Fundamentele wijsbegeerte
Inleiding:
1. Plato’s grot
2. Filosofie en ideologie
3. De historiciteit van de filosofie
4. Een filosofische canon
Oudheid:
§ van mythos naar logos
§ natuurfilosofen (Heraclitus & Parmenides)
§ °ethiek (sofisten en Socrates)
§ systeembouwers (Plato & Aristoteles)
§ late oudheid (stoa, epicurisme, neoplatonisme)
Middeleeuwse filosofie
Augustinus
Herontdekking Aristoteles
Aristotelische conflictstof
Thomas van Aquino
Willem van Ockham
Moderniteit
Godsdienstoorlogen
Nieuwe wetenschap (Bacon)
Opmars van het subject
Wijsbegeerte ten dienste van wetenschap en subject
Rationalisme (descartes)
Empirisme en scepticisme (Locke en Hume)
Kritisch idealisme (kant)
Absoluut idealisme (hegel)
Historisch materialisme (marx)
Einde moderniteit
§ revolutie, grenzen geloof in wetenschap & onttroning subject
§ hedendaagse continentale wijsbegeerte
§ nihilisme (Nietzsche)
§ fenomenologie (Husserl)
§ existentiële fenomenologie (Heidegger)
§ existentialisme (Sartre)
§ deconstructie (Derrida)
§ hedendaagse analytische wijsbegeerte
1
, § Wittgenstein I & II
Wetenschapsfilosofie
§ neopositivisme (Wiener Kreis)
§ falsificatiebeginsel (Popper)
§ paradigmaleer (Kuhn)
§ epistèmèleer (Foucault)
Antropologie
DEEL 2 wijsbegeerte als historisch-hermeneutische wetenschap
Hermeneutiek
§ ontstaan van de hermeneutiek als wetenschap
§ het historische verstaan in de geesteswetenschappen
Uit-leiding: is dit het einde?
§ postmodernisme
§ einde van de geschiedenis?
2
, Inleiding
Plato’s grot Wereldbeelden
§ filosofie vertrekt vanuit de verwondering: je kijkt om je heen en denkt. § bestaanshorizon waarin we zijn ‘geworpen’ (geboren op bepaalde plaats)
§ actief en passief: soms enkel kijken soms onderzoekend en nadenkend § voor ons gekozen: we kiezen geen wereldbeeld het is er al
§ voorwerp van verwondering = alles: alles om je heen kan je nieuwsgierig § slechts gedeeltelijk expliciteerbaar:een deel van wereldbeeld is uitlegbaar
maken § veranderlijk:
§ wereld is vooraf geordende structuur: alles heeft een logische volgorde § revoluties
§ ‘tweede natuur’ wordt het voorwerp van kritische reflectie: dingen die je § avant-garde (nieuwe denkers/ kunstenaars)
normaal vindt ga je kritisch bekijken § breuken
§ “waarom?” “daarom!” vs. de blik van het kind: filosofie betekent vragen § wijsbegeerte vs. Wereldbeeld (filo onderzoekt wereldbeeld)
blijven stellen net zoals een kind dat nieuwsgierig is § conservatief-legitimerend (wereldbeeld kan ideeën/macht verdedigen
§ kritisch-progressief (filo wil kritisch zijn en nieuwe inzichten brengen)
Filosofie en Ideologie
§ filosofie = wetenschap Canon
§ argumentatie § ‘maatstaf’ : canon is een standaard of lijst van wat belangrijk of
§ technisch vocabularium waardevol wordt gevonden
§ stelling poneren § historisch bepaald, maar ook legitiem: wat in de canon zit komt uit een
§ verwondering blijft in het spel bepaalde tijd maar hheeft nog steeds een waarde
§ filosofie stelt zich open § zelfkritisch vs. Canoniek: Filosofie moet zowel kritisch nadenken over de
§ ruimte voor kritiek en vragen canon als erkennen wat ze ervan kan leren.
§ vs. Ideologie: legt vaste ideeën op die niet ter discussie staan § kritiek
§ definitieve zekerheden § inhoudelijk: Je kunt de inhoud bekritiseren: wat er precies in de canon
§ conservatief: dingen houden zoals ze zijn staat
§ ‘verfijning’: mooier maken van iets wat niet ter discussie staat § formeel: Of je kunt de vorm bekritiseren: wie bepaalt eigenlijk wat er
in de canon komt?
Historiciteit van de filosofie => verleden hoeft niet afgewezen te worden: Je mag kritisch zijn, maar je
§ spatio-temporele context: filosofie ontstaat op een bepaalde plaats hoeft het verleden niet zomaar weg te gooien — je kunt eruit leren
(spatio) in een bepaalde tijd (tempreel)
vragen en antwoorden veranderen voortdurend
§ filosofie is wezenlijk historisch: filo groeit en veranderd met geschiedenis
Hegel: “Die Philosophie ist ihre Zeit in Gedanken erfasst.” (filosofie drukt de
geest of ideeën van haar tijd uit in gedachten
3
, § ook de interpretatie is historisch bepaald: hoe wij oude filosofen
begrijpen hangt af van onze tijd en blik
§ historisch object (geschiedenis) én subject (deel van geschiedenis)
geen objectieve maatstaf (geen neutrale maatstaf)
DEEL 1: Lotgevallen van de filosofische rationaliteit
H1 Wijsbegeerte binnen de antieke bestaanshorizon (6e eeuw v.C – 6e eeuw n.C)
1. Het ontstaan van de wijsgerige rationaliteit
1.1 Van mythos naar logos 1.2 De natuurfilosofen: het ontstaan van een kosmologie
§ mythos, verhaal - Parmenides: het zijnde is
§ grond-leggende gebeurtenis Is het of is het niet
§ niet kritisch Volgens hem is alleen “het is” mogelijk -> “het is niet” kan niet
§ normatief & legitimerend
§ cultuurschok 6de eeuw § “Dat het is, en dat het onmogelijk is dat het niet is.”
§ contact vreemde volkeren wordt het godenbeeld menselijker (antropomorfisme) § “Het zijnde is, het niet-zijnde is niet.”
§ mondelinge naar schriftelijke cultuur § zijnde
§ daardoor kritiek op mythe § niet ontstaan
§ logos (rede) neemt het verklaren over door denken en uitleg § ondeelbaar
§ onbeweeglijk en begrensd
§ zo evolueerde mythos -> mytho-logie -> logos § Volmaakt
§ de natuur werdt ontheiligd (desacralisering: men zag haar niet langer als goddelijk, § bolvormig
maar als iets wat onderzocht kan worden 1.3 Het ontstaan van ethiek
§ theoria = beschouwing en onderzoek -> het begin van filosofie Ethiek
dit wordt het ‘Griekse wonder’ genoemd: het ontstaan van kritisch, rationeel § kritiek mythe en desacralisering
denken Mensen beginnen na te denken in plaats van alles te geloven wat mythen zeggen.
1.2 De natuurfilosofen: het ontstaan van een kosmologie Desacralisering = het loslaten van het heilige: dingen worden rationeel en
De filosofie van het worden menselijk verklaard ipv door goden
- HERACLITUS: alles vloeit § Physis (van nature), natuur vs. Nomos (wat door de mens is gemaakt), wet, cultuur
§ “Alles vloeit, niets blijft.” – cratylus/Heraclitus § ° democratie: macht gaat van de koning of goden naar het volk
Alles verandert, niet is blijvend. De werkelijkheid is in beweging § † bloedwraak: oude gewoonte: als iemand je familielid doodt, neem je zelf wraak
§ permanente flux -> stroming -> in ethisch denken wordt dit afgekeurd, rechtspraak vervangt wraak
Alles is in voortdurende verandering, net als een rivier § phulai (oude stamstructuren) -> dèmoi (nieuwe indeling op basis van
die blijft stromen. woonplaats)
§ “Oorlog is de vader van alle dingen.” § ethisch vacuüm: een tijd zonder vaste waarden of normen
Tegenstellingen zorgen samen voor harmonie en
verandering -> ze vormen de wereld Sofisten
§ conflict = constitutief § rondtrekkende leraren
Strijd tss tegengestelden is niet slecht maar juist nodig: § ‘democratisch’ Athene
zonder spanning geen bestaan § logos (=rede, argumentatie, taal) -> mono-loog (alleen je eigen gelijk willen halen)
- Plato: de echt werkelijkheid ligt elders (in de ideeënwereld), de zintuigen misleiden ons § Opportunisme (zeggen wat je uitkomt, zonder principes) vs. gefundeerd relativisme (=
