Escrito por estudiantes que aprobaron Inmediatamente disponible después del pago Leer en línea o como PDF ¿Documento equivocado? Cámbialo gratis 4,6 TrustPilot
logo-home
Examen

Histologie volledig uitgewerkte open vragen

Puntuación
-
Vendido
-
Páginas
29
Grado
8-9
Subido en
08-02-2026
Escrito en
2023/2024

Volledig en gedetailleerd uitgeschreven open vragen van histologie 1e bachelor. Gebaseerd op lessen en boek. Gebruikt door veel vrienden.

Institución
Grado

Vista previa del contenido

HISTOLOGIE OPEN VRAGEN

Epitheel:

1) Bespreek de opbouw van een epitheelcel. Bespreek de verschillende celdomeinen en de
betrokken specialisaties.

Epitheel bestaat uit 1 of meerdere lagen van dicht opeengepakte epitheelcellen,
waartussen zich weinig extracellulaire matrix bevindt. De epitheelcellen zijn aan elkaar
gehecht door intercellulaire verbindingen en vormen zo een selectieve barrière.
Epitheelcellen zijn gepolariseerd. Het apicale deel (gericht naar de buitenwereld of het
lumen) van de cel verschilt functioneel van het basale deel (gericht naar het
onderliggende basaalmembraan). Aangezien het basale en laterale domein functioneel
gelijkaardig zijn worden ze het basolateraal domein genoemd. Dit domein wordt van het
apicale domein gescheiden door een zonula occludens.
Het apicale domein heeft 4 verschillende mogelijke oppervlaktespecialisaties.

Microvilli zijn vingervormige uitsteeksels van de plasmamembraan. Ze zorgen voor een
vergroting van oppervlakte, waardoor de uitwisseling van stoffen bevorderd wordt. Zo
hebben ze een belangrijke functie in de dunne darm, waardoor het apicale oppervlak
daar 15 tot 20 keer wordt vergroot. De microvilli hebben een beschermende laag, de
glycocalyx (die in de lcihtmicroscoop worden herkend als fuzzy rand of staafjeszoom)
die bestaat uit koolhydraatketens van membraaneiwitten en -lipiden. Hij speelt een rol
bij adhesie- en celherkenningsprocessen. In de microvilli komen actinefilamenten voor
die met actinebindende eiwitten bundels vormen voor stevigheid. Ze zijn onderling en
met het plasmamembraan verbonden. Aan de basis van de microvilli zijn de
microfilamenten verankerd in het terminaal web.

Stereocilia zijn een variant van de microvilli. Ze zijn langer en soms vertakt. Ze hebben
een slechter ontwikkelde actine ondersteuning en zijn statisch. Ze komen voor in
organen met zintuigfuncties, bv in de haarcellen van het inwendige oor waar ze
detectoren zijn van geluids- en evenwichtszin.

Cilia of trilharen zijn langgerekte uitsteeksels van het oppervlak van epitheelcellen en
kunnen een gecoördineerde slagbeweging uitvoeren. In plaats van statische
cytoskeletfilamenten bestaan ze dus uit microtubuli. Ze hebben centraal een paar van
microtubuli dat omgeven wordt door 9 andere paren. Ze zitten vast op een basaal
lichaampje in het terminaal web. Dit lichaampjes heeft een centrioolstructuur. De cilia
kunnen een slagbeweging uitvoeren door de verschuiving van microtubuli tegenover
elkaar. Nexine zal de doubletten verbinden, en dyneïne zorgt door koppeling en
ontkoppeling met naastliggende microtubuli voor de ‘wandeling’ van de microtubuli.
Hierbij wordt ATP verbruikt. Zo kunnen vloeistoffen of slijm met vaste deeltjes
verschuiven. Dit heeft onder andere belang in de luchtwegen.

