Hoogrisico verloskunde – MIC medisch
DIABETES
SUIKER EN HOMEOSTASE
1. Energiebalans en energieopslag
Energiebalans: energie intake (nutriënten via voeding) & energie output (arbeid en warmte)
lichaamsenergie = energie intake – energie output
Energieopslag: Energie dat binnenkomt wordt opgeslagen in lichaam, langs ene kant in vet (9kcal/g grote
voorraad) en langs andere kant in glycogeen (4 kcal/g kleinere voorraad). Hersenen hebben elke dag 151g
glucose nodig, die kunnen niet overal energie uit halen, die moeten energie blijven verkrijgen.
2. Metabolisme en biomoleculen
Metabolisme is de som van alle chemische reacties in het lichaam om energie op te slaan of af te breken
- Anabolisme: van kleine naar grote moleculen: opbouw
- Katabolisme: van grote naar kleine moleculen: afbraak
Metabolisme heeft 3 types biomoleculen
- Vetten
- Koolhydraten
- Proteïnen
Vetten, koolhydraten en proteïnen kunnen onderling in elkaar worden omgezet. Hersenen zijn gevoelig voor
glucoseschommelingen omdat ze enkel glucose kunnen gebruiken, en niet vanuit andere stoffen energie
kunnen halen.
Glucose homeostase
- Weinig glucose = glycogenolysis: glucose uit glycogeen halen
- Veel glucose = glycogenese: glycogeen maken uit glucose (of uitscheiden via urine)
- Glycogeen voorraad vol = lipogenese: omzetting glucose naar vet
Zeer lage glucose intake gluconeogenese (glucose aanmaken) vooral vanuit aminozuren beetje van
glycerol uit triglyceriden
3. Feed state, fasted state en starvation
Glucose in voeding absorptie lever verbruikt direct 30% 70% verder verspreid
Fasted state
- = katabool, postaborptive state
- Glucose in plasma daalt maar moet op peil blijven want neuronen hebben moeten van deze brandstof
blijven voorzien.
- Afbraak uit glycogeen uit de lever: 4-5uur voorraad
1
, Hoogrisico verloskunde – MIC medisch
Uit triglyceriden opslag (vetten) kan je glycerol maken dat wordt omgezet in vrije vetzuren, glucose.
Ketonen zijn nevenproducten van vetzuren.
= als je nuchter bent wordt gebruik gemaakt van Fasted state
Fed state = anabool, absorptive state
Starvation (=uithongering)
- Ketonen zijn energiebron voor het brein: worden omgezet naar acetylCoa en dan in citroenzuurcyclus
- Sommige ketonen zijn matig sterke zuren: acetoazijnzuur en beta-hydroxyboterzuur
= ketoacidosis
SUIKER EN ZWANGERSCH AP
Placenta heft twee functies (placenta verbruikt veel glucose!!)
- Transport in 2 richtingen tussen moeder en kind
- Hormonale functie
De tekening illustreert de uitwisseling van nutriënten en hormonen tussen de moeder en de foetus via de
placenta. De placenta fungeert hierbij niet alleen als een scheidingsbarrière, maar vooral als een actief
transportorgaan dat bepaalt welke stoffen de foetale circulatie bereiken.
Glucose is de belangrijkste energiebron voor de foetus en wordt via gefaciliteerde diffusie van de moeder naar
de foetus getransporteerd. De foetus is volledig afhankelijk van maternale glucoseaanvoer, aangezien hij zelf
nauwelijks glucose kan produceren. Om deze overdracht te garanderen, ligt de foetale bloedglucosespiegel lager
dan die van de moeder, waardoor een continue concentratiegradiënt ontstaat. Wanneer de moeder
hypoglycemisch is, zoals bij diabetes, leidt dit tot een verhoogde glucoseaanvoer naar de foetus.
2
, Hoogrisico verloskunde – MIC medisch
Insuline daarentegen passeert de placenta niet. Het is een eiwithormoon met een te grote moleculaire structuur
om de placentabarrière te doorbreken. Dit betekent dat maternale insuline geen directe invloed heeft op de
foetale stofwisseling. De foetus produceert zijn eigen insuline in de pancreas, als reactie op de hoeveelheid
glucose die hij ontvangt. Foetale insuline speelt een centrale rol in de groei en heeft een sterk anabool effect.
Ook glucagon van de moeder bereikt de foetus niet via de placenta. Net zoals insuline wordt dit hormoon
uitsluitend door de foetus zelf aangemaakt. Foetaal glucagon is vooral belangrijk in de perinatale periode en bij
de overgang naar het extra-uteriene leven, wanneer de neonatus zelfstandig zijn glucosehuishouding moet
reguleren.
Aminozuren worden actief van de moeder naar de foetus getransporteerd, zelfs tegen de concentratiegradiënt
in. Hierdoor zijn de aminozuurconcentraties in het foetale bloed vaak hoger dan in het maternale bloed. Deze
aminozuren zijn essentieel voor eiwitsynthese, celgroei en de algemene ontwikkeling van organen en weefsels.
