Statistiek
LES 2: 24/09 Hoofdstuk 1 De statistiek in het onderzoek
1. Belangrijke begrippen
→ kwaliteitsvol onderzoek – voorwaarden van Brinkman
→ onderzoeksfasen – operationalisering
→ experiment – correlationeel onderzoek – kwalitatief – kwanitatief
→ variabele – AV – OV – covariaat
→ causaliteit – criteria van Hume & Mill
→ populatie – steekproef – steekproeftrekkingen
→ beschrijvende statistiek – inductieve/verklarende statistiek
2. Wat is statistiek?
→ statistiek = wetenschap van
o Het verzamelen van gegevens
o Het classificeren van gegevens
o Het samenvatten van gegevens
o Het organiseren van gegevens
o Het analyseren van gegevens
o Het interpreteren van gegevens
→ Gegevens worden verzameld via een steekproef uit een populatie
- Steekproef = een selectie uit de populatie met: n =
steekproefgrootte
- Populatie = de bestudeerde groep met: N = populatieomvang
→ gegevens worden bestudeerd via beschrijvende en/of inductieve
statistiek
- Beschrijvende statistiek
o Kenmerken van steekproefgegevens samenvatten
o Uitspraken beperken tot de steekproef
- Inductieve statistiek
o Kenmerken van steekproefgegevens gebruiken als
schattingen voor populatiekenmerken
o Uitspraken veralgemenen naar populatie
o Veralgemenen => onzekerheden (= kansuitspraken)
3. Wat is onderzoek
→ soorten onderzoek
A) Experiment => overgang naar praktijk wordt vaak in twijfel
getrokken => de losse structuur van de manier van onderzoek
Vb: krantenartikel over ijsjes als ontbijt maakt je slimmer
= illustratie van soorten onderzoek
= een ruw experiment → controle uitvoeren !!!
, - Gaan impact van die manipulaties (OV) meten + gaan
analyseren of mijn AV afhankelijk is van datgene dat we
gemanipuleerd hebben 7
Toegepast op vb:
- 3 condities = soorten manipulatie die later invloed hebben op
intelligentie (= OV)
o Ijsje als ontbijt (= experimentele conditie)
o Geen ontbijt (= controle conditie)
Verschil experimentele conditie = iets vs niets
o Koud glas water (= controle conditie)
Verschil experimentele conditie = textuur ijsje
(suiker)
Gemeenschappelijk = de verfrissing
= beredeneerde keuzes
- Wat gaan we juist meten?
o Experiment = na het ontbijt krijgen ze vragen en die
zijn juist of fout of met een bepaalde snelheid (= AV)
2 metingen = juist/fout en snelheid
Snelheid = hoe snel kan je de info verwerken +
toepassen?
=> betere keuze = combinatie van beide (snel en juist)
+ brengt meer te weeg in het meten van intelligentie
Resultaten:
Ijsje is beter dan geen ontbijt, maar ijsje eten is gelijk
aan koud glas water => iets eten is mss beter dan niets
Ijsje, dan ben je sneller dan koud glas water en geen
ontbijt
Pijnpunten:
Intelligentie is meer dan enkel vraagstukken oplossen:
visueel inzicht, logisch redeneren, feitenkennis ...
Kijken naar suikerwaarde: extra conditie suikervrij ijsje
=> suiker heeft op korte termijn een invloed
Variabele = een verzameling van themathische gerelateerde informatie
o Onafhankelijke variabelen
o Afhankelijke variabelen
Resultaten = zorgt een bepaalde conditie voor een aantoonbare wijziging
in de metingen? = interpretatie waarin een verband tussen AV en OV
wordt nagegaan
,B) Correlationeel onderzoek: vb surveyonderzoeken (= enquête)
= studies waarbij je variabelen in verband gaat brengen
Belangrijkste kenmerk = meten!! (bestaat enkel uit afhankelijke
variabel)
- Gaan OV in verband stellen met covariaten = variabelen
bestaande uit metingen, cases, deelnemers ...
- Kenmerken waar mensen in verschillen => die in verband
brengen
Toegepast op vb
- Werken met een vragenlijst: wat heeft u ontbeten?