4
Inleiding:
1. Plato’s grot
2. Filosofie en ideologie
3. De historiciteit van de filosofie
4. Een filosofische canon
Oudheid:
§ van mythos naar logos
§ natuurfilosofen (Heraclitus & Parmenides)
§ °ethiek (sofisten en Socrates)
§ systeembouwers (Plato & Aristoteles)
§ late oudheid (stoa, epicurisme, neoplatonisme)
Middeleeuwse filosofie
Augustinus
Herontdekking Aristoteles
Aristotelische conflictstof
Thomas van Aquino
Willem van Ockham
Moderniteit
Godsdienstoorlogen
Nieuwe wetenschap (Bacon)
Opmars van het subject
Wijsbegeerte ten dienste van wetenschap en subject
Rationalisme (descartes)
Empirisme en scepticisme (Locke en Hume)
Kritisch idealisme (kant)
Absoluut idealisme (hegel)
Historisch materialisme (marx)
Einde moderniteit
§ revolutie, grenzen geloof in wetenschap & onttroning subject
§ hedendaagse continentale wijsbegeerte
§ nihilisme (Nietzsche)
§ fenomenologie (Husserl)
§ existentiële fenomenologie (Heidegger)
§ existentialisme (Sartre)
§ deconstructie (Derrida)
§ hedendaagse analytische wijsbegeerte
1
, § Wittgenstein I & II
Wetenschapsfilosofie
§ neopositivisme (Wiener Kreis)
§ falsificatiebeginsel (Popper)
§ paradigmaleer (Kuhn)
§ epistèmèleer (Foucault)
Antropologie
DEEL 2 wijsbegeerte als historisch-hermeneutische wetenschap
Hermeneutiek
§ ontstaan van de hermeneutiek als wetenschap
§ het historische verstaan in de geesteswetenschappen
Uit-leiding: is dit het einde?
§ postmodernisme
§ einde van de geschiedenis?
2
, Inleiding
Plato’s grot Wereldbeelden
§ filosofie vertrekt vanuit de verwondering: je kijkt om je heen en denkt. § bestaanshorizon waarin we zijn ‘geworpen’ (geboren op bepaalde plaats)
§ actief en passief: soms enkel kijken soms onderzoekend en nadenkend § voor ons gekozen: we kiezen geen wereldbeeld het is er al
§ voorwerp van verwondering = alles: alles om je heen kan je nieuwsgierig § slechts gedeeltelijk expliciteerbaar:een deel van wereldbeeld is uitlegbaar
maken § veranderlijk:
§ wereld is vooraf geordende structuur: alles heeft een logische volgorde § revoluties
§ ‘tweede natuur’ wordt het voorwerp van kritische reflectie: dingen die je § avant-garde (nieuwe denkers/ kunstenaars)
normaal vindt ga je kritisch bekijken § breuken
§ “waarom?” “daarom!” vs. de blik van het kind: filosofie betekent vragen § wijsbegeerte vs. Wereldbeeld (filo onderzoekt wereldbeeld)
blijven stellen net zoals een kind dat nieuwsgierig is § conservatief-legitimerend (wereldbeeld kan ideeën/macht verdedigen
§ kritisch-progressief (filo wil kritisch zijn en nieuwe inzichten brengen)
Filosofie en Ideologie
§ filosofie = wetenschap Canon
§ argumentatie § ‘maatstaf’ : canon is een standaard of lijst van wat belangrijk of
§ technisch vocabularium waardevol wordt gevonden
§ stelling poneren § historisch bepaald, maar ook legitiem: wat in de canon zit komt uit een
§ verwondering blijft in het spel bepaalde tijd maar hheeft nog steeds een waarde
§ filosofie stelt zich open § zelfkritisch vs. Canoniek: Filosofie moet zowel kritisch nadenken over de
§ ruimte voor kritiek en vragen canon als erkennen wat ze ervan kan leren.
§ vs. Ideologie: legt vaste ideeën op die niet ter discussie staan § kritiek
§ definitieve zekerheden § inhoudelijk: Je kunt de inhoud bekritiseren: wat er precies in de canon
§ conservatief: dingen houden zoals ze zijn staat
§ ‘verfijning’: mooier maken van iets wat niet ter discussie staat § formeel: Of je kunt de vorm bekritiseren: wie bepaalt eigenlijk wat er
in de canon komt?
