✏️
1 - Socialisatie van kinderen en adolescenten
Social Development H1, 7 & 9
Literatuur
Berns H1, 4, 6 & 7
Introductie
Psychodynamische benadering
Theorieën zelfregulatie
Socialisatie door de tijd heen (socialisatietheorieën)
Socialisatieprocessen en mechanismen
Socialisatie manieren
Opvoeding → Gedrag kind
Gedrag kind → opvoeding
Gedrag kind x opvoeding → sociale opvoeding kind
Gedrag kind → opvoeding → sociale ontwikkeling kind
Introductie
Socialisatie - Het proces waarbij individuen de kennis, vaardigheden en karaktereigenschappen leren die hen in
staat stellen om te participeren in de samenleving.
Psychodynamische benadering
Psychodynamische benadering (Freud) - Kinderen hebben veel impulsen (zoals agressie) die niet passend zijn in
de samenleving. Door een te sterke intrinsieke energie kunnen de kinderen deze impulsen niet controleren. Ze
moeten leren om ze te reguleren.
De persoonlijkheid die nog in ontwikkeling is bestaat uit drie delen:
1. Id - Primitieve driften die direct leiden tot genot.
Intrinsiek.
2. Ego - Behoeften bevredigen door middel van passend, sociaal constructief gedrag. Impulsen reguleren.
Werkelijkheid.
3. Superego - Het geweten. Weten wat wenselijk en juist is.
Moreel.
Taak ouders: Het kind helpen om impulsen te beheersen, om te buigen of uit te stellen zodat ze sociaal wenselijk
zijn.
Theorieën zelfregulatie
Theorieën over zelfregulatie:
Block & Block
Ego-controle - Het kunnen onderdrukken van impulsen.
Ego-resiliency - Weten wanneer je flexibel moet zijn in het uiten van impulsen.
Rothbart
Effortful control - In staat zijn om je aandacht te verdelen, dus weten wanneer je je moet focussen. Het
kunnen onderdrukken van impulsen (inhibitie). En waarnemend sensitief zijn, oftewel weten wanneer je
bepaald gedrag mag laten zien. Energie wordt ingehouden.
1 - Socialisatie van kinderen en adolescenten 1
, Socialisatie door de tijd heen (socialisatietheorieën)
Langeveld (1905-1989): Kinderen moeten leren mondig (zelfstandig) te worden. Het doel is zelfverantwoordelijke
zelfbepaling. Hier moeten ouders bij helpen.
Spock (1903-1998): Ouders hebben behoefte aan informatie en ondersteuning. Spock heeft veel boeken
geschreven voor ouders.
Pavlov en Watson (begin 20e eeuw): Klassieke conditionering.
Klassieke conditionering - Leren door associaties tussen stimuli en responses.
Het kind is een onbeschreven blad (tabula rasa).
Skinner (eind 20e eeuw): Operante conditionering.
Operante conditionering - Leren door middel van bekrachtiging en straffen.
Patterson (1926-2016): Coercion cycle.
1. Ouder dringt op aversieve manier binnen in de activiteit van het kind.
2. Het kind gaat in de tegenaanval.
3. Ouder stopt met berispen.
4. Het kind staakt de tegenaanval.
Bv: (1) Het kind moet van de ouder de tafel dekken, maar (2) heeft daar geen zin in en gaat boos doen. (3) De
ouder gaat zelf de tafel dekken om van het boze gedrag af te zijn (negatieve bekrachtiging) en (4) het kind
stopt met boos zijn.
Op korte termijn is het fijn dat het kind dan gaat stoppen met de tegenaanval, maar op lange termijn stimuleer
je de tegenaanval.
Bandura (1925-2021): Sociaal cognitieve leertheorie.
Sociaal cognitieve leertheorie - We leren door te observeren en imiteren.
Je kan iets leren door te observeren, maar we imiteren pas als we motivatie hebben en self-efficacy (denken
dat je het kan).
Ouders moeten het goede voorbeeld geven.
Bowlby (1969): Attachment and loss.
Het kind heeft de aangeboren neiging om bij de ouder bescherming te zoeken in geval van stress, gevaar of
ziekte. Hij gebruikt de ouder om de omgeving te exploreren. Ouders moeten ingaan op deze behoeften.
Empirisch uitgewerkt door Ainsworth.
Lorenz (1903-1989): Belang van kritieke fase.