Structuur geven/ beoordelen → werken met nutriscore =
inschatting van hoe gezond jouw deelnemers eten
- Werken met uitgebreidere intelligentie vragenlijst
Vb: CoVaT-CHC: brengt een fijtmatigere analyse van
intelligentie in kaart + beter dan in een experiment =>
houdt rekening met de complexiteit van intelligentie
o Referentiepunt van IQ = 100
= afhankelijk van jouw leeftijd scoor jij gemiddeld
= zit je daar boven = boven gemiddeld intelligent
= zit je daar onder = onder gemiddeld intelligent
=> altijd relatief ten opzichte van jouw leeftijdsgroep
- Resultaten:
→ geeft per deelnemer 2 resultaten: meting nutriscore +
meting IQ
→ deelnemers zijn individuen + zegt niets over het verband
ts beide
→ grote lijst van deelnemers nodig: vaak 100-200
deelnemers
= duidelijke verbanden in kaart te kunnen brengen
=> Positief verband tussen gezondheid van maaltijd en hun
IQ
=> het ene veroorzaakt het ander niet, mag je ook niet
vanuit gaan
= eerder een verklaring voor de ene variabele + niets aan
het controleren en variabele op zelfde moment aan het
meten
, → Soorten verbanden
- Verband = uitspraak waarin de relatie tussen variabelen wordt
uitgedrukt
- 4 mogelijke manieren om dat positief verband te gaan
interpreteren
- X = gezondheid van ontbijt, nutriscore
- Y = intelligentie van deelnemer (gemeten door CoVaT-CHC)
→ direct causaal verband: Gezond ontbijten maakt slimmer
= het een beïnvloed het ander in een bepaalde richting
- Criteria van Hume & Mill: welke variabele is nu meer oorzaak?
= basisprincipes, kenmerken die je op variabele gaat
toepassen (3)
1) Chronologisch verloop: wat was er eerst? Wat vond er eerst
plaats in de tijd?
2) Belang van controleconditie: altijd een nul- basismeting
nodig
= meting die uitgaat van minimalistische
Als gevolg niet plaats vindt dan is er geen oorzaak
- Experimenteel onderzoek: vrij intuïtief => altijd
controlecondities
- Correlationeel onderzoek = moeilijker, kan geen
controle uitoefenen => je gaat gewoon meten +
controle loslaten
3) Geen indirecte verbanden
= er zijn geen alternatieve verklaringen
= afhankelijk van de kwaliteit van het onderzoek
(BRINKMAN)
→ niet doen alsof jouw experiment het beste is, want dat is
het niet
LES 2: 24/09 Hoofdstuk 1 De statistiek in het onderzoek
1. Belangrijke begrippen
→ kwaliteitsvol onderzoek – voorwaarden van Brinkman
→ onderzoeksfasen – operationalisering
→ experiment – correlationeel onderzoek – kwalitatief – kwanitatief
→ variabele – AV – OV – covariaat
→ causaliteit – criteria van Hume & Mill
→ populatie – steekproef – steekproeftrekkingen
→ beschrijvende statistiek – inductieve/verklarende statistiek
2. Wat is statistiek?
→ statistiek = wetenschap van
o Het verzamelen van gegevens
o Het classificeren van gegevens
o Het samenvatten van gegevens
o Het organiseren van gegevens
o Het analyseren van gegevens
o Het interpreteren van gegevens
→ Gegevens worden verzameld via een steekproef uit een populatie
- Steekproef = een selectie uit de populatie met: n =
steekproefgrootte
- Populatie = de bestudeerde groep met: N = populatieomvang
→ gegevens worden bestudeerd via beschrijvende en/of inductieve
statistiek
- Beschrijvende statistiek
o Kenmerken van steekproefgegevens samenvatten
o Uitspraken beperken tot de steekproef
- Inductieve statistiek
o Kenmerken van steekproefgegevens gebruiken als
schattingen voor populatiekenmerken
o Uitspraken veralgemenen naar populatie
o Veralgemenen => onzekerheden (= kansuitspraken)
3. Wat is onderzoek
→ soorten onderzoek
A) Experiment => overgang naar praktijk wordt vaak in twijfel
getrokken => de losse structuur van de manier van onderzoek
Vb: krantenartikel over ijsjes als ontbijt maakt je slimmer
= illustratie van soorten onderzoek
= een ruw experiment → controle uitvoeren !!!
