Escrito por estudiantes que aprobaron Inmediatamente disponible después del pago Leer en línea o como PDF ¿Documento equivocado? Cámbialo gratis 4,6 TrustPilot
logo-home
Document preview thumbnail
Vista previa 3 fuera de 17 páginas
Resumen

Samenvatting - Geschiedenis van de antieke-middeleeuwse filosofie

Document preview thumbnail
Vista previa 3 fuera de 17 páginas

Samenvatting tot thema 4 Prof. Geert Van Eekert - UA Volledige lesnotities + mogelijke vragen en antwoorden van het examen ook beschikbaar via mijn account.

Vista previa del contenido

Thema 1
Het Griekse wonder?

Over het ontstaan van de filosofie wordt nog steeds vaak gesproken in termen van ‘het Griekse
wonder’. Met die uitdrukking is het volgende verhaal verbonden: “Filosofie is ontstaan in de antieke
de
Griekse cultuur, en meer bepaald in de 6 eeuw v.C. Thales van Milete was de eerste filosoof. Zijn
uitspraak ‘Alles is water’ is de eerste filosofische uitspraak”.

Wat roepen de term ‘wonder’ en het bijhorende verhaal op?
 Met het ontstaan van de antieke Griekse filosofie gebeurt er iets ‘nieuws’, ook in de
betekenis van iets ‘onvoorspelbaars’ en ‘onverwachts’, iets dat niet zonder meer is
voortgekomen uit een noodzakelijke, dwingende historische logica, en dus om die
reden ook verwondering en bewondering wekt of kan en mag wekken.
 De term ‘wonder’ suggereert echter ook dat niemand ooit voorheen heeft
gefilosofeerd (of een activiteit heeft ontplooid die je kan aanduiden met de term
‘filosofie’), en dat filosofie tot op dat moment nergens elders is voorgekomen.

Het verhaal over het ontstaan van de filosofie suggereert dus dat de filosofie een originele Griekse
‘uitvinding’ is. En gelet op de zeer grote invloed die de antieke Griekse cultuur heeft gehad op de
Europese cultuur (het antieke Griekenland als ‘bakermat’ van Europa), en bij uitbreiding op de
Westerse cultuur, is filosofie dus per definitie Europees, en bij uitbreiding Westers.


Is filosofie in oorsprong Grieks en bij uitbreiding Westers?

Het is belangrijk om te beseffen dat het ‘Griekse wonder’-verhaal over het ontstaan van de filosofie
een bepaalde historische en filosofische canon vastlegt (het geheel van denkers, scholen, teksten,
ontwikkelingen die het referentiekader vormen van een gedeelde filosofische cultuur), en op die
wijze de filosofie identificeert met een bepaalde filosofische traditie (de Westerse) en met een
bepaalde manier van denken. Het is al even belangrijk om te beseffen dat die canon relatief recent is
ontstaan.

Antieke Griekse filosofen waren niet van mening dat filosofie hun originele bezit was (zie Julia Annas,
p. 99). Zij erkenden dat wat zij filosofie noemden bronnen had buiten de Griekse cultuur
(voornamelijk Oosterse).
 Isocrates (436-338 v.C.; een van de grote Atheense redenaars) vertelt bijvoorbeeld
over de reis van Pythagoras naar Egypte, en over hoe Pythagoras alle filosofie van bij
de Egyptenaren naar de Grieken had gebracht.
 Aristoteles duidt in zijn beknopte geschiedenis van de filosofie Thales van Milete aan
als de eerste filosoof; maar hij bedoelt daarmee in eerste instantie dat Thales een
uitspraak doet en een theorie ontwikkelt die iets nieuws inluidt (een nieuwe manier
van denken en verklaren – zie verder). Daarnaast blijft hij er, zoals Plato, van overtuigd
dat de vele verhalen die deel zijn gaan uitmaken van de Griekse cultuur maar
goeddeels van elders stammen, voor de filosofie een belangrijke rol blijven hebben
(echte filosofen houden van die verhalen). Van Thales zelf wordt overigens door de
Grieken erkend dat hij verre reizen maakte en in contact kwam met verschillende
Oosterse denktradities.


de
Diogenes Laërtius, biograaf uit de 3 eeuw n.C. en auteur van een uitvoerige biografie van de
antieke Griekse filosofen, verwerpt zeer nadrukkelijk de gedachte dat filosofie niet oorspronkelijk aan

,de Grieken zou toebehoren: filosofie is hun originele bezit; bij hen begint de menselijke beschaving!
Deze nogal krasse uitspraak was echter wellicht voornamelijk ingegeven door zijn kritiek op de
christelijke intellectuelen uit zijn tijd, die ofwel de antieke Griekse filosofie verwierpen als ‘heidens’,
ofwel beweerden dat indien de antieke Griekse filosofen al ware inzichten hadden gehad, ze die
hadden ontleend aan de Joods-Christelijke openbaring.

