Handelingsplanning
Hoofdstuk 1: Actoren bij het proces van
handelingsplanning
1.1 Kunnen we allemaal helpen?
- antwoord 1: JA, we kunnen allemaal helpen
⇒ voor-methodisch handelen
→ iedereen kan ‘iets’ doen, ook niet hulpverleners
→ gewone spontane dingen:
- intuïtie
- improviseren
- associëren
- nabootsen
- antwoord 2: NEE, we kunnen niet allemaal helpen
⇒ methodisch handelen (niet iedereen kan dit)
→ 3j studeren
→ ‘helpen’ is niet noodzakelijk ‘professioneel handelen’
→ wanneer wordt helpen ‘professioneel handelen’?
- beste ondersteuning: methodisch en voor-methodisch handelen combineren
- methodisch handelen (kennis over methodieken, …)
⇒ vertrekt vanuit ondersteuningsbehoefte:
→ persoon heeft bepaalde noden/behoeften die hij niet (zelfstandig) vervuld krijgt, maar
die met extra ‘zorg/ondersteuning’ eventueel kunnen ‘verholpen’ worden
- volstaan methodieken, vaardigheden en technieken?
⇒ maw:
→ wat is goed en zinvol?
→ wat beïnvloedt de keuze voor bepaalde methode?
→ is om het even welk resultaat goed?
→ wanneer spreekt men van succes?
Beïnvloedende factoren bij hulpverlening
- 1) methodisch: manier waarop hulpverlening vorm krijgt
⇒ Wat en hoe vragen in de ondersteuning (vb. Wat is de hulpvraag van de cliënt, hoe
kunnen we beantwoorden aan de ondersteuningsnood, …)
- 2) verwachtingen en idealen
⇒ waarom en waar naar toe vragen (vb. waarom is er hulp nodig, waar wil de cliënt naar
toe, …)
1
,1.2 Vier actoren van hulpverlening
- microniveau: hulpvrager en hulpverlener
- mesoniveau: organisatie
- macroniveau: samenleving
Hulp geven en hulp nemen ⇒ complex
gebeuren
- hulpverlening houdt meer in dan technisch-methodisch
aanbod
⇒ proces met verschillende, vaak diepmenselijke aspecten
⇒ heel wat vragen en verwachtingen lopen door elkaar
→ deze vragen en verwachtingen kunnen invloed hebben op concrete verloop, keuze van
technieken en middelen, en op resultaat van hulpverlening
Door de bril van de hulpvrager (en cliëntsysteem)
- twee spanningsvelden
⇒ 1) spanning tussen behoefte aan zelfbepaling/zelfrealisatie en situatie van onwelzijn
→ cliënt komt naar je toe, omdat hij in situatie van onwelzijn zit
⇒ 2) spanning tussen behoefte aan zelfbepaling/zelfrealisatie en afhankelijkheid van
hulpverlening
→ cliënt is afhankelijk van hulpverlening, maar kan wel zelf nog beslissingen nemen en
dingen zeggen
↓
- Resultaat: vragen waar andere actoren in hulpverlening bij moeten stilstaan (respect)
⇒ vb. hoe ervaart de hulpvrager zijn noodsituatie?
⇒ vb. hoe schat hij zijn positie in?
⇒ vb. hoe staat hij tegenover de hulpverlener en het hulpverlenend aanbod
Door de bril van de hulpverlener
- spanningsveld
⇒ spanning tussen individuele hulpvrager en hulpverlenende organisatie
- 1) Relatie met individuele hulpvrager (drie aspecten)
⇒ hulpverleners verkopen/schenken geen welzijn en geluk
→ voorwaarden en omstandigheden creëren, waarin hulpvrager op zoek kan naar welzijn
→ ontplooiingskansen creëren
→ begeleiden in zoektocht naar beter leven
⇒ asymmetrie in de relatie
→ hulpverlenen is geen proces tussen twee gelijke partners (hulpverlener versus -vrager)
→ afstandelijkheid versus inleven
- er is verbonden met hulpvrager, maar door asymmetrie blijft er afstandelijkheid
2
, - we kunnen ons nooit volledig inleven (we hebben de situatie nog nooit zelf
meegemaakt)
→ vrijwillig versus genoodzaakt
- hulpverlener biedt vrijwillig hulp aan
- hulpvrager is genoodzaakt om hulp te vragen (kan dingen niet zelfstandig)
⇒ hulpverlener zit in vertrouwenspositie en machtspositie (routine en categoriseren)
→ proberen zicht hebben op individuele ondersteuningsnoden
→ routine: proberen stapje terug te zetten (kijken of wat je doet, nog steeds werkt of
relevant is)
- 2) Relatie met hulpverlenende organisatie
⇒ hulpverlener mag zijn eigen persoon niet buiten spel zetten
⇒ sandwich gevoel: hulpverlener zit tussen hulpvrager en organisatie
Door de bril van de organisatie
- positieve rol
⇒ mogelijkheid voor hulpvrager om begeleiding te krijgen
⇒ ontmoetingsplaats voor hulpverleners (in hun gemeenschappelijke zorg voor
hulpvrager)
⇒ signaalfunctie naar samenleving (signalen over sociale problematiek, structurele
tekorten, … kunnen worden doorgegeven)
- negatief deel
⇒ organisaties hebben eigen doelstellingen (vb. financieel overleven)
→ komen individuele hulpverlening niet altijd ten goede
⇒ hulpverlener is werknemer van de organisatie (organisatie draagt bevoegdheid voor
hulpverlening)
Door de bril van de samenleving
- invloed van algemene cultuur:
⇒ recht op welzijn van elke burger en plicht van samenleving om daarin te voorzien
VERSUS plicht tot integratie en participatie
→ maatschappij heeft plicht om te voorzien in nodige hulpverlenende voorzieningen
→ van hulpvragers wordt verwacht dat ze maatschappelijk integreren en participeren
(burgerlijke waarden)
⇒ wetenschappelijk methodisch VERSUS efficiënt/rationeel
→ hulpverleners moeten zakelijk en met kennis van zaken werken
- zowel wetenschappelijk-methodisch verantwoord, als organisatorisch efficiënt en
economisch rationeel
⇒ economisch verantwoord + efficiënte hulpverlening
→ gemaakte keuzes moeten professioneel en economisch afgewogen worden
3
, - invloed van de overheid
⇒ overheid als wetgevende, inrichtende en controlerende instantie
⇒ invloed op afbakening hulpvraag, definitie van hulpaanbod, en niveau van
organisatievorm
⇒ overheidsbeleid leidt tot definitie en financiering van erkenningsnormen en
-categorieën
⇒ subsidiepolitiek: garanties voor maatschappelijke continuering van hulpverlenende
voorzieningen
→ reductie is mogelijk (behoeften die door overheid niet als subsidieerbaar worden
erkend, worden niet gezien als echte behoeften)
⇒ overheid staat voor controle, rationalisatie, besparingen, herstructurering, fusies,
samenwerkingsverbanden, …
Conclusie: Geen neutrale hulpverlening
- circulaire kijk hebben op hulpverlening
⇒ er zijn verschillende actoren en invloeden
- er kunnen spanningen tussen verschillende actoren ontstaan (vb. andere verwachtingen)
- hulpverlening is een proces tussen vier actoren, die een eigen positie innemen, met een
aantal eigen mogelijkheden en beperkingen, en met soms botsende vragen en
verwachtingen
4
Hoofdstuk 1: Actoren bij het proces van
handelingsplanning
1.1 Kunnen we allemaal helpen?
- antwoord 1: JA, we kunnen allemaal helpen
⇒ voor-methodisch handelen
→ iedereen kan ‘iets’ doen, ook niet hulpverleners
→ gewone spontane dingen:
- intuïtie
- improviseren
- associëren
- nabootsen
- antwoord 2: NEE, we kunnen niet allemaal helpen
⇒ methodisch handelen (niet iedereen kan dit)
→ 3j studeren
→ ‘helpen’ is niet noodzakelijk ‘professioneel handelen’
→ wanneer wordt helpen ‘professioneel handelen’?
- beste ondersteuning: methodisch en voor-methodisch handelen combineren
- methodisch handelen (kennis over methodieken, …)
⇒ vertrekt vanuit ondersteuningsbehoefte:
→ persoon heeft bepaalde noden/behoeften die hij niet (zelfstandig) vervuld krijgt, maar
die met extra ‘zorg/ondersteuning’ eventueel kunnen ‘verholpen’ worden
- volstaan methodieken, vaardigheden en technieken?
⇒ maw:
→ wat is goed en zinvol?
→ wat beïnvloedt de keuze voor bepaalde methode?
→ is om het even welk resultaat goed?
→ wanneer spreekt men van succes?
Beïnvloedende factoren bij hulpverlening
- 1) methodisch: manier waarop hulpverlening vorm krijgt
⇒ Wat en hoe vragen in de ondersteuning (vb. Wat is de hulpvraag van de cliënt, hoe
kunnen we beantwoorden aan de ondersteuningsnood, …)
- 2) verwachtingen en idealen
⇒ waarom en waar naar toe vragen (vb. waarom is er hulp nodig, waar wil de cliënt naar
toe, …)
1
,1.2 Vier actoren van hulpverlening
- microniveau: hulpvrager en hulpverlener
- mesoniveau: organisatie
- macroniveau: samenleving
Hulp geven en hulp nemen ⇒ complex
gebeuren
- hulpverlening houdt meer in dan technisch-methodisch
aanbod
⇒ proces met verschillende, vaak diepmenselijke aspecten
⇒ heel wat vragen en verwachtingen lopen door elkaar
→ deze vragen en verwachtingen kunnen invloed hebben op concrete verloop, keuze van
technieken en middelen, en op resultaat van hulpverlening
Door de bril van de hulpvrager (en cliëntsysteem)
- twee spanningsvelden
⇒ 1) spanning tussen behoefte aan zelfbepaling/zelfrealisatie en situatie van onwelzijn
→ cliënt komt naar je toe, omdat hij in situatie van onwelzijn zit
⇒ 2) spanning tussen behoefte aan zelfbepaling/zelfrealisatie en afhankelijkheid van
hulpverlening
→ cliënt is afhankelijk van hulpverlening, maar kan wel zelf nog beslissingen nemen en
dingen zeggen
↓
- Resultaat: vragen waar andere actoren in hulpverlening bij moeten stilstaan (respect)
⇒ vb. hoe ervaart de hulpvrager zijn noodsituatie?