, - Gaan impact van die manipulaties (OV) meten + gaan
analyseren of mijn AV afhankelijk is van datgene dat we
gemanipuleerd hebben 7
Toegepast op vb:
- 3 condities = soorten manipulatie die later invloed hebben op
intelligentie (= OV)
o Ijsje als ontbijt (= experimentele conditie)
o Geen ontbijt (= controle conditie)
Verschil experimentele conditie = iets vs niets
o Koud glas water (= controle conditie)
Verschil experimentele conditie = textuur ijsje
(suiker)
Gemeenschappelijk = de verfrissing
= beredeneerde keuzes
- Wat gaan we juist meten?
o Experiment = na het ontbijt krijgen ze vragen en die
zijn juist of fout of met een bepaalde snelheid (= AV)
2 metingen = juist/fout en snelheid
Snelheid = hoe snel kan je de info verwerken +
toepassen?
=> betere keuze = combinatie van beide (snel en juist)
+ brengt meer te weeg in het meten van intelligentie
Resultaten:
Ijsje is beter dan geen ontbijt, maar ijsje eten is gelijk
aan koud glas water => iets eten is mss beter dan niets
Ijsje, dan ben je sneller dan koud glas water en geen
ontbijt
Pijnpunten:
Intelligentie is meer dan enkel vraagstukken oplossen:
visueel inzicht, logisch redeneren, feitenkennis ...
Kijken naar suikerwaarde: extra conditie suikervrij ijsje
=> suiker heeft op korte termijn een invloed
Variabele = een verzameling van themathische gerelateerde informatie
o Onafhankelijke variabelen
o Afhankelijke variabelen
Resultaten = zorgt een bepaalde conditie voor een aantoonbare wijziging
in de metingen? = interpretatie waarin een verband tussen AV en OV
wordt nagegaan
,B) Correlationeel onderzoek: vb surveyonderzoeken (= enquête)
= studies waarbij je variabelen in verband gaat brengen
Belangrijkste kenmerk = meten!! (bestaat enkel uit afhankelijke
variabel)
- Gaan OV in verband stellen met covariaten = variabelen
bestaande uit metingen, cases, deelnemers ...
- Kenmerken waar mensen in verschillen => die in verband
brengen
Toegepast op vb
- Werken met een vragenlijst: wat heeft u ontbeten?
Structuur geven/ beoordelen → werken met nutriscore =
inschatting van hoe gezond jouw deelnemers eten
- Werken met uitgebreidere intelligentie vragenlijst
Vb: CoVaT-CHC: brengt een fijtmatigere analyse van
intelligentie in kaart + beter dan in een experiment =>
houdt rekening met de complexiteit van intelligentie
o Referentiepunt van IQ = 100
= afhankelijk van jouw leeftijd scoor jij gemiddeld
= zit je daar boven = boven gemiddeld intelligent
= zit je daar onder = onder gemiddeld intelligent
=> altijd relatief ten opzichte van jouw leeftijdsgroep
- Resultaten:
→ geeft per deelnemer 2 resultaten: meting nutriscore +
meting IQ
→ deelnemers zijn individuen + zegt niets over het verband
ts beide
→ grote lijst van deelnemers nodig: vaak 100-200
deelnemers
= duidelijke verbanden in kaart te kunnen brengen
=> Positief verband tussen gezondheid van maaltijd en hun
IQ
=> het ene veroorzaakt het ander niet, mag je ook niet
vanuit gaan
= eerder een verklaring voor de ene variabele + niets aan
het controleren en variabele op zelfde moment aan het
meten
, → Soorten verbanden
- Verband = uitspraak waarin de relatie tussen variabelen wordt
uitgedrukt
- 4 mogelijke manieren om dat positief verband te gaan
interpreteren
- X = gezondheid van ontbijt, nutriscore
- Y = intelligentie van deelnemer (gemeten door CoVaT-CHC)
→ direct causaal verband: Gezond ontbijten maakt slimmer
= het een beïnvloed het ander in een bepaalde richting
- Criteria van Hume & Mill: welke variabele is nu meer oorzaak?
= basisprincipes, kenmerken die je op variabele gaat
toepassen (3)
1) Chronologisch verloop: wat was er eerst? Wat vond er eerst
plaats in de tijd?
2) Belang van controleconditie: altijd een nul- basismeting
nodig
= meting die uitgaat van minimalistische
Als gevolg niet plaats vindt dan is er geen oorzaak
- Experimenteel onderzoek: vrij intuïtief => altijd
controlecondities
- Correlationeel onderzoek = moeilijker, kan geen
controle uitoefenen => je gaat gewoon meten +
controle loslaten
3) Geen indirecte verbanden
= er zijn geen alternatieve verklaringen
= afhankelijk van de kwaliteit van het onderzoek
(BRINKMAN)
→ niet doen alsof jouw experiment het beste is, want dat is
het niet