Flagellen komen enkel voor bij spermatozoa, en zijn dus geen oppervlaktespecialisatie
van de epitheelcellen. Ze hebben eenzelfde structuur als ciliën, maar zijn langer en
hebben een ander bewegingspatroon.
Het laterale celdomein zorgt voor de intercellulaire verbindingen. De goede afsluiting
zal zorgen voor een gecontroleerde uitwisseling van stoffen. Occludensverbindingen
zorgen voor afsluiting van intercellulaire ruimten, adhaerensverbindingen zorgen voor
aanhechting en nexusverbindingen voor communicatie. Naast functie kan je de
verbindingen ook indelen naargelang hun vorm. Bij ronde of puntvromige verbindingen
spreken we van macula, bij bandvormige verbindingen van zonula en bij onregelmatige
verbindingen van fascia.

Zonula occludens (tight junctions) verbinden 2 membranen van 2 cellen, zodat er geen
stofuitwisseling kan gebeuren naar boven of beneden. Paracellulair transport is nu
onmogelijk. Ze komen voor in een band rond het apicale deel van de cel. Buitenbladen
van naastliggende cellen zijn dan met elkaar versmolten.

, Zonula adhaerens vormen een bandvormige zone rond het apicale deel van de cel. Ze
worden ondersteund door celadhaesieproteïnen, cadherinen, die de plasmamembranen
van naburige cellen aan elkaar hechten. Deze CAM’s zijn aan de cytoplasmatische zijde
via actinefilamenten verbonden aan het apicale terminaal web.

De macula adhaerens (desmosomen) zijn stevige structuren. Ze bestaan ook uit
cadherinen, hier vooral desmogleïnen. Deze hechten de intermediaire filamenten. Bij
epithelen zijn dat keratinefilamten. De hechtingseiwitten vormen elektronendichte
intercellulaire plaques. Ze voorzien mechanische stabiliteit.

Nexusverbindingen (gap junctions) zijn communicatiekanalen tussen epitheelcellen. Ze
bestaan uit intramembraneuze eiwitpartikels die in de plasmamembraan gerangschikt
zijn in eiwitcomplexen (connexonen). Ze zorgen voor celuitwisseling van
laagmoleculaire stoffen.

2) Bespreek meerlagig verhoornd plaveiselepitheel op LM en EM niveau.

Lichtmicroscopisch zie je een nauw aansluitende laag van dicht opeengepakte cellen. Dit
komt door de lage hoeveelheid extracellulaire matrix in epithelen. We kunnen verschillende
lagen onderscheiden. Tegen de lamina basalis zien we het stratum basale. Dit zijn kubische
stamcellen die constant delen en zo de dochtercellen naar boven duwen. Vervolgens zie je
het stratum spinosum (de stekellaag). Je herkent hier polygonale cellen, waarbij je met de
lichtmicroscoop eventueel cytoplasmabrugjes kunt waarnemen. Deze brugjes zijn eigenlijk
artefacten die ontstaan door krimping tijdens de voorbereiding van weefsel. In werkelijkheid
verbinden desmosomen deze cellen, wat in de EM zichtbaar is.

De volgende laag is het stratum granulosum. Je zien 2 of 3 cellagen van gekernde cellen die
duidelijk keratohyaliene korrels bevatten. Dit is zowel LM als EM zichtbaar. De volgende laag,
het stratum lucidum, is een dunne eosiene laag, die iets lichter is. Ze is enkel zichtbaar bij
sterk verhoornde epithelen. In de LM is hier weinig detail waar te nemen. Onder de EM zien
we wel kleine spleten tussen de cellen die gevuld zijn met interstitiële vloeistof. Het stratum
corneum is een dikke eosiene laag waarbij we afgeplatte kernloze cellen kunnen waarnemen.
De celgrenzen zijn echter niet zichtbaar. Het stratum discutivum zijn loskomende cellen van
de hoornlaag, te zien als schilfers. Je kan op LM en op EM niveau dezelfde lagen waarnemen.
Het basaalmembraan is onder de EM echter te onderscheiden in de lamina reticularis en de
lamina basalis. Onder de LM zie je enkel een dun laagje dat het epitheel van het
onderliggende bindweefsel scheidt.

3) Bespreek de opbouw van een meerlagig onverhoornd plaveiselepitheel en geef de
verschillen met een verhoornd meerlagig plaveiselepitheel.

