HS1: Inleiding
Consumentengedrag = niet alleen geld uitgeven en dingen kopen, maar
ook dingen doen zoals leren op school
OV: doet dit ook door met campagnes mensen aan te zetten tot bepaald
gedrag (vb: geen alcohol achter het stuur)
HS2: Besluitvorming
5 fasen van een klassiek consumentenbesluitvormingsproces => enkel
voor belangrijke beslissingen waar mensen rationeel over nadenken
-> omgevingsfactoren (geur, …) kunnen ervoor zorgen dat mensen niet
rationeel denken
Rationeel: je denkt zelf na en laat je niet beïnvloeden
Cold-state: wat je zegt dat je gaat doen, wat je voornemen is
Hot-state: wat je echt doet
Heuristiek: wordt beïnvloed door affectie (=emoties)
Vb: Acid: mensen kijken naar hem als een durver, ondanks dat hij
wel voor de rechter moest komen
Het decoy effect: als mensen denken dat ze een deal doen, gaan ze hier
sneller voor kiezen ipv de enkele producten (vb: popcorn in de cinema, de
middelgrote maat is heel duur waardoor de grote maat een deal lijkt en
mensen deze zullen kopen)
Cirkelschema: je hebt een trigger, je gaat opzoeken, je gaat nadenken of je
het goed vind, je ziet misschien nieuwe kleuren, soorten, maten, … en kijkt
opnieuw en uiteindelijk koop je het
=> al dit wordt bepaald door je 'rugzak' (= exposure), je opvoeding,
omgeving, ervaring en achtergrond
HS3: Behoeften en motivatie
Behoefte = een nood/ gebrek aan iets hebben
Triggers:
,Onvervulde behoefte = trigger
Een behoefte zorgt voor een onaangenaam gevoel en je krijgt dus een
doel. Je gaat motivatie hebben om je doel te behalen.
Piramide van Maslow: eerst moeten de onderste
behoeften voldaan worden, voordat je de andere kan
voldoen
-> waarom is het niet echt de realiteit: deze behoeften
lagen lopen allemaal door elkaar, iemand kan creatief zijn, maar wel dorst
hebben
-> sommige godsdiensten of culturen hebben andere belangrijkste
behoeften, vb: samen zijn
NIEUW WEL WERKEND MODEL:
Behoeften zijn ofwel:
Sociaal gestuurd = iets ten opzichte van anderen te beleven
o 1e niveau: Functioneel: ondersteuning bij economie
o 2e niveau: Symbolisch: iets kopen om je status te tonen
(iphone, dure auto, …), erbij horen
o 3e niveau: Hedonisch (= genieten): seks, bevestiging, iets
lekker eten
Persoonlijke behoeften = iets wat jij individueel wilt
o 1e niveau: Functioneel: veiligheid, welzijn, gezondheid
o 2e niveau: Symbolisch: independent zijn (op kot)
o 3e niveau: Hedonisch (=genieten): genieten met zintuigen
(lekker eten, concert), cognitief (=met je verstand werken)
(vb: sudoku, kruiswoordraadsels), nieuwigheden (nieuwe gsm,
omdat deze nieuw is en niet omdat je oude kapot is)
Behoeften onderzoeken is zeer moeilijk: mensen kunnen zeggen dat ze
iets gaan doen, maar of ze dit echt doen weet je niet
Projectieve technieken = mensen in gespreksgroepen brengen en
foto's tonen om de achterliggende behoefte te begrijpen
, Neuromarketing = een techniek waarbij mensen hun hoofd gescand wordt
en men dan onderzoekt welke delen van de hersenen getriggerd worden
om zo de juiste marketingstrategieën te gebruiken
Subliminale marketing/reclame (=verboden in EU) = tussenin marketing
boodschappen sturen onder het bewustzijn van mensen (je bent niet
bewust dat je het ziet, maar het staat er wel vb: bij de pauze van en film
zeggen dat mensen popcorn moeten eten)
Motivatie:
= de drijvende kracht die behoeften omzet tot actie
Kan positief en negatief zijn (iets voorkomen)
Motivatieconflicten:
Aproach - aproach: 2 dingen die je allebei leuk vind
Avoidance - avoidence: 2 dingen die je eigenlijk allebei niet wilt
Approach - avoidence: 1 ding dat je wel wilt en 1 dat je niet wilt
Betrokkenheid = iets persoonlijks, inspanning doen bij de keuze van het
product
Vb:
Voeding van de supermarkt: niet betrokken = je kiest snel iets
Nieuwe gsm: hoog betrokken = het is duur en je wilt de juiste
beslissing maken
Kleding: hoog betrokken = impact op je uiterlijk
Cadeau voor iemand: hoog betrokken (belangrijk persoon)= je wilt
het juiste kiezen
-> betrokkenheid hangt af van het risico dat je percipieert (= hoeveel
risico je zelf waarneemt)
Soorten risico:
Financieel: iets is te duur/goedkoop
Functioneel: iets heeft geen functie (vb: een stom cadeau)
Fysiek
