Functionele urologie
1. Inleiding
- 60% heeft symptomen van de lagere urinewegen.
De incidentie van symptomen neemt toe met de leeftijd.
Dit is geen typisch vrouwenprobleem, even prevalent bij mannen en vrouwen.
- Er zijn veel klachten/ symptomen die onderschat wordt:
Vb. nadruppelen: na het toilet kleine druppels in de broek.
- De normale blaasfunctie:
Vullingsfase:
o De blaasspier ontspant en het plaskanaal is toe.
o Als je hoest gaat je spier nog voor je hoest samentrekken.
o Hier is de othosympaticus van kracht.
Ledigingsfase:
o Een detrusorcontractie met voldoende kracht zonder onderbreking tot de blaas
leeg is en dit terwijl de sfincter volledig ontspannen is.
o Stoppen de inhibitie naar beneden.
o Hier is de parasympaticus van kracht.
o De blaasspier trekt samen en het plaskanaal gaat open.
Gladde spier gaat samentrekken en de dwarsgestreepte spier moet
opengaan.
- De blaas:
Omgeven met gladde spiercellen en kunnen we weinig aan doen.
- Plaskanaal
- De sluitspier:
Dwarsgestreepte spieren en kunnen we trainen.
- Neurogene functie:
Frontale cortex zorgt voor inhibitie.
De pons voor coördinatie tussen sluitspier en blaas.
Vanonder in het ruggenmerg sacraal zitten de kernen die dienen om te plassen.
De gladde en dwarse spieren worden ander bezenuwd.
- Symptomen van een gestoorde vullingsfase:
Inspanning gebonden urineverlies:
o De sluitspier werkt niet en de persoon lekt.
o 10% van de jonge vrouwen.
Een nerveuze blaas/ overactieve blaas:
o De blaas trekt samen bij de vullingsfase.
o De blaas kernen liggen dicht bij de emotionele kernen.
- Symptomen van een gestoorde ledigingsfase:
, Problemen met starten, nadruppelen, onderbroken plassen, …
2. Neurogene blaas
- Je hebt zowel motorisch als sensorische bezenuwing nodig.
Kunnen samentrekken (motorisch) en voelen dat je moet gaan (sensorisch).
Indien zich het probleem hier voordoet, spreekt met van een neurogene blaas.
2.1. Neuroanatomie, fysiologie en pathologie
2.1.1. Efferente innervatie
- Naar de detrusor (blaasspier):
Parasympaticus ontspringt vanaf S2 – S4.
De orthosympaticus ontspringt van T11 – L2
- Naar de sfincter:
De motorische innervatie van de externe
sfincter is somatisch (willekeurig).
Dit gebeurt door de nervus pudendus.
2.1.2. Afferente innervatie
- Zenuwen die opstijgen vanuit de blaas naar het
centrale zenuwstelsel:
Via sympatische vezels: T9 – L2.
En parasympatische vezels van S2 – S4.
2.1.3. Mictiereflex
- Spinaal reflex/ mictiereflex:
De activiteit is onder willekeurige contractie van de cerebrale cortex.
> 400 ml uitrekken zorgt voor een prikkeling naar de hersenen:
o Er ontstaat een contractie van de blaas door motorische elementen.
o Tenzij er een willekeurige cerebrale onderdrukking is die dit reflex tegenhoudt.
Heeft myelinisatie en training nodig om dit proces te kunnen tegenhouden.
2.1.4. Pontiene coördinatie
- De pons zorgt voor coördinatie tussen blaas en sluitspier.
1. Inleiding
- 60% heeft symptomen van de lagere urinewegen.
De incidentie van symptomen neemt toe met de leeftijd.
Dit is geen typisch vrouwenprobleem, even prevalent bij mannen en vrouwen.
- Er zijn veel klachten/ symptomen die onderschat wordt:
Vb. nadruppelen: na het toilet kleine druppels in de broek.
- De normale blaasfunctie:
Vullingsfase:
o De blaasspier ontspant en het plaskanaal is toe.
o Als je hoest gaat je spier nog voor je hoest samentrekken.
o Hier is de othosympaticus van kracht.
Ledigingsfase:
o Een detrusorcontractie met voldoende kracht zonder onderbreking tot de blaas
leeg is en dit terwijl de sfincter volledig ontspannen is.
o Stoppen de inhibitie naar beneden.
o Hier is de parasympaticus van kracht.
o De blaasspier trekt samen en het plaskanaal gaat open.
Gladde spier gaat samentrekken en de dwarsgestreepte spier moet
opengaan.
- De blaas:
Omgeven met gladde spiercellen en kunnen we weinig aan doen.
- Plaskanaal
- De sluitspier:
Dwarsgestreepte spieren en kunnen we trainen.
- Neurogene functie:
Frontale cortex zorgt voor inhibitie.
De pons voor coördinatie tussen sluitspier en blaas.
Vanonder in het ruggenmerg sacraal zitten de kernen die dienen om te plassen.
De gladde en dwarse spieren worden ander bezenuwd.
- Symptomen van een gestoorde vullingsfase:
Inspanning gebonden urineverlies:
o De sluitspier werkt niet en de persoon lekt.
o 10% van de jonge vrouwen.
Een nerveuze blaas/ overactieve blaas:
o De blaas trekt samen bij de vullingsfase.
o De blaas kernen liggen dicht bij de emotionele kernen.
- Symptomen van een gestoorde ledigingsfase:
, Problemen met starten, nadruppelen, onderbroken plassen, …
2. Neurogene blaas
- Je hebt zowel motorisch als sensorische bezenuwing nodig.
Kunnen samentrekken (motorisch) en voelen dat je moet gaan (sensorisch).
Indien zich het probleem hier voordoet, spreekt met van een neurogene blaas.
2.1. Neuroanatomie, fysiologie en pathologie
2.1.1. Efferente innervatie
- Naar de detrusor (blaasspier):
Parasympaticus ontspringt vanaf S2 – S4.
De orthosympaticus ontspringt van T11 – L2
- Naar de sfincter:
De motorische innervatie van de externe
sfincter is somatisch (willekeurig).
Dit gebeurt door de nervus pudendus.
2.1.2. Afferente innervatie
- Zenuwen die opstijgen vanuit de blaas naar het
centrale zenuwstelsel:
Via sympatische vezels: T9 – L2.
En parasympatische vezels van S2 – S4.
2.1.3. Mictiereflex
- Spinaal reflex/ mictiereflex:
De activiteit is onder willekeurige contractie van de cerebrale cortex.
> 400 ml uitrekken zorgt voor een prikkeling naar de hersenen:
o Er ontstaat een contractie van de blaas door motorische elementen.
o Tenzij er een willekeurige cerebrale onderdrukking is die dit reflex tegenhoudt.
Heeft myelinisatie en training nodig om dit proces te kunnen tegenhouden.
2.1.4. Pontiene coördinatie
- De pons zorgt voor coördinatie tussen blaas en sluitspier.