Historiciteit van de filosofie => verleden hoeft niet afgewezen te worden: Je mag kritisch zijn, maar je
§ spatio-temporele context: filosofie ontstaat op een bepaalde plaats hoeft het verleden niet zomaar weg te gooien — je kunt eruit leren
(spatio) in een bepaalde tijd (tempreel)
vragen en antwoorden veranderen voortdurend
§ filosofie is wezenlijk historisch: filo groeit en veranderd met geschiedenis
Hegel: “Die Philosophie ist ihre Zeit in Gedanken erfasst.” (filosofie drukt de
geest of ideeën van haar tijd uit in gedachten
3
, § ook de interpretatie is historisch bepaald: hoe wij oude filosofen
begrijpen hangt af van onze tijd en blik
§ historisch object (geschiedenis) én subject (deel van geschiedenis)
geen objectieve maatstaf (geen neutrale maatstaf)
DEEL 1: Lotgevallen van de filosofische rationaliteit
H1 Wijsbegeerte binnen de antieke bestaanshorizon (6e eeuw v.C – 6e eeuw n.C)
1. Het ontstaan van de wijsgerige rationaliteit
1.1 Van mythos naar logos 1.2 De natuurfilosofen: het ontstaan van een kosmologie
§ mythos, verhaal - Parmenides: het zijnde is
§ grond-leggende gebeurtenis Is het of is het niet
§ niet kritisch Volgens hem is alleen “het is” mogelijk -> “het is niet” kan niet
§ normatief & legitimerend
§ cultuurschok 6de eeuw § “Dat het is, en dat het onmogelijk is dat het niet is.”
§ contact vreemde volkeren wordt het godenbeeld menselijker (antropomorfisme) § “Het zijnde is, het niet-zijnde is niet.”
§ mondelinge naar schriftelijke cultuur § zijnde
§ daardoor kritiek op mythe § niet ontstaan
§ logos (rede) neemt het verklaren over door denken en uitleg § ondeelbaar
§ onbeweeglijk en begrensd
§ zo evolueerde mythos -> mytho-logie -> logos § Volmaakt
§ de natuur werdt ontheiligd (desacralisering: men zag haar niet langer als goddelijk, § bolvormig
maar als iets wat onderzocht kan worden 1.3 Het ontstaan van ethiek
§ theoria = beschouwing en onderzoek -> het begin van filosofie Ethiek
dit wordt het ‘Griekse wonder’ genoemd: het ontstaan van kritisch, rationeel § kritiek mythe en desacralisering
denken Mensen beginnen na te denken in plaats van alles te geloven wat mythen zeggen.
1.2 De natuurfilosofen: het ontstaan van een kosmologie Desacralisering = het loslaten van het heilige: dingen worden rationeel en
De filosofie van het worden menselijk verklaard ipv door goden
- HERACLITUS: alles vloeit § Physis (van nature), natuur vs. Nomos (wat door de mens is gemaakt), wet, cultuur
§ “Alles vloeit, niets blijft.” – cratylus/Heraclitus § ° democratie: macht gaat van de koning of goden naar het volk
Alles verandert, niet is blijvend. De werkelijkheid is in beweging § † bloedwraak: oude gewoonte: als iemand je familielid doodt, neem je zelf wraak
§ permanente flux -> stroming -> in ethisch denken wordt dit afgekeurd, rechtspraak vervangt wraak
Alles is in voortdurende verandering, net als een rivier § phulai (oude stamstructuren) -> dèmoi (nieuwe indeling op basis van
die blijft stromen. woonplaats)
§ “Oorlog is de vader van alle dingen.” § ethisch vacuüm: een tijd zonder vaste waarden of normen
Tegenstellingen zorgen samen voor harmonie en
verandering -> ze vormen de wereld Sofisten
§ conflict = constitutief § rondtrekkende leraren
Strijd tss tegengestelden is niet slecht maar juist nodig: § ‘democratisch’ Athene
zonder spanning geen bestaan § logos (=rede, argumentatie, taal) -> mono-loog (alleen je eigen gelijk willen halen)
- Plato: de echt werkelijkheid ligt elders (in de ideeënwereld), de zintuigen misleiden ons § Opportunisme (zeggen wat je uitkomt, zonder principes) vs. gefundeerd relativisme (=
4