Onderzocht met een experiment over het volggedrag van ganzen.
Harlow: Koestering belangrijker dan voedsel.
Onderzocht met een experiment bij baby-aapjes en twee objecten waarbij de één lijkt op een zachte
moederaap en de ander van staal is en voedsel bevat.
Socialisatieprocessen en mechanismen
Socialisatie manieren
Unidirectioneel: Eén richting op.
Opvoeding → gedrag kind of andersom.
Bidirectioneel: Beide richtingen op.
Opvoeding ↔ gedrag kind.
1 - Socialisatie van kinderen en adolescenten 2
, Transactioneel: Uni + bi. Interacties over een lange tijd.
Opvoeding → gedrag kind → opvoeding → gedrag kind…
Opvoeding → Gedrag kind
Vier opvoedstijlen (Lewin, Leppitt en White):
Autoritatief/democratisch
Beste resultaten (tevreden, coöperatief en productief).
Autoritair
Ongewenste ontwikkeling, maar wel gehoorzaamheid.
Laissez-faire/permissief
Ook schadelijk, want kinderen leren geen gevolgen van hun slechte gedrag.
Onverschillig/verwaarlozend
Twee dimensies:
Controle/strikt (demanding): Afspraken en regels, controle, stellen van grenzen, handhaven.
Responsiviteit/sensitief (responsiveness) / warmte: Warmte, sensitiviteit, steun, accepteren, snel en adequaat
reageren op gedrag van het kind.
Lage controle Hoge controle
Hoge responsiviteit Permissief Autoritatief
Lage responsiviteit Verwaarlozend Autoritair
Baumrind: De opvoedstijl heeft invloed op het gedrag van een kind.
Helicopter-parenting (of hyperouders) - Overbezorgde overbetrokken ouders. Ze willen te veel betrokken zijn in
het leven van hun kind, waardoor het kind geen ruimte krijgt om zelfstandig te worden.
Dit is een nieuw soort ouder die niet is opgenomen in de vier opvoedingsstijlen.
Gedrag kind → opvoeding
De opvoeding en het gedrag van de kind kunnen ook andersom invloed hebben op elkaar.
Bv: Een kind is angstig. Ouders anticiperen op deze angst en zijn meer controlerend. Op lange termijn leren
kinderen hierdoor niet goed hoe ze moeten omgaan met angst en durven ze bijvoorbeeld geen nieuwe
omgevingen te verkennen.
Gedrag kind x opvoeding → sociale opvoeding kind
Moderatie - Een derde factor, de moderator, heeft invloed op de relatie tussen factor
X en Y.
Bv: Opvoeding x gedrag kind → ontwikkeling. Oftewel, het gedrag (bv angst) van
het kind heeft invloed op de relatie tussen opvoeding en ontwikkeling.
Gedrag kind → opvoeding → sociale ontwikkeling kind
Mediatie - Factor X heeft invloed op de mediator en die heeft invloed op factor Y.
Er is een direct en indirect effect.
Bv: Vriendelijkheid → opvoeding → prosociaal gedrag.
1 - Socialisatie van kinderen en adolescenten 3
, ✏️
2 - Gehechtheid: Voorspellers en gevolgen
Social Development H4
Literatuur Van Zeijl et al.
De Wolff & Van IJzendoorn
Soorten gehechtheid
Gehechtheid meten
Voorspellers van gehechtheid
Biologische voorspellers
Contextuele voorspellers
Sensitief en responsief ouderschap (Ainsworth)
Meta-analyse sensitiviteit en gehechtheid
Gevolgen goede gehechtheid
Voorbeeld gehechtheidsinterventie
Soorten gehechtheid
Gehechtheid (attachment) - Relatie tussen kind en een ander persoon, vaak ouder.
Vier soorten gehechtheid:
Veilig gehecht - Het kind vertrouwt de ouder, zoekt steun en kan gerustgesteld worden, en durft de omgeving
te ontdekken.
Onveilig vermijdend gehecht - Het kind vermijdt contact met de ouder, ook tijdens stress.
Onveilig ambivalent gehecht - De ouder is onvoorspelbaar (reageert soms wel en soms niet) waar het kind
stress van krijgt. Het kind is aanhankelijk en wil dichtbij de ouder blijven, waardoor er weinig exploratie is.
Maar het kind kan ook agressief zijn naar de ouder als ze weg is geweest en is moeilijk te troosten.