Vrije vetzuren passeren de placenta slechts in beperkte mate. De foetus gebruikt vetten minder als primaire
energiebron, maar vrije vetzuren zijn wel belangrijk als bouwstoffen voor celmembranen en voor de ontwikkeling
van het centrale zenuwstelsel. Langeketenvetzuren, zoals DHA, zijn hierbij van groot belang.
Ketonen kunnen de placenta wel gemakkelijk passeren. In situaties van vasten, ondervoeding of slecht
gereguleerde maternale diabetes kan de foetus ketonen gebruiken als alternatieve energiebron. Hoewel dit
fysiologisch mogelijk is, kunnen langdurig verhoogde ketonwaarden nadelige effecten hebben op de foetale
neurologische ontwikkeling.
Samenvattend toont de tekening aan dat de moeder via de placenta vooral nutriënten aanlevert, terwijl de foetus
zelf instaat voor zijn hormonale regulatie. De placenta laat glucose, aminozuren en ketonen door, maar
verhindert de doorgang van maternale insuline en glucagon. Deze scheiding verklaart waarom maternale
metabole stoornissen een belangrijke indirecte invloed kunnen hebben op de foetale groei en ontwikkeling.
Tijdens de zwangerschap onttrekt de foetus continu glucose aan de moeder, waardoor de maternale nuchtere
glycemie lager ligt dan bij niet-zwangeren. In de eerste 12 weken is de moeder gevoeliger voor insuline, wat
leidt tot meer kans op hypoglycemie.
Vanaf het tweede trimester ontstaat er een milde insulineresistentie, veroorzaakt door placentaire hormonen
(zoals HPL, cortisol en glucagon). Hierdoor stijgt de glucose na de maaltijd (postprandiale hyperglycemie), zodat
er voldoende glucose beschikbaar is voor de foetus.
De pancreas van de moeder compenseert dit door meer insuline te produceren, vooral tegen het einde van de
zwangerschap (hyperinsulinemie).
Hetzelfde mechanisme geldt voor aminozuren: ze worden actief naar de foetus getransporteerd, onder andere
voor gluconeogenese
Nuchtere glycemie gaat lager zijn dan dat je gewoon bent wardoor je gevoelig wordt aan hypoglycemie’s, zeker
als je nuchter bent. Je gaat sneller uithongeren doordat je minder gevoelig bent aan insuline
3
DIABETES
SUIKER EN HOMEOSTASE
1. Energiebalans en energieopslag
Energiebalans: energie intake (nutriënten via voeding) & energie output (arbeid en warmte)
lichaamsenergie = energie intake – energie output
Energieopslag: Energie dat binnenkomt wordt opgeslagen in lichaam, langs ene kant in vet (9kcal/g grote
voorraad) en langs andere kant in glycogeen (4 kcal/g kleinere voorraad). Hersenen hebben elke dag 151g
glucose nodig, die kunnen niet overal energie uit halen, die moeten energie blijven verkrijgen.
2. Metabolisme en biomoleculen
Metabolisme is de som van alle chemische reacties in het lichaam om energie op te slaan of af te breken
- Anabolisme: van kleine naar grote moleculen: opbouw
- Katabolisme: van grote naar kleine moleculen: afbraak
Metabolisme heeft 3 types biomoleculen
- Vetten
- Koolhydraten
- Proteïnen
Vetten, koolhydraten en proteïnen kunnen onderling in elkaar worden omgezet. Hersenen zijn gevoelig voor
glucoseschommelingen omdat ze enkel glucose kunnen gebruiken, en niet vanuit andere stoffen energie
kunnen halen.
Glucose homeostase
- Weinig glucose = glycogenolysis: glucose uit glycogeen halen
- Veel glucose = glycogenese: glycogeen maken uit glucose (of uitscheiden via urine)
- Glycogeen voorraad vol = lipogenese: omzetting glucose naar vet
Zeer lage glucose intake gluconeogenese (glucose aanmaken) vooral vanuit aminozuren beetje van
glycerol uit triglyceriden
3. Feed state, fasted state en starvation
Glucose in voeding absorptie lever verbruikt direct 30% 70% verder verspreid
Fasted state
- = katabool, postaborptive state
- Glucose in plasma daalt maar moet op peil blijven want neuronen hebben moeten van deze brandstof
blijven voorzien.
- Afbraak uit glycogeen uit de lever: 4-5uur voorraad
1
, Hoogrisico verloskunde – MIC medisch
Uit triglyceriden opslag (vetten) kan je glycerol maken dat wordt omgezet in vrije vetzuren, glucose.
Ketonen zijn nevenproducten van vetzuren.
= als je nuchter bent wordt gebruik gemaakt van Fasted state
Fed state = anabool, absorptive state
Starvation (=uithongering)
- Ketonen zijn energiebron voor het brein: worden omgezet naar acetylCoa en dan in citroenzuurcyclus
- Sommige ketonen zijn matig sterke zuren: acetoazijnzuur en beta-hydroxyboterzuur
= ketoacidosis
SUIKER EN ZWANGERSCH AP
Placenta heft twee functies (placenta verbruikt veel glucose!!)
- Transport in 2 richtingen tussen moeder en kind
- Hormonale functie
De tekening illustreert de uitwisseling van nutriënten en hormonen tussen de moeder en de foetus via de
placenta. De placenta fungeert hierbij niet alleen als een scheidingsbarrière, maar vooral als een actief
transportorgaan dat bepaalt welke stoffen de foetale circulatie bereiken.
Glucose is de belangrijkste energiebron voor de foetus en wordt via gefaciliteerde diffusie van de moeder naar
de foetus getransporteerd. De foetus is volledig afhankelijk van maternale glucoseaanvoer, aangezien hij zelf
nauwelijks glucose kan produceren. Om deze overdracht te garanderen, ligt de foetale bloedglucosespiegel lager
dan die van de moeder, waardoor een continue concentratiegradiënt ontstaat. Wanneer de moeder
hypoglycemisch is, zoals bij diabetes, leidt dit tot een verhoogde glucoseaanvoer naar de foetus.
2
, Hoogrisico verloskunde – MIC medisch
Insuline daarentegen passeert de placenta niet. Het is een eiwithormoon met een te grote moleculaire structuur
om de placentabarrière te doorbreken. Dit betekent dat maternale insuline geen directe invloed heeft op de
foetale stofwisseling. De foetus produceert zijn eigen insuline in de pancreas, als reactie op de hoeveelheid
glucose die hij ontvangt. Foetale insuline speelt een centrale rol in de groei en heeft een sterk anabool effect.
Ook glucagon van de moeder bereikt de foetus niet via de placenta. Net zoals insuline wordt dit hormoon
uitsluitend door de foetus zelf aangemaakt. Foetaal glucagon is vooral belangrijk in de perinatale periode en bij
de overgang naar het extra-uteriene leven, wanneer de neonatus zelfstandig zijn glucosehuishouding moet
reguleren.
Aminozuren worden actief van de moeder naar de foetus getransporteerd, zelfs tegen de concentratiegradiënt
in. Hierdoor zijn de aminozuurconcentraties in het foetale bloed vaak hoger dan in het maternale bloed. Deze
aminozuren zijn essentieel voor eiwitsynthese, celgroei en de algemene ontwikkeling van organen en weefsels.
Vrije vetzuren passeren de placenta slechts in beperkte mate. De foetus gebruikt vetten minder als primaire
energiebron, maar vrije vetzuren zijn wel belangrijk als bouwstoffen voor celmembranen en voor de ontwikkeling
van het centrale zenuwstelsel. Langeketenvetzuren, zoals DHA, zijn hierbij van groot belang.
Ketonen kunnen de placenta wel gemakkelijk passeren. In situaties van vasten, ondervoeding of slecht
gereguleerde maternale diabetes kan de foetus ketonen gebruiken als alternatieve energiebron. Hoewel dit
fysiologisch mogelijk is, kunnen langdurig verhoogde ketonwaarden nadelige effecten hebben op de foetale
neurologische ontwikkeling.
Samenvattend toont de tekening aan dat de moeder via de placenta vooral nutriënten aanlevert, terwijl de foetus
zelf instaat voor zijn hormonale regulatie. De placenta laat glucose, aminozuren en ketonen door, maar
verhindert de doorgang van maternale insuline en glucagon. Deze scheiding verklaart waarom maternale
metabole stoornissen een belangrijke indirecte invloed kunnen hebben op de foetale groei en ontwikkeling.
Tijdens de zwangerschap onttrekt de foetus continu glucose aan de moeder, waardoor de maternale nuchtere
glycemie lager ligt dan bij niet-zwangeren. In de eerste 12 weken is de moeder gevoeliger voor insuline, wat
leidt tot meer kans op hypoglycemie.
Vanaf het tweede trimester ontstaat er een milde insulineresistentie, veroorzaakt door placentaire hormonen
(zoals HPL, cortisol en glucagon). Hierdoor stijgt de glucose na de maaltijd (postprandiale hyperglycemie), zodat
er voldoende glucose beschikbaar is voor de foetus.
De pancreas van de moeder compenseert dit door meer insuline te produceren, vooral tegen het einde van de
zwangerschap (hyperinsulinemie).
Hetzelfde mechanisme geldt voor aminozuren: ze worden actief naar de foetus getransporteerd, onder andere
voor gluconeogenese
Nuchtere glycemie gaat lager zijn dan dat je gewoon bent wardoor je gevoelig wordt aan hypoglycemie’s, zeker
als je nuchter bent. Je gaat sneller uithongeren doordat je minder gevoelig bent aan insuline
3