Meerlagige plaveiselepithelen zijn opgebouwd uit keratinocyten. Door constante
opstapeling van deze keratinefilamenten worden de epithelen gekeratiniseerd. De
cellen platten af naarmate ze het oppervlak bereiken, waardoor plaveiselcellen
aan het oppervlak te vinden zijn. We onderscheiden verhoornd en onverhoornd
meerlagig plaveiselepitheel. Functioneel is bij onverhoornd plaveiselepitheel het
oppervlak vochtig (vb mond, slokdarm, vagina, …) en bij verhoornde
plaveiselepithelen is het oppervlak droog (vb de huid).

De onderste laag van alle meerlagige plaveiselepithelen, gelegen op het lamina
basalis, is het stratum basale. Deze bestaat uit kubische cellen die constant delen
en zo de bovenliggende cellagen naar het oppervlak duwen. Hierna is het stratum
spinosum, een laag van polygonale cellen. Bij onverhoornd meerlagig
plaveiselepitheel is de volgende laagde meest oppervlakkige laag, namelijk het
stratum superficiale. Dit is een laag van afgeplatte cellen met een sterk afgeplatte
kern (plaveiselcellen dus). Deze laag bestaat dus nog steeds uit levende cellen.
Na het stratum spinosum bij verhoornde plaveiselepithelen komen we nog de
strata granulosum (epitheelcellen met granulen met lipidenrijke inhoud) en
lucidum tegen. Deze worden gevolgd door de hoornlaag (stratum corneum),
welke een straat is van dode, en dus kernloze cellen. Wanneer de lipidenrijke
inhoud van de granulen uit de stratum granulosum in de intercellulaire ruimte
terechtkomt door exocytose, zal een waterafstotende laag gevormd worden.

, Water en andere voedingsstoffen kunnen dus de bovenliggende lagen niet meer
bereiken waardoor deze cellen zullen sterven. In de keratinocyten thv het
binnenste celmembraan worden eiwitten gehecht die een barrière vormen die
voor water en voedingsstoffen ondoordringbaar is (de cornified envelope). Dit
versnelt de celdood in de bovenliggende cellagen. Bij verhoornd plaveiselepitheel
heb je als laatste laag de stratum disjunctivum, waarbij de dode cellen van de
hoornlaag loskomen als schilfers.

4) Bespreek de indeling van de klierepithelen.

Klierepithelen worden ingedeeld op basis van hun bouw, de ontstaanswijze, het type secreet
en de wijze waarop secretieproducten de cel verlaten.

Naar ontstaans- en secretiewijze worden klierepithelen verdeeld in exocriene en endocriene
klieren. Bij de embryonale ontwikkeling zullen de epitheelcellen van bedekkende epithelen
ontstaan door proliferatie en uitstulping van de epitheelcellen in het onderliggende
bindweefsel, waarna ze differentiëren. Zo ontstaat ofwel de exocriene klier ofwel de
endocriene klier. Bij exocriene klieren wordt een verbinding met het oppervlakte-epitheel
behouden via afvoergangen. Hierdoor wordt secreet afgevoerd naar de buitenwereld. We
onderscheiden unincellulaire en multicellulaire klieren, waarbij de laatste nog worden
opgedeeld in enkelvoudige en samengestelde klieren. Multicellulaire klieren kan je opdelen
naargelang hun vorm in tubulaire, acinaire en tubulo-acinaire klieren. Endocriene klieren
ontstaat ook door afdaling van epitheelcellen in het bindweefsel, maar deze cellen verliezen
het contact met het epitheel. Ze hebben geen afvoergangen dus het secreet komt terecht in
extracellulair vocht en wordt door de bloedbaan afgevoerd. Gemengde klieren komen ook
voor. Deze klieren hebben een exocrien en endocrien deel. De pancreas is hier een voorbeeld
van.

Als we klieren opdelen naargelang het type secreet, heb je muceuze, sereuze en
seromuceuze klieren. Sereuze klieren produceren een sereus product dat voornamelijk
eiwitrijk is. Ze hebben een uitgebreid RER en een goed ontwikkeld Golgi-complex. Muceuze
klieren secreteren een muceus product dat voornamelijk uit glycoproteïnen bestaat met een
relatief hoog gehalte aan suikergroepen. Ze hebben een uitgebreid RER aan de basale kant
van de cel, en mucus opgestapeld in het apicale celgedeelte. Hun celkern is basaal
weggedrukt.

Klieren worden verder ingedeeld naargelang de wijze waarop de secretieproducten de cel
verlaten. De merocriene (eccriene) wijze komt het meest voor. Hierbij is continue secretie
mogelijk. Ze verzamelen het secreet in weinig secretiegranula. De granula worden
uitgescheden aan het epicale celmembraan via een proces vergelijkbaar met exocytose. De
cel wordt niet beschadigd. Bij de apocriene secretiewijze verzamelen de kliercellen
secreetproduct nabij de celapex, waarna het secreet samen met het apicale celdeel worden
afgesnoerd. Er is dus verlies van een deel cytoplasma en celmembraan. Herstel treedt echter
snel op zodat continue secretie mogelijk blijft. Bij holocriene klieren wordt het
secreetproduct verzameld in het gehele cytoplasma waardoor de cel zal openbarsten en
afsterven.

Bij de endocriene klieren zullen de kliercellen in strengen gelegen zijn of rondom een holte.
Het secreet zal dan ophopen voordat het wordt afgegeven aan de bloedbaan. Bovendien
kunnen de steroïdhormoonproducerende cellen opgeslagen worden in de cellen.


Bindweefsels:

5) Bespreek de opbouw van de grondsubstantie.

De grondsubstantie vult de ruimte tussen de cellen en vezels van het bindweefsel. Ze heeft
een hoge viscositeit en bestaat uit vaste componenten namelijk de proteoglycanen, de
glycoproteïnen en de watermoleculen die aan de grondsubstantie gebonden zijn. De
proteoglycanen bestaan uit eiwitketens met daaraan gebonden glycosaminoglycanen. De
glycosaminoglycanen zijn lineaire polysacchariden, opgebouwd uit lange ketens van
disacchariden, en zijn zeer hydrofiel (ze trekken door hun negatieve lading veel kationen en
water aan). De binding van water aan de glycosaminoglycanen bepaalt de resistentie van de
bindweefsels tegen drukkrachten. Hyaluronzuur is een ongesulfateerd GAG en zal de

Escuela, estudio y materia

Institución
Estudio
Grado

Información del documento

Subido en
8 de febrero de 2026
Número de páginas
29
Escrito en
2023/2024
Tipo
Examen
Contiene
Preguntas y respuestas

Temas

$11.70
Accede al documento completo:

¿Documento equivocado? Cámbialo gratis Dentro de los 14 días posteriores a la compra y antes de descargarlo, puedes elegir otro documento. Puedes gastar el importe de nuevo.
Escrito por estudiantes que aprobaron
Inmediatamente disponible después del pago
Leer en línea o como PDF

Conoce al vendedor
Seller avatar
julieleiz

Conoce al vendedor

Seller avatar
julieleiz Universiteit Antwerpen
Seguir Necesitas iniciar sesión para seguir a otros usuarios o asignaturas
Vendido
-
Miembro desde
5 meses
Número de seguidores
1
Documentos
8
Última venta
-

0.0

0 reseñas

5
0
4
0
3
0
2
0
1
0

Por qué los estudiantes eligen Stuvia

Creado por compañeros estudiantes, verificado por reseñas

Calidad en la que puedes confiar: escrito por estudiantes que aprobaron y evaluado por otros que han usado estos resúmenes.

¿No estás satisfecho? Elige otro documento

¡No te preocupes! Puedes elegir directamente otro documento que se ajuste mejor a lo que buscas.

Paga como quieras, empieza a estudiar al instante

Sin suscripción, sin compromisos. Paga como estés acostumbrado con tarjeta de crédito y descarga tu documento PDF inmediatamente.

Student with book image

“Comprado, descargado y aprobado. Así de fácil puede ser.”

Alisha Student

Preguntas frecuentes