Augustinus (354-430 n.C.; zie deel 2 van deze cursus over de middeleeuwse wijsbegeerte) sluit in zijn
De Civitate Dei niet uit dat wat hij inmiddels beschouwt als de waarheid of de ware filosofie (het
Platonisme, dat volgens hem perfect verzoenbaar is met het Christendom) onafhankelijk van de
Grieken ook al was ontdekt door de Libiërs uit het Atlasgebergte, de Egyptenaren, de Indiërs, de
Perzen, de Chaldeeërs, de Scythen, de Galliërs, en de Spanjaarden. Augustinus verdedigt op die
manier het typische standpunt van de christelijke intellectueel: niet alleen Grieken, maar ook
anderen kunnen de waarheid kennen – christenen kunnen met andere woorden erkennen dat ook
andere volkeren al op het spoor kwamen van de ene ware filosofie (het Christendom).

de de
In de tweede helft van de 17 eeuw en in 18 eeuw n.C. ontstond in het kielzog van de rapporten
van (koloniale) ontdekkingsreizigers en christelijke missionarissen (opnieuw) interesse voor niet-
Westerse filosofische tradities.
 Contacten met en studie van de Chinese filosofie voeden bij Gottfried Wilhelm Leibniz
(1646-1716) de overtuiging dat de rede universeel is (Chinese filosofen en Leibniz
delen dezelfde opvattingen over waarheid).
 Christian Wolff (1676-1754) looft in zijn colleges Over de praktische filosofie van de
Chinezen (1721) dan weer de levenswijsheid van het confucianisme – voor hem een
bewijs dat je geen christen moet zijn om de morele waarheid te kennen
 Voltaire ziet in zijn Dictionnaire philosophique (1764) geen enkele reden om het
confucianisme niet als filosofie te beschouwen, en noemt Confucius (niet Thales dus)
uitdrukkelijk de eerste filosoof.
 Ook anderen affirmeren een soort van pluralisme in hun visie op de geschiedenis van
de filosofie: Denis Diderot (1764) behandelt de filosofische opvattingen van de Native
Americans; Joanne Ernesto Schubert behandelt in het eerste deel van zijn Historia
Philosophiae (1742) de filosofie van de Chaldeeërs, de Perzen, de Feniciërs, de
Arabieren, de joden, de Indiërs, de chinezen, de Egyptenaren, de Ethiopiërs, de
druïden (of Kelten), de Scythen, de oude Romeinen, de Etrusken, naast die van de
Grieken.

de de
Pas in de overgang van de 18 naar de 19 eeuw wordt in de geschiedschrijving van de filosofie
(voornamelijk in kringen van speculatieve filosofen) definitief het ‘canonieke’ verhaal over het
ontstaan van de filosofie verteld: filosofie is ontstaan in het antieke Griekenland; de eerste filosoof
was Thales van Milete.
 Dietrich Tiedemann en Wilhelm Tennemann hanteren in hun geschiedenissen van de
filosofie daarbij niet alleen een strengere definitie van filosofie, maar ook de gedachte
dat een gemeenschap of een volk geen filosofie kan hebben – alleen een individuele
denker kan aan de oorsprong liggen van een filosofie.
 Bij Georg Hegel wordt deze canonieke visie bevestigd: volgens hem is echte filosofie in
de Oosterse wereld onmogelijk, zijn dus bijvoorbeeld de Chinese, Indische, Perzische
of Egyptische geen echte filosofieën, en moet wie beweert dat het daarbij wel om
filosofie gaat het onderscheid leren maken tussen filosofie en religie.

Conclusie: caveat!

, De geschiedenis van de antieke en middeleeuwse filosofie die in deze cursus wordt verteld is een
onderdeel van de geschiedenis van de Westerse filosofie. Zij behandelt de eerste twee grote
de de
tijdvakken in die geschiedenis, en bestrijkt een periode vanaf de 6 eeuw v.C. tot minstens de 15
eeuw n.C.

De geschiedenis die in deze cursus wordt verteld is dus de geschiedenis van een Westers fenomeen,
en in die zin overigens een belangrijke component van de geschiedenis van de Westerse cultuur.

Ook in een geschiedenis van of een historische inleiding in de antieke en middeleeuwse filosofie
moet men daarmee rekening houden. Men moet oog hebben voor de bepaaldheid, en dus ook voor
de beperktheid, kortom: voor de ‘specificiteit’ van die ‘denktraditie’ die met de term ‘filosofie’ in
deze cursus wordt aangeduid. Zeer veralgemenend zou je bijvoorbeeld kunnen zeggen dat de
Westerse filosofie in vergelijking met andere denktradities rationalistisch is, het belang van een
theoretische levenshouding beklemtoont, en op gespannen voet leeft met religies. In dit historische
overzicht zal echter ook aandacht worden besteed aan specifiekere kenmerken van de Westerse
filosofie, die samenhangen met bepaalde wendingen en (r)evoluties in de geschiedenis van de
antieke en middeleeuwse filosofie.

Zie ook: De Griekse filosofie en het Oosten (Cursus deel 1, hoofdstuk 1, punt 3)


Het ontstaan van de Griekse filosofie

Het ontstaan van de Griekse filosofie is een verhaal over een breuk en een verhaal over continuïteit:
 Met het ontstaan van de Griekse filosofie ontstaat er iets ‘nieuws’, een nieuwe,
specifieke manier van denken.
 Maar tegelijk wordt in de eerste vormen van Griekse filosofie iets (op een andere
manier) verdergezet dat ook al aanwezig is in het denken dat aan het ontstaan van
die filosofie voorafgaat (het ‘pre-filosofische’ denken).

Het ontstaan van de Griekse filosofie is dus ook een verhaal van continuïteit én discontinuïteit. Wat
aan de filosofie voorafgaat kan daarna ook deels in de filosofie teruggevonden worden. Maar tegelijk
ontstaat de Griekse filosofie ook door zich af te zetten tegen het pre-filosofische denken.

De filosofie gelijkt wat dat laatste betreft op de (andere) grote wereldbeschouwingen, metafysica’s
en wereldreligies die ongeveer in dezelfde periode als de filosofie het levenslicht zien.

De wereldbeschouwingen uit de Achsenzeit

Tussen 800 v.C. en 200 v.C. ontstaan in de wereldgeschiedenis in een gebied dat zich uitstrekt van de
Atlantische tot de Stille Oceaan, en meer bepaald in China, India, Iran, Palestina en Griekenland,
relatief onafhankelijk van elkaar een aantal wereldbeschouwingen (religies, metafysica’s) waarin op
vergelijkbare manieren wordt gedacht over fundamentele religieuze, morele en meer ‘theoretische’
vragen. Naast het Boeddhisme, Confucianisme, Taoïsme en de Joodse religie behoort daartoe ook
de Griekse filosofie. Karl Jaspers (1883-1969; existentialistisch filosoof; psychiater) noemt deze
periode de ‘Achsenzeit’, de ‘Spiltijd’: een tijd of periode van een soort van geestelijke omwenteling
waarin een bewustzijn of een ‘manier van denken’ tot stand komen die tot op vandaag nog
richtinggevend is voor onze manier van leven.

Ook aan het ontstaan van die andere wereldbeschouwingen naast de Griekse filosofie, ging een
manier van denken en samenleven vooraf waartegen ook die andere wereldbeschouwingen zich
hebben afgezet. We duiden die manier van denken en samenleven die aan de
wereldbeschouwingen uit de Spiltijd voorafging aan met de term ‘mythe’.

Información del documento

Estudio
Subido en
15 de marzo de 2026
Número de páginas
17
Escrito en
2022/2023
Tipo
Resumen
$19.20

¿Documento equivocado? Cámbialo gratis Dentro de los 14 días posteriores a la compra y antes de descargarlo, puedes elegir otro documento. Puedes gastar el importe de nuevo.
Escrito por estudiantes que aprobaron
Inmediatamente disponible después del pago
Leer en línea o como PDF

Vendido
2
Seguidores
0
Artículos
19
Última venta
1 día hace




Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes