Hoofdstuk 4 samenvatting
Paragraaf 2.
Als er een aanhoudende strijd is waarbij binnen een jaar minstens 25 doden
vallen, spreek je van gewapende conflicten. Deze conflicten zijn vooral in Sub-
Sahara, Afrika, Zuidoost-Azië en in de islamitische wereld.
Er zijn twee soorten gewapende conflicten:
- internationale conflicten
- Tussen twee landen
- interne conflicten
- binnen de grenzen van een land
Als een intern conflict zich uitbreidt over de landsgrenzen, noem je dit een
regionaal conflict.
Het territorium is het woongebied van een volk. Als er om dat gebied een grens
ligt, is het een staat. Wanneer de mensen in een staat voelen dat ze bij elkaar
horen door hun taal, geloof of dat ze een gemeenschappelijke geschiedenis
hebben, vormen ze één volk.
Als een volk sterk vasthoudt aan de eigen geschiedenis en cultuur, noem je dat
regionalisme. Als een volk naar onafhankelijkheid streeft, noem je dat
nationalisme.
Vroeger in Rusland wouden de Tsjetsenen uit de Russische federatie stappen,
de wens tot afscheiding heet ook wel separatisme.
Paragraaf 3.
Als het gaat om gewapende conflicten is de oorzaak vaak een combinatie van
oneerlijke verdeling van macht, het gevoel van achterstelling en armoede.
Soms gaan conflicten over de verdeling van natuurlijke hulpbronnen. Denk
daarbij aan goud, aardolie of aardgas, maar ook water en zelfs wind.
In veel conflictgebieden is er een autoritair regime (een dictatuur). De macht
ligt dan dus bij 1 persoon.
Paragraag 4.
Als er in een land een oorlog gaande is, wordt het geld vooral uitgegeven aan
wapens. Hierdoor is er geen geld meer voor onderwijs, landbouw of wegen.
Door de oorlog kunnen de mensen ook niet meer werken, omdat ze moeten
vechten of vluchten. Een gewapend conflict leidt vrijwel altijd tot vluchtelingen.
In 1994 moordden Hutu’s meer dan een half miljoen Tutsi’s uit in Rwanda.
Deze moordpartij was gericht op één bepaalde bevolkingsgroep. We spreken
van genocide als er een poging tot vernietiging van een volk, een ras of een
groep mensen wordt gedaan.
Paragraaf 2.
Als er een aanhoudende strijd is waarbij binnen een jaar minstens 25 doden
vallen, spreek je van gewapende conflicten. Deze conflicten zijn vooral in Sub-
Sahara, Afrika, Zuidoost-Azië en in de islamitische wereld.
Er zijn twee soorten gewapende conflicten:
- internationale conflicten
- Tussen twee landen
- interne conflicten
- binnen de grenzen van een land
Als een intern conflict zich uitbreidt over de landsgrenzen, noem je dit een
regionaal conflict.
Het territorium is het woongebied van een volk. Als er om dat gebied een grens
ligt, is het een staat. Wanneer de mensen in een staat voelen dat ze bij elkaar
horen door hun taal, geloof of dat ze een gemeenschappelijke geschiedenis
hebben, vormen ze één volk.
Als een volk sterk vasthoudt aan de eigen geschiedenis en cultuur, noem je dat
regionalisme. Als een volk naar onafhankelijkheid streeft, noem je dat
nationalisme.
Vroeger in Rusland wouden de Tsjetsenen uit de Russische federatie stappen,
de wens tot afscheiding heet ook wel separatisme.
Paragraaf 3.
Als het gaat om gewapende conflicten is de oorzaak vaak een combinatie van
oneerlijke verdeling van macht, het gevoel van achterstelling en armoede.
Soms gaan conflicten over de verdeling van natuurlijke hulpbronnen. Denk
daarbij aan goud, aardolie of aardgas, maar ook water en zelfs wind.
In veel conflictgebieden is er een autoritair regime (een dictatuur). De macht
ligt dan dus bij 1 persoon.
Paragraag 4.
Als er in een land een oorlog gaande is, wordt het geld vooral uitgegeven aan
wapens. Hierdoor is er geen geld meer voor onderwijs, landbouw of wegen.
Door de oorlog kunnen de mensen ook niet meer werken, omdat ze moeten
vechten of vluchten. Een gewapend conflict leidt vrijwel altijd tot vluchtelingen.
In 1994 moordden Hutu’s meer dan een half miljoen Tutsi’s uit in Rwanda.
Deze moordpartij was gericht op één bepaalde bevolkingsgroep. We spreken
van genocide als er een poging tot vernietiging van een volk, een ras of een
groep mensen wordt gedaan.