ze deze moeten doorlopen
● VB. Maxim moet zich aankleden voor school van mam, maxim trekt jeansbroek
over zijn pyjama en vergat dus zen pyjama broek uit te doen
● Tips:
○ Stappenplan of schema met daarop gevisualiseerd waaruit een bepaalde
activiteit zoals bijvoorbeeld douchen of aankleden staat
○ Bied hulp bij het plannen van huiswerk of boodschappen doen: verwacht
niet dat dit van de eerste keer uit zichzelf kunnen
○ Beperk de afleiding uit de omgeving, wanneer een persoon een opdracht
dient uit te voeren
4. Het voorspellend brein
● De hypothese over het voorspellende brein is het resultaat van zeer recent
onderzoek over de werking van het brein en over de manier waarop we
waarnemen
Waarnemen: Hoe men dacht dat het was
Men dacht heel lang dat de informatieverwerking in onze hersenen te vergelijken is met
die van een computer:
- Via onze zintuigen komen gegevens binnen (=input)
- Via de zenuwen worden deze gegevens vervolgens naar de hersenen gestuurd
- De hersenen interpreteren in de volgende stap die gegevens (=verwerking)
- Sturen eventueel commando’s in de vorm van reacties naar de spieren (=output).
Theorie van het voorspellende brein
Ondertussen is er binnen de neurowetenschap een heel andere kijk op de werking van
ons brein. Men gaat binnen deze nieuwe hypothese ervan uit dat ons brein een
voorspellingsmachine is: hierbij wacht ons brein niet passief af welke informatie onze
zintuigen ons geven over de situatie/ realiteit, maar gaat het zelf al aan de slag om de
4