Gedesorganiseerd - De ouder is angstaanjagend en onvoorspelbaar. Het kind heeft nooit geleerd hoe hij/zij
met stress moet omgaan. Het kind vertoont een mengeling van toenadering en vermijding, wat leidt tot
verwarrend en tegenstrijdig gedrag.
Gehechtheid meten
Strange situation procedure (SSP) - Experiment bij zeer jonge kinderen in een ruimte met speelgoed waarbij de
moeder en een vreemde op een vaste volgorde steeds weggaan en terugkomen om verschillende situaties te
creëren. Het gedrag van het kind wordt geobserveerd.
Attachment Q-sort - Observatie van het jonge kind in de thuissituatie waarbij wordt gekeken naar de balans
tussen de nabijheid met de ouder en de exploratie van de omgeving. De ouder dient als een secure-base. Een
onafhankelijke observator beoordeelt 90 kaartjes met gedragsbeschrijvingen op een schaal van ‘volledig van
toepassing’ tot ‘helemaal niet van toepassing’. Deze verdeling wordt vergeleken met een hypothetisch optimaal
veilig gehecht kind.
Adult attachment interview (AAI) - Interview met volwassenen om hun herinneringen uit hun kindertijd in kaart te
brengen. Kwaliteit gehechtheidsrelatie gebaseerd op inhoud en coherentie van het verhaal. Er zijn vier
classificaties: veilig-autonoom, vermijdend, gepreoccupeerd, unresolved.
Classificatie AAI Beschrijving Koppeling aan SSP
- Coherent verhaal.
- Kan ouders vergeven in het geval van
Veilig-autonoom negatieve ervaringen. Veilig
- Praat open over ervaringen, niet door
in beslag genomen.
2 - Gehechtheid: Voorspellers en gevolgen 1
1 - Socialisatie van kinderen en adolescenten
Social Development H1, 7 & 9
Literatuur
Berns H1, 4, 6 & 7
Introductie
Psychodynamische benadering
Theorieën zelfregulatie
Socialisatie door de tijd heen (socialisatietheorieën)
Socialisatieprocessen en mechanismen
Socialisatie manieren
Opvoeding → Gedrag kind
Gedrag kind → opvoeding
Gedrag kind x opvoeding → sociale opvoeding kind
Gedrag kind → opvoeding → sociale ontwikkeling kind
Introductie
Socialisatie - Het proces waarbij individuen de kennis, vaardigheden en karaktereigenschappen leren die hen in
staat stellen om te participeren in de samenleving.
Psychodynamische benadering
Psychodynamische benadering (Freud) - Kinderen hebben veel impulsen (zoals agressie) die niet passend zijn in
de samenleving. Door een te sterke intrinsieke energie kunnen de kinderen deze impulsen niet controleren. Ze
moeten leren om ze te reguleren.
De persoonlijkheid die nog in ontwikkeling is bestaat uit drie delen:
1. Id - Primitieve driften die direct leiden tot genot.
Intrinsiek.
2. Ego - Behoeften bevredigen door middel van passend, sociaal constructief gedrag. Impulsen reguleren.
Werkelijkheid.
3. Superego - Het geweten. Weten wat wenselijk en juist is.
Moreel.
Taak ouders: Het kind helpen om impulsen te beheersen, om te buigen of uit te stellen zodat ze sociaal wenselijk
zijn.
Theorieën zelfregulatie
Theorieën over zelfregulatie:
Block & Block
Ego-controle - Het kunnen onderdrukken van impulsen.
Ego-resiliency - Weten wanneer je flexibel moet zijn in het uiten van impulsen.
Rothbart
Effortful control - In staat zijn om je aandacht te verdelen, dus weten wanneer je je moet focussen. Het
kunnen onderdrukken van impulsen (inhibitie). En waarnemend sensitief zijn, oftewel weten wanneer je
bepaald gedrag mag laten zien. Energie wordt ingehouden.
1 - Socialisatie van kinderen en adolescenten 1
, Socialisatie door de tijd heen (socialisatietheorieën)
Langeveld (1905-1989): Kinderen moeten leren mondig (zelfstandig) te worden. Het doel is zelfverantwoordelijke
zelfbepaling. Hier moeten ouders bij helpen.
Spock (1903-1998): Ouders hebben behoefte aan informatie en ondersteuