POLITICAL CRIMES SAMENVATTING
MODULE 1: INTRODUCTION TO POLITICAL CRIMES AND TRANSITIONAL
JUSTICE
Rote Armee Fraktion (RAF) was een extreemlinkse terroristische organisatie in West-Duitsland, actief
van 1970 tot 1998. De groep, ook bekend als de Baader-Meinhof-groep, werd opgericht door onder
anderen Andreas Baader en Ulrike Meinhof. De RAF pleegde bomaanslagen, ontvoeringen, overvallen
en moorden op politici en zakenmensen, met als doel het kapitalistische systeem en de West-Duitse
staat te bestrijden en een revolutionaire omwenteling te veroorzaken. Een dieptepunt was de
zogenoemde Duitse Herfst in 1977, met onder meer de ontvoering en moord op Hanns Martin Schleyer.
In 1998 verklaarde de organisatie zichzelf officieel ontbonden.
De Brigate Rosse (Rode Brigades) was een extreemlinkse terroristische organisatie in Italië, actief
vooral in de jaren 70 en 80. De groep werd opgericht in 1970 en wilde via gewelddadige strijd het
kapitalistische systeem omverwerpen en een communistische staat vestigen. Ze pleegden
bomaanslagen, ontvoeringen en moorden op politici, magistraten, politieagenten en industriëlen. Hun
bekendste daad was de ontvoering en moord op de Italiaanse oud-premier Aldo Moro in 1978. De
activiteiten van de Brigate Rosse maakten deel uit van een periode van politiek geweld in Italië die
bekendstaat als de “Jaren van Lood”. In de jaren 80 werd de organisatie grotendeels ontmanteld door
arrestaties en verloor ze haar invloed.
ETA (Euskadi Ta Askatasuna, “Baskenland en Vrijheid”) was een gewapende separatistische
organisatie die streed voor een onafhankelijk Baskenland in Spanje en een deel van Frankrijk. De
beweging werd opgericht in 1959 tijdens de dictatuur van Francisco Franco en radicaliseerde in de
jaren 60 naar gewapende strijd. ETA pleegde bomaanslagen, moorden en ontvoeringen, vooral gericht
tegen Spaanse politici, militairen, politie en overheidsfunctionarissen. In totaal vielen er meer dan 800
dodelijke slachtoffers. Een van de bekendste aanslagen was de moord op premier Luis Carrero Blanco
in 1973. Na tientallen jaren van geweld kondigde ETA in 2011 een definitief einde van de gewapende
strijd aan. In 2018 maakte de organisatie officieel haar ontbinding bekend.
Los GAL (Grupos Antiterroristas de Liberación) waren illegale, extreemrechtse paramilitaire
doodseskaders die actief waren tussen 1983 en 1987 in Spanje en het Franse Baskenland. Ze werden
opgericht om de Baskische separatistische organisatie ETA te bestrijden, maar opereerden buiten de
wet. GAL pleegde ontvoeringen, folteringen en moorden op vermeende ETA-leden en sympathisanten.
Later bleek dat delen van de Spaanse veiligheidsdiensten en functionarissen van de socialistische
regering onder premier Felipe González betrokken waren bij de financiering en organisatie van GAL. In
de jaren 90 leidde dit tot grote politieke schandalen en rechtszaken waarbij verschillende hoge
ambtenaren werden veroordeeld. De zaak beschadigde het imago van de Spaanse staat in de strijd
tegen terrorisme en wordt gezien als een voorbeeld van staatsgesponsord illegaal geweld.
9/11 verwijst naar de terroristische aanslagen van 11 september 2001 in de Verenigde Staten,
uitgevoerd door de jihadistische organisatie Al-Qaeda onder leiding van Osama bin Laden. Vier
gekaapte passagiersvliegtuigen werden gebruikt als wapens: twee werden in het World Trade Center in
New York gevlogen, één trof The Pentagon en een vierde stortte neer in Pennsylvania nadat passagiers
ingrepen. Bijna 3.000 mensen kwamen om het leven. In de context van politieke misdaden geldt 9/11
als een schoolvoorbeeld van terrorisme: het gebruik van geweld tegen burgers met als doel politieke
druk uit te oefenen en beleidsverandering af te dwingen. De aanslagen waren ideologisch gemotiveerd
en gericht op symbolen van economische, militaire en politieke macht. De wereldwijde gevolgen waren
enorm: de Verenigde Staten lanceerden de “War on Terror”, begonnen de oorlog in Afghanistan en
voerden ingrijpende antiterrorismewetten en veiligheidsmaatregelen in, wat het debat over veiligheid,
burgerrechten en staatsmacht sterk beïnvloedde.
