2025
Toegepaste
neuroanatomie
SAMENVATTING -TERMEN
,Hoofdstuk 1 – inleiding
OPBOUW ZENUWCEL
• Centraal de stof van nikkel met vesikels voor neurotransmissie
• Duidelijke celkern
• Dendrieten voor prikkelontvangst
• Axon is een lange uitloper voor doorsturen van informatie
o Gemyeliniseerd = snellere prikkelgeleiding
▪ Knopen van Ranvier → saltatorische geleiding
▪ Dikker = snellere geleiding – dunner = tragere geleiding
o Niet gemyeliniseerd= tragere prikkelgeleiding
• Cellichamen van zenuwcellen gaan zich functioneel organiseren
o Binnen CZS = nucleus
o In PZS = ganglion
• Kenmerken uniek voor zenuwcellen
o Prikkelbaar
o Kunnen prikkels omzetten in signaal en deze transporteren
TYPE ZENUWCELLEN
• Unipolair = 1 enkele uitloper (axon)
• Bipolair = twee even lange uitlopers, aan- en afvoer moeilijk te onderscheiden
• Pseudo-unipolair = aan 1 pool een uitloper die splitst in een aan- en afvoerende tak
PRIKKELGELEIDING
• Actiepotentiaal 70 mV → prikkel sterk genoeg om boven drempelwaarde te komen 55 mV
• Ion-kanalen openen en cel zal depolariseren
• Cel terug naar normale staat via repolarisatie
• Ionkanalen blijven wat langer open → hyperpolarisatie
o Zo kan een nieuwe prikkel niet over de drempelwaarde komen → geen actiepotentiaal
o Stuk erna is wel nog gevoelig → prikkel beweegt die kant op = geleiding
• Overdracht van signaal van neuron op neuron via neurotransmitters
• Prikkelsnelheid meten om myelinisatie te controleren
o Prikkel toedienen op plaats A en meten op plaats B
OLIGODENDROCYTEN
• Leggen zich als membraanlagen rond de axonen in het CZS → vormen de myelineschede
• Vetachtige substantie die zorgt voor isolatie
• Myelinisatie gaat door na geboorte → hoe snel het gaat bepaalt nestvlieder/nestblijver
• Hypomyelogenesis congenita = als er iets mis gaat bij myelinisatie
o Hairy shakers → trillen door slechte prikkelgeleiding + misvorming van de vacht
o Door infectie in utero of behandeling met fosfaatverbindingen bij drachtige dieren
1
,ATROCYTEN
• Liggen t.h.v. neuron-neuron contacten en knopen van Ranvier
• Moduleren communicatie tussen neuronen
• Bloed-hersenbarrière → schermen hersenen af tegen stoffen in bloed
o Liggen onder de ependymcellen
• Stervormig zonde ruitlopers
MICROGLIACELLEN
• Afweercellen van CZS
• Aangevoerd via bloedbaan als monocyt
• Transformeren in CZS tot microgliacel
• Rusttoestand = stervormig met uitlopers → activatie = ameboïde vorm
• Na activatie worden het fagocyterende cellen
ZENUWSTELSEL
• Morfologisch onderscheid
o CZS = hersenen ruggenmerg
o PZS = zenuwen (kop/spinaal), ganglia, plexus
• Functioneel onderscheid
o Somatisch = huid en bewegingsapparaat
▪ Overleven + communicatie buitenwereld → reageren
▪ Veelvoudige input
▪ Gedragscontrole, episodisch, willekeurig (eigen wil)
o Visceraal = ingewanden en vaatstelsel
▪ Leven bewaren + behoud homeostade → reguleren
▪ Beperkte input
▪ Controle orgaanfuncties, continu, onwillekeurig (geen eigen wil)
SPECIFIEK SOMATISCH AFFERENT – SSA
• Exteroceptie = zien en horen
• Proprioceptie = evenwicht
ALGEMEEN SOMATISCH AFFERENT – ASA
• Exteroceptie
o Mechanoreceptoren = druk, tast, vibratie
o Thermoreceptoren = warmte en koude
o Pijnreceptoren
• Proprioceptie = spierspoelen, golgi (pees), gewrichtskapsel
SOMATISCH EFFERENT – SE
• Skeletspieren
SPECIFIEK VISCERAAL AFFERENT - SVA
• Reuk en smaak
2
, ALGEMEEN VISERCAAL AFFERENT
• Mechanoreceptoren = baro- en stretchreceptoren
• Chemoreceptoren = pH, [O2], mOsm
• Pijnreceptoren
SPECIFIEK VISCERAAL EFFERENT
• Kieuwboogspieren
SPECIFIEK VISCERAAL AFFERENT
• Gladde spieren, myocard, klieren
3