⇒ vb. hoe schat hij zijn positie in?
⇒ vb. hoe staat hij tegenover de hulpverlener en het hulpverlenend aanbod
Door de bril van de hulpverlener
- spanningsveld
⇒ spanning tussen individuele hulpvrager en hulpverlenende organisatie
- 1) Relatie met individuele hulpvrager (drie aspecten)
⇒ hulpverleners verkopen/schenken geen welzijn en geluk
→ voorwaarden en omstandigheden creëren, waarin hulpvrager op zoek kan naar welzijn
→ ontplooiingskansen creëren
→ begeleiden in zoektocht naar beter leven
⇒ asymmetrie in de relatie
→ hulpverlenen is geen proces tussen twee gelijke partners (hulpverlener versus -vrager)
→ afstandelijkheid versus inleven
- er is verbonden met hulpvrager, maar door asymmetrie blijft er afstandelijkheid
2
, - we kunnen ons nooit volledig inleven (we hebben de situatie nog nooit zelf
meegemaakt)
→ vrijwillig versus genoodzaakt
- hulpverlener biedt vrijwillig hulp aan
- hulpvrager is genoodzaakt om hulp te vragen (kan dingen niet zelfstandig)
⇒ hulpverlener zit in vertrouwenspositie en machtspositie (routine en categoriseren)
→ proberen zicht hebben op individuele ondersteuningsnoden
→ routine: proberen stapje terug te zetten (kijken of wat je doet, nog steeds werkt of
relevant is)
- 2) Relatie met hulpverlenende organisatie
⇒ hulpverlener mag zijn eigen persoon niet buiten spel zetten
⇒ sandwich gevoel: hulpverlener zit tussen hulpvrager en organisatie
Door de bril van de organisatie
- positieve rol
⇒ mogelijkheid voor hulpvrager om begeleiding te krijgen
⇒ ontmoetingsplaats voor hulpverleners (in hun gemeenschappelijke zorg voor
hulpvrager)
⇒ signaalfunctie naar samenleving (signalen over sociale problematiek, structurele
tekorten, … kunnen worden doorgegeven)
- negatief deel
⇒ organisaties hebben eigen doelstellingen (vb. financieel overleven)
→ komen individuele hulpverlening niet altijd ten goede
⇒ hulpverlener is werknemer van de organisatie (organisatie draagt bevoegdheid voor
hulpverlening)
Door de bril van de samenleving
- invloed van algemene cultuur:
⇒ recht op welzijn van elke burger en plicht van samenleving om daarin te voorzien
VERSUS plicht tot integratie en participatie
→ maatschappij heeft plicht om te voorzien in nodige hulpverlenende voorzieningen
→ van hulpvragers wordt verwacht dat ze maatschappelijk integreren en participeren
(burgerlijke waarden)
⇒ wetenschappelijk methodisch VERSUS efficiënt/rationeel
→ hulpverleners moeten zakelijk en met kennis van zaken werken
- zowel wetenschappelijk-methodisch verantwoord, als organisatorisch efficiënt en
economisch rationeel
⇒ economisch verantwoord + efficiënte hulpverlening
→ gemaakte keuzes moeten professioneel en economisch afgewogen worden
3
, - invloed van de overheid
⇒ overheid als wetgevende, inrichtende en controlerende instantie
⇒ invloed op afbakening hulpvraag, definitie van hulpaanbod, en niveau van
organisatievorm
⇒ overheidsbeleid leidt tot definitie en financiering van erkenningsnormen en
-categorieën
⇒ subsidiepolitiek: garanties voor maatschappelijke continuering van hulpverlenende
voorzieningen
→ reductie is mogelijk (behoeften die door overheid niet als subsidieerbaar worden
erkend, worden niet gezien als echte behoeften)
⇒ overheid staat voor controle, rationalisatie, besparingen, herstructurering, fusies,
samenwerkingsverbanden, …
Conclusie: Geen neutrale hulpverlening
- circulaire kijk hebben op hulpverlening
⇒ er zijn verschillende actoren en invloeden
- er kunnen spanningen tussen verschillende actoren ontstaan (vb. andere verwachtingen)
- hulpverlening is een proces tussen vier actoren, die een eigen positie innemen, met een
aantal eigen mogelijkheden en beperkingen, en met soms botsende vragen en
verwachtingen
4