De oude versie
1 Institutionalisme wás politicologie
Tot in jaren ‘50: uitgangspunten ervan maakten deel uit van de common sense: de studie van
grondwetten, parlementen, overheidsstructuren en de vergelijking ervan in de tijd en ruimte was
gewoon dé politieke wetenschappen
Het institutionalisme staat voor een studieveld, MAAR heeft geen ‘theorie van instellingen’ of een
set van eigen methoden ontwikkeld.
Bovendien ging het meer om organisaties dan om instellingen: eerst instellingen uit de GW, nadien
ook andere publieke instellingen op andere niveaus
2 ‘Logic of appropriateness’ vs ‘logic of consequences’
Instellingen = een duurzaam en stabiel geheel van afspraken dat individueel en/of groepsgedrag
regelt op basis van vastgestelde regels en procedures.
- Individuen interageren binnen de instelling op basis van specifieke rollen die ze binnen de
instelling vervullen
- Posities binnen de instelling zijn belangrijker dan de mensen die ze bekleden => stabiliteit
Instellingen zelf als politieke actoren waarbij de regels als een soort skelet functioneren waarrond
menselijke interacties zich ontwikkelen. => eigen cultuur en normen, banden tussen mensen
Logic of appropriateness: mensen ondernemen acties omdat ze zich willen conformeren aan de
normen die binnen de instelling bestaan. (symbolisch bezoek van premier aan rampgebied)
Logic of consequences: gedrag is instrumenteel en gericht op het bereiken van individuele doelen
(bezoek van premier omwille van de populariteit/herverkiezing)
3 Kritiek
Behavioral revolution: waarom gedragen mensen zich zo?
Rationele keuzebenadering: gedrag als samenspel van individuele belangen
Neomarxisten: institutionele kenmerken van een systeem zeggen niets over de machtsverhoudingen
Gebaseerd op ‘Een plattegrond van de macht – Carl Devos’