Economie samenvatting: markt en overheid
hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1
Markt en marktstructuur
- er zijn verschillende soorten markten, auto’s worden op een andere markt verkocht dan
brood
- markt: verschillende factoren waaronder vragers en aan bieders elkaar tegemoet
komen, er zijn concrete markten maar ook abstracte marken
- concrete markt: een plaats waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten, bijvoorbeeld
een markt op het marktplein in de stad maar de site marktplaats is ook een concrete
markt
- abstracte markt: hier komen vragers een aanbieders niet samen op een plek maar
markt word hier bedoelt als elementen, bijvoorbeeld de huizen markt of de markt voor
ruwe olie
- marktstructuur: verschillende kenmerken die bepalen hoeveel invloed de producent
heeft op de verkoopprijs
- 3 belangrijke kenmerken:
Aantal aanbieders:
- het hangt ervan af of er andere aanbieders zijn oftewel of er concurrentie is, als
dat er niet is kun je de prijs verhogen, je moet dan alleen op ‘’de wet van de
vraag’’ (bij een hogere prijs word er minder verkocht) letten
- Als die concurrentie er wel is kun je je prijs niet zomaar verhogen want de
klanten kunnen hun producten ergens anders kopen
Toetredingsdrempels:
- toetredingsdrempel: een abstracte drempel tot een merkt waar een producent
overheen moet stappen om te kunnen produceren
- als je bepaalde producten wilt produceren heb je bijvoorbeeld een fabriek
nodig, je moet dus een investering doen om te kunnen produceren, die
investering noemen we een toetredingsdrempel
- als een toetredingsdrempel te hoog is zijn er niet veel producenten die dat
produceren, dus er is weinig concurrentie
- voorbeelden: bedrijven in computerchips, vergunningen
- een hoge toetredingsdrempel betekent dus weinig producenten, een lage
toetredingsdrempel betekent dus veel producenten
Productdifferentiatie:
- van de meeste producten zijn er verschillende soorten gemaakt en bij sommige
merk je verschil maar bij sommige ook niet
- de producten waar je geen verschil tussen ziet vanuit het oog van de consument
noemen we homogene producten
- voorbeeld: stroom, melkpoeder
- producten waar je wel verschil tussen ziet vanuit het ook van de consument
noemen we heterogene producenten
- voorbeeld: fietsen, telefoons, chips
, - heterogene producten zijn dus anders maar doen het zelfde, die producten zijn
dan elkaars substituut (h1 vraag en aanbod)
- als een producten substitueerbaar zijn maar vanuit de ogen van de consument is
er wel verschil noemen we dat gedifferentieerde producten
- voorbeeld: frisdrank, het helpt allemaal tegen dorst maar cola smaakt anders
dan Fanta
- een blikje cola een Fanta zijn betere substituten dan melk en cola
- hoe meer de producten verschillen hoe sterker ze gedifferentieerd zijn, dat is de
mate van de productdifferentiatie
- een boek en een zak chips zijn niet substitueerbaar, dan noemen we dat
onafhankelijke producten
hoofdstuk 1
Paragraaf 1.1
Markt en marktstructuur
- er zijn verschillende soorten markten, auto’s worden op een andere markt verkocht dan
brood
- markt: verschillende factoren waaronder vragers en aan bieders elkaar tegemoet
komen, er zijn concrete markten maar ook abstracte marken
- concrete markt: een plaats waar vragers en aanbieders elkaar ontmoeten, bijvoorbeeld
een markt op het marktplein in de stad maar de site marktplaats is ook een concrete
markt
- abstracte markt: hier komen vragers een aanbieders niet samen op een plek maar
markt word hier bedoelt als elementen, bijvoorbeeld de huizen markt of de markt voor
ruwe olie
- marktstructuur: verschillende kenmerken die bepalen hoeveel invloed de producent
heeft op de verkoopprijs
- 3 belangrijke kenmerken:
Aantal aanbieders:
- het hangt ervan af of er andere aanbieders zijn oftewel of er concurrentie is, als
dat er niet is kun je de prijs verhogen, je moet dan alleen op ‘’de wet van de
vraag’’ (bij een hogere prijs word er minder verkocht) letten
- Als die concurrentie er wel is kun je je prijs niet zomaar verhogen want de
klanten kunnen hun producten ergens anders kopen
Toetredingsdrempels:
- toetredingsdrempel: een abstracte drempel tot een merkt waar een producent
overheen moet stappen om te kunnen produceren
- als je bepaalde producten wilt produceren heb je bijvoorbeeld een fabriek
nodig, je moet dus een investering doen om te kunnen produceren, die
investering noemen we een toetredingsdrempel
- als een toetredingsdrempel te hoog is zijn er niet veel producenten die dat
produceren, dus er is weinig concurrentie
- voorbeelden: bedrijven in computerchips, vergunningen
- een hoge toetredingsdrempel betekent dus weinig producenten, een lage
toetredingsdrempel betekent dus veel producenten
Productdifferentiatie:
- van de meeste producten zijn er verschillende soorten gemaakt en bij sommige
merk je verschil maar bij sommige ook niet
- de producten waar je geen verschil tussen ziet vanuit het oog van de consument
noemen we homogene producten
- voorbeeld: stroom, melkpoeder
- producten waar je wel verschil tussen ziet vanuit het ook van de consument
noemen we heterogene producenten
- voorbeeld: fietsen, telefoons, chips
, - heterogene producten zijn dus anders maar doen het zelfde, die producten zijn
dan elkaars substituut (h1 vraag en aanbod)
- als een producten substitueerbaar zijn maar vanuit de ogen van de consument is
er wel verschil noemen we dat gedifferentieerde producten
- voorbeeld: frisdrank, het helpt allemaal tegen dorst maar cola smaakt anders
dan Fanta
- een blikje cola een Fanta zijn betere substituten dan melk en cola
- hoe meer de producten verschillen hoe sterker ze gedifferentieerd zijn, dat is de
mate van de productdifferentiatie
- een boek en een zak chips zijn niet substitueerbaar, dan noemen we dat
onafhankelijke producten