Na de aanslagen van 11 september 2001 richtten de Verenigde Staten in 2002 het detentiekamp
Guantanamo Bay detention camp op, gelegen op een Amerikaanse marinebasis in Cuba. Hier
,2
werden personen vastgehouden die verdacht werden van betrokkenheid bij terrorisme, vooral
vermeende leden van Al-Qaeda en de Taliban. In totaal hebben ongeveer 780 mensen in Guantánamo
vastgezeten; op het hoogtepunt verbleven er meer dan zeshonderd tegelijk. Het kamp werd wereldwijd
controversieel omdat veel gevangenen jarenlang zonder formele aanklacht of proces werden
vastgehouden en als “enemy combatants” werden bestempeld, waardoor zij niet dezelfde rechten
kregen als gewone krijgsgevangenen. Daarnaast waren er beschuldigingen van mishandeling en
foltering. In de context van politieke misdaden wordt Guantánamo vaak besproken als voorbeeld van
de spanningen tussen terrorismebestrijding, staatsveiligheid en mensenrechten na 9/11.
In Australië kwamen de grenzen van vrije meningsuiting en oorlogsmisdaden scherp in beeld door de
zogenaamde Afghan Files van 2017. Journalisten van de publieke omroep ABC publiceerden
onderzoeksartikelen over vermeende oorlogsmisdaden door Australische elite-troepen in Afghanistan,
gebaseerd op documenten van klokkenluider David McBride. De onthullingen veroorzaakten grote
controverse: de politie doorzocht het hoofdkwartier van de ABC en onderzocht of de journalisten
vervolgd konden worden. Uiteindelijk werden zij niet vervolgd, maar McBride zelf kreeg bijna zes jaar
gevangenisstraf omdat hij de documenten had gelekt. De zaak illustreert hoe vrije meningsuiting in
democratieën beschermd is, maar hoe publicaties over oorlogsmisdaden en staatsgeheimen juridisch
en politiek gevoelig blijven, waardoor de grens tussen persvrijheid en strafbare handelingen vaak wordt
getest.
De kop “I can’t allow the US government to destroy privacy and basic liberties” verwijst naar Edward
Snowden, de voormalige NSA-medewerker die in 2013 duizenden geheime documenten lekte over
grootschalige Amerikaanse surveillance. Snowden maakte de informatie openbaar via journalisten van
onder andere The Guardian omdat hij vond dat het publiek het recht had te weten hoe hun privacy en
basisvrijheden werden aangetast. Zijn onthullingen veroorzaakten wereldwijd discussie over privacy,
staatsveiligheid en vrije meningsuiting: voorstanders zien hem als klokkenluider die misstanden
blootlegde, tegenstanders beschouwen het als het illegaal onthullen van staatsgeheimen. De zaak
illustreert hoe *free speech* botst met wetten rond nationale veiligheid en staatsgeheimen.
‘Je suis Charlie’ werd wereldwijd het symbool van vrije meningsuiting nadat in januari 2015 het
Franse satirische tijdschrift Charlie Hebdo werd aangevallen door terroristen, waarbij twaalf mensen
omkwamen. De slogan, die “Ik ben Charlie” betekent, verspreidde zich snel via sociale media en
protesten als teken van solidariteit met de slachtoffers en steun voor het recht om kritisch en satirisch
te publiceren. De gebeurtenis leidde tot wereldwijde discussies over de grenzen van vrije
meningsuiting, de rol van satire, en de bescherming van journalisten tegen geweld.
De term “German Reich flag” verwijst meestal naar de vlag van het voormalige Duitse Keizerrijk
(1871–1918), bestaande uit drie horizontale banen: zwart, wit en rood. Deze vlag werd gebruikt tijdens
het Duitse Keizerrijk en later ook in de periode van de Weimarrepubliek naast andere nationale
symbolen. Na de Tweede Wereldoorlog werd het gebruik van nazi-symbolen in Duitsland verboden. De
hakenkruisvlag (nazi-vlag) is strafbaar om te tonen of verspreiden. De zwart-wit-rode Reichsvlag zelf is
echter niet in alle gevallen verboden, omdat zij historisch ouder is dan het naziregime. Toch wordt deze
vlag vandaag de dag vaak gebruikt door extreemrechtse en neonazistische groeperingen, juist omdat
zij geen expliciet verboden symbool is maar wel historisch geassocieerd wordt met nationalistische en
autoritaire periodes. In bepaalde contexten (bijvoorbeeld bij extreemrechtse demonstraties) kan het
gebruik ervan aanleiding geven tot politieoptreden wanneer er sprake is van opruiing, haatzaaien of
bedreiging van de democratische rechtsorde.
Op 6 januari 2021 werd het United States Capitol in Washington, D.C. bestormd door aanhangers van
toenmalig president Donald Trump. Dit gebeurde tijdens een gezamenlijke zitting van het Congres
waarin de verkiezingsuitslag van 2020 formeel werd bevestigd. De aanval volgde op een bijeenkomst
waarbij Trump zijn aanhangers toesprak en herhaaldelijk stelde dat de verkiezingen waren “gestolen”,
claims waarvoor geen bewijs werd gevonden door rechtbanken of verkiezingsautoriteiten. Sommige
leden van extremistische groepen zoals de Oath Keepers en de Proud Boys werden veroordeeld voor
opruiende samenzwering, een zwaar federaal misdrijf. In 2023 werd Trump zelf federaal aangeklaagd in
verband met pogingen om de verkiezingsuitslag ongedaan te maken. Die strafzaak draait om mogelijke
samenzwering tegen de Verenigde Staten en belemmering van een officieel proces.
, 3
In januari 2026 vond in Minneapolis een dodelijk incident plaats tijdens een operatie van U.S.
Immigration and Customs Enforcement (ICE), waarbij de 37-jarige Renée Good werd neergeschoten
door een federale agent. De schietpartij gebeurde tijdens een grootschalige immigratieactie en leidde
tot grote maatschappelijke en politieke onrust. Het onderzoek werd overgenomen door de Federal
Bureau of Investigation (FBI), terwijl het United States Department of Justice aangaf geen
strafrechtelijke aanklacht tegen de betrokken agent te zien. Lokale en staatsautoriteiten, waaronder
gouverneur Tim Walz, uitten kritiek op de gang van zaken en vroegen om meer transparantie. Het
incident verscherpte de nationale discussie over het gebruik van geweld door federale immigratie-
instanties en de spanningen tussen federale en deelstaatregeringen. De vraag heerst nu of het
toegestaan is om deze acties uit te voeren bij burgers. Je moet het criminele element kunnen aantonen,
niet enkel het politieke statement maken dat je dit zomaar mag uitvoeren.
Alexei Navalny was de bekendste oppositieleider en anticorruptie-activist in Rusland en een
uitgesproken criticus van president Vladimir Poetin. Hij verwierf bekendheid door onderzoeken naar
corruptie binnen de Russische elite en organiseerde protesten tegen het Kremlin. Na een vergiftiging in
2020 keerde hij in 2021 terug naar Rusland, waar hij direct werd gearresteerd en tot lange
gevangenisstraffen werd veroordeeld op aanklachten die internationaal als politiek gemotiveerd
werden beschouwd. In februari 2024 overleed hij in een strafkolonie in het Noordpoolgebied, wat
wereldwijd leidde tot veroordelingen en nieuwe sancties tegen Russische functionarissen. Zijn dood
wordt door veel westerse regeringen gezien als een symbool van de onderdrukking van politieke
oppositie in Rusland.
MODULE 2: VARIOUS ISSUES AND STRATEGIES OF TRANSITIONAL JUSTICE
ASPECTEN POLITICAL CRIMES
Disclaimer: het begrip politieke misdaden is per land anders!
SUBJECTIEF ELEMENT
Politieke misdaden worden geïdentificeerd op basis van de mentaliteit (intentie) van de persoon die het
misdrijf pleegt. Wanneer het een politiek doel heeft, spreken we over een politiek misdrijf. De persoon
zelf zegt dit niet altijd of is er vaag over, waardoor de grens van een politiek misdaad heel onzeker is.
OBJECTIEF ELEMENT
Eind jaren tachtig is het subjectieve element verschoven naar een objectief element. Zelfs als we niets
weten over de intentie van degene die het misdrijf pleegt, weten we zelf dat het een politiek misdrijf is
gebaseerd op het rechtssysteem en de publieke opinie. Als sommige elementen worden vervuld,
kunnen we zeggen dat het een politiek misdrijf is. De objecten zelf zijn het element. Bijvoorbeeld: een
president wordt ontvoerd. Het object is de president, maar wat is het doel? Om losgeld te vragen of om
het politieke systeem te ondermijnen? Je hebt op basis van deze elementen het subjectief element niet
meer nodig om te kunnen spreken van een politieke misdaad.
GECOMBINEERDE AANPAK
Als resultaat is er een gecombineerde aanpak gemaakt in de jaren 90. Het had te maken met de
onafhankelijkheid van Namibië, eerst was het een Duitse kolonie maar daarna bijgevoegd aan Zuid-
Afrika. Namibië wou onafhankelijk worden en forceerde Zuid-Afrika in een referendum. Deze
verkiezingen hebben geleid tot een onafhankelijkheid. Dit is interessant omdat de Verenigde Naties
vroeg om het framework van politieke misdaden te checken, omdat er bepaalde rebellen van Namibië
waren die tegen Zuid-Afrika vochten. Men liet bepaalde politieke misdaden toe omdat het werd gezien
als een ‘struggle’ en een teken van amenstie. Het verschil moest gemaakt worden tussen klassieke
misdaad en politieke misdaad. De Deen Norgaard heeft aan de volgende 7 criteria gewerkt.