Sociaal
Consumentengedrag = niet alleen geld uitgeven en dingen kopen, maar
ook dingen doen zoals leren op school
OV: doet dit ook door met campagnes mensen aan te zetten tot bepaald
gedrag (vb: geen alcohol achter het stuur)
HS2: Besluitvorming
5 fasen van een klassiek consumentenbesluitvormingsproces => enkel
voor belangrijke beslissingen waar mensen rationeel over nadenken
-> omgevingsfactoren (geur, …) kunnen ervoor zorgen dat mensen niet
rationeel denken
Rationeel: je denkt zelf na en laat je niet beïnvloeden
Cold-state: wat je zegt dat je gaat doen, wat je voornemen is
Hot-state: wat je echt doet
Heuristiek: wordt beïnvloed door affectie (=emoties)
Vb: Acid: mensen kijken naar hem als een durver, ondanks dat hij
wel voor de rechter moest komen
Het decoy effect: als mensen denken dat ze een deal doen, gaan ze hier
sneller voor kiezen ipv de enkele producten (vb: popcorn in de cinema, de
middelgrote maat is heel duur waardoor de grote maat een deal lijkt en
mensen deze zullen kopen)
Cirkelschema: je hebt een trigger, je gaat opzoeken, je gaat nadenken of je
het goed vind, je ziet misschien nieuwe kleuren, soorten, maten, … en kijkt
opnieuw en uiteindelijk koop je het
=> al dit wordt bepaald door je 'rugzak' (= exposure), je opvoeding,
omgeving, ervaring en achtergrond
HS3: Behoeften en motivatie
Behoefte = een nood/ gebrek aan iets hebben
Triggers:
,Onvervulde behoefte = trigger
Een behoefte zorgt voor een onaangenaam gevoel en je krijgt dus een
doel. Je gaat motivatie hebben om je doel te behalen.
Piramide van Maslow: eerst moeten de onderste
behoeften voldaan worden, voordat je de andere kan
voldoen
-> waarom is het niet echt de realiteit: deze behoeften
lagen lopen allemaal door elkaar, iemand kan creatief zijn, maar wel dorst
hebben
-> sommige godsdiensten of culturen hebben andere belangrijkste
behoeften, vb: samen zijn
NIEUW WEL WERKEND MODEL:
Behoeften zijn ofwel:
Sociaal gestuurd = iets ten opzichte van anderen te beleven
o 1e niveau: Functioneel: ondersteuning bij economie
o 2e niveau: Symbolisch: iets kopen om je status te tonen
(iphone, dure auto, …), erbij horen
o 3e niveau: Hedonisch (= genieten): seks, bevestiging, iets
lekker eten
Persoonlijke behoeften = iets wat jij individueel wilt
o 1e niveau: Functioneel: veiligheid, welzijn, gezondheid
o 2e niveau: Symbolisch: independent zijn (op kot)
o 3e niveau: Hedonisch (=genieten): genieten met zintuigen
(lekker eten, concert), cognitief (=met je verstand werken)
(vb: sudoku, kruiswoordraadsels), nieuwigheden (nieuwe gsm,
omdat deze nieuw is en niet omdat je oude kapot is)
Behoeften onderzoeken is zeer moeilijk: mensen kunnen zeggen dat ze
iets gaan doen, maar of ze dit echt doen weet je niet
Projectieve technieken = mensen in gespreksgroepen brengen en
foto's tonen om de achterliggende behoefte te begrijpen
, Neuromarketing = een techniek waarbij mensen hun hoofd gescand wordt
en men dan onderzoekt welke delen van de hersenen getriggerd worden
om zo de juiste marketingstrategieën te gebruiken
Subliminale marketing/reclame (=verboden in EU) = tussenin marketing
boodschappen sturen onder het bewustzijn van mensen (je bent niet
bewust dat je het ziet, maar het staat er wel vb: bij de pauze van en film
zeggen dat mensen popcorn moeten eten)
Motivatie:
= de drijvende kracht die behoeften omzet tot actie
Kan positief en negatief zijn (iets voorkomen)
Motivatieconflicten:
Aproach - aproach: 2 dingen die je allebei leuk vind
Avoidance - avoidence: 2 dingen die je eigenlijk allebei niet wilt
Approach - avoidence: 1 ding dat je wel wilt en 1 dat je niet wilt
Betrokkenheid = iets persoonlijks, inspanning doen bij de keuze van het
product
Vb:
Voeding van de supermarkt: niet betrokken = je kiest snel iets
Nieuwe gsm: hoog betrokken = het is duur en je wilt de juiste
beslissing maken
Kleding: hoog betrokken = impact op je uiterlijk
Cadeau voor iemand: hoog betrokken (belangrijk persoon)= je wilt
het juiste kiezen
-> betrokkenheid hangt af van het risico dat je percipieert (= hoeveel
risico je zelf waarneemt)
Soorten risico:
Financieel: iets is te duur/goedkoop
Functioneel: iets heeft geen functie (vb: een stom cadeau)
Fysiek
Sociaal