strategie en besluitvorming
Dr. D. Keuning en dr. D.J. Eppink – Management & Organisatie
Inhoudsopgave
H1: Organisaties en kernproblemen in management ............................................................................. 2
Kenmerken van organisaties ........................................................................................................... 2
Kenmerken van managers ............................................................................................................... 3
Management als begrip: 3 betekenissen ........................................................................................ 4
Management: 3 kernproblemen ..................................................................................................... 4
Organisatie en omgeving ................................................................................................................. 5
Organisatie- en managementtheorie .............................................................................................. 6
H2: Management en besluitvorming ...................................................................................................... 7
Besluitvorming................................................................................................................................. 7
Besluitvormingsproces en beïnvloedende factoren........................................................................ 7
Besluitvorming en rationaliteit........................................................................................................ 8
Vernieuwend denken ...................................................................................................................... 8
Soorten beslissingen (tabel 2.4, p. 105) .......................................................................................... 8
H3: Strategieformuleringsproces en de invoering van strategische planning ........................................ 9
Strategieformulering als probleem ................................................................................................. 9
Omgevingsonderzoek: DESTEMP (extra toelichting, zie paragraaf 3.4 voor de volledigheid) ...... 10
Voorspellingstechnieken ............................................................................................................... 11
Sterkte/zwakte-onderzoek als intern onderzoek .......................................................................... 11
Vaststellen strategische kloof door raming bij ongewijzigd beleid (figuur 3.7, p. 159) ................ 12
Keuzemogelijkheden organisatiestrategie(figuur 3.13, p. 180) .................................................... 12
Evaluatie en keuze ......................................................................................................................... 14
Invoering en organisatie strategische planning ............................................................................ 15
H7: Het op gang brengen en sturen van dagelijkse actie ...................................................................... 16
Bronnen van invloed ..................................................................................................................... 17
Leider en leiderschap: kenmerken en stijl leidinggeven ............................................................... 17
Management en beheersen van actie........................................................................................... 19
Beleidsrichtlijnen, standaardmethoden en standaardprocedures ............................................... 19
Planning functionele deelgebieden ............................................................................................... 19
Het geven van opdrachten ............................................................................................................ 21
, Meten van uitvoering en bijsturing (= control) ............................................................................. 22
H8: Mens, maatschappij en organisatie-(verandering): concepten, notities, ontwikkelingen en
regelgeving ............................................................................................................................................ 23
Mens- en maatschappijbeeld in organisatietheorie ..................................................................... 23
Individu en organisatie: mens in zijn behoeftespectrum .............................................................. 24
H1: Organisaties en kernproblemen in management
Kenmerken van organisaties
Organisatie = doel realiserend samenwerkingsverband waarin belanghebbende partijen in
een coalitie samenwerken om een gemeenschappelijk doel te bereiken, maar ook om (ieder
voor zich) een eigen doelstelling te realiseren
Formeel en informeel
o Formele organisatie = taakverdeling (afkomstig van de leiding) aangevuld met
functie- en taakbeschrijvingen, beleidsrichtlijnen en procedures. (Organisaties
(bewust in te schakelen) – mensen (instrumenten) – d.m.v. rationeel menselijk
handelen doelstellingen realiseren)
o Informele organisatie = niet officieel vastgelegde aanvullende gedragsregels
Beeld
o Institutionele zin: concreet waarneembaar geheel van mensen (eigen leven leiden,
eigen karakter/identiteit)
o Instrumentele zin: organisatiestructuur (bepaalde aspecten/elementen zoals: beleid,
planning, arbeidsverdeling
o Functionele zin: proces of activiteit: het organiseren
Organiseren = het scheppen van (doelmatige) verhouding tussen
beschikbare mensen, middelen en handelingen om bepaalde doeleinden te
bereiken
Kenmerk
o Organisatiecultuur
o Structuur en gedrag
Doelstellingen
o Product/ marktpositie: soort en variëteit van producten, diensten, afnemers en
afzetgebieden
o Productiviteit en toegevoegde waarde
o Winstgevendheid
o Maatschappelijke verantwoordelijkheid: werkgelegenheid en milieu
o Groei en continuïteit
o Salaris, werksfeer, prestige, status en zeggenschap leidinggevenden en uitvoerende
organisatieleden
Doelstellingen afhankelijk van verwachtingen, ambities en aspiraties
belanghebbenden.
Uitdrukking organisatiegedrag
o Wijze van leidinggeven
o Omgang mensen onderling
2
, o De dingen die men doet en nalaat
o Gemaakte keuzes
Gedrag: normen en waarden, verwachtingen, houdingen, opvattingen en
overtuigingen
Organisatie als coalitie
o Interne belanghebbenden: leidinggevenden, uitvoerende medewerkers
o Externe belanghebbenden: aandeelhouders, vakbonden, de overheid
Werknemers-participanten
o Accepteert gezag relatie: werknemer is bereid om opdrachten en instructies te
aanvaarden en uit te voeren binnen een acceptatiezone
o Vaak is rol ten opzichte van andere organisatieleden vastgelegd
Functies organisatiecultuur/gemeenschappelijke verstandhouding
o Overzichtelijk en beter voorspelbaar maken van gedragingen in organisatie
o Band scheppen tussen leden (van een afdeling of team) → minder beslissingen
Kenmerken van managers
Manager = iemand die het handelen van andere mensen in een organisatie op gang brengt en stuurt
(zie figuur 1.1, p. 34)
Doet aan agendabepaling: bepalen van onderwerpen die aandacht moeten krijgen (KT en
LT1).
Ontwikkelen en onderhouden netwerk van relaties
Tijdmanagement: beschikbare tijd effectief besteden
Terreinkennis en resultaatgericht zijn
MINTZBERG: activiteiten managers
Interpersoonlijk
o Vertegenwoordiging van zijn organisatie(-eenheid) als leider
o Behoeften van individuen/groepen en integratie tussen het werk bevorderen
Informationeel
o Voortdurend zoeken en ontvangen van informatie binnen en buiten zijn eenheid
o Binnen de organisatie: geven van normatieve en feitelijke info aan ondergeschikten
o Buiten de organisatie: fungeren als spreekbuis voor belanghebbenden
Besluitvormend
o Informatie via besluitvorming omzetten in planmatige actie
o Zoeken naar kansen en bedreigingen, vernieuwing, verandering of verbetering.
Werk manager
o Linking: onderhouden van contacten met de rest van de organisatie en externe
omgeving (via interpersoonlijke en informationele activiteiten)
o Leading: behartigen belangen unit, zorgen dat iedereen zijn werk kan doen
(interpersoonlijk en besluitvormend)
o Doing: het regelen van dingen: zelf het werk gedaan krijgen (interpersoonlijk en
besluitvormend)
Mindsets (denkpatronen)
o Reflectief: zichzelf managen
o Analytisch: organisaties managen
o Werelds: context managen
o Samenwerkingsgericht: relaties managen
o Actiegericht: verandering managen
1
Afkortingen van respectievelijk korte-termijn en lange-termijn.
3