Geschiedenis samenvatting VWO
tijdvak 1: tijd van Jagers en Verzamelaars
§1.1: van jagen en verzamelen naar een boeren bestaan
De eerste mensen leefden als jager-verzamelaars. Ze trokken rond in
kleine groepen en leefden van jagen en het verzamelen van planten. Ze
woonden in simpele hutten en gebruikten zelfgemaakte werktuigen. Ze
leefden dicht bij de natuur.
Later gingen mensen aan landbouw doen. Dit begon in een vruchtbaar
gebied in het Midden-Oosten. Mensen begonnen planten te verbouwen en
dieren te houden. Daardoor konden ze op één plek blijven wonen en
ontstonden dorpen.
Door de landbouw kwam er meer voedsel. De bevolking groeide en
mensen kregen verschillende beroepen. Sommige mensen werden rijker
en machtiger dan anderen. Zo ontstonden sociale verschillen en later
steden.
§1.2: van dorp tot stadstaat
De eerste landbouwsamenlevingen ontstonden in het Midden-Oosten, bij
grote rivieren. Door overstromingen was de grond daar goed voor
landbouw. Mensen gingen op één plek wonen en legden kanalen aan om
water naar hun akkers te brengen.
Omdat boeren meer voedsel maakten dan nodig was, konden mensen
andere beroepen krijgen, zoals handelaar of ambachtsman. Het werk werd
verdeeld.
Dorpen ontstonden op handige plekken, bijvoorbeeld bij rivieren en
handelsroutes. Door handel en samenwerking groeiden deze dorpen uit tot
steden.
In de steden kwamen tempels, muren en bestuur. Er waren leiders die
regels maakten. Mensen leefden samen in grote groepen en deden
verschillende soorten werk.
Deze steden waren het begin van latere beschavingen en vormden de
basis voor handel, bestuur en cultuur.
§1.3: mummies en farao’s
In Mesopotamië en Egypte werkten dorpen samen om water voor
landbouw te verdelen. Ze kregen leiders en een bestuur. Daarom werden
deze gebieden staten. In Mesopotamië ontstonden stadstaten met
koningen en een leger. In Egypte was de farao de baas over het hele land.
tijdvak 1: tijd van Jagers en Verzamelaars
§1.1: van jagen en verzamelen naar een boeren bestaan
De eerste mensen leefden als jager-verzamelaars. Ze trokken rond in
kleine groepen en leefden van jagen en het verzamelen van planten. Ze
woonden in simpele hutten en gebruikten zelfgemaakte werktuigen. Ze
leefden dicht bij de natuur.
Later gingen mensen aan landbouw doen. Dit begon in een vruchtbaar
gebied in het Midden-Oosten. Mensen begonnen planten te verbouwen en
dieren te houden. Daardoor konden ze op één plek blijven wonen en
ontstonden dorpen.
Door de landbouw kwam er meer voedsel. De bevolking groeide en
mensen kregen verschillende beroepen. Sommige mensen werden rijker
en machtiger dan anderen. Zo ontstonden sociale verschillen en later
steden.
§1.2: van dorp tot stadstaat
De eerste landbouwsamenlevingen ontstonden in het Midden-Oosten, bij
grote rivieren. Door overstromingen was de grond daar goed voor
landbouw. Mensen gingen op één plek wonen en legden kanalen aan om
water naar hun akkers te brengen.
Omdat boeren meer voedsel maakten dan nodig was, konden mensen
andere beroepen krijgen, zoals handelaar of ambachtsman. Het werk werd
verdeeld.
Dorpen ontstonden op handige plekken, bijvoorbeeld bij rivieren en
handelsroutes. Door handel en samenwerking groeiden deze dorpen uit tot
steden.
In de steden kwamen tempels, muren en bestuur. Er waren leiders die
regels maakten. Mensen leefden samen in grote groepen en deden
verschillende soorten werk.
Deze steden waren het begin van latere beschavingen en vormden de
basis voor handel, bestuur en cultuur.
§1.3: mummies en farao’s
In Mesopotamië en Egypte werkten dorpen samen om water voor
landbouw te verdelen. Ze kregen leiders en een bestuur. Daarom werden
deze gebieden staten. In Mesopotamië ontstonden stadstaten met
koningen en een leger. In Egypte was de farao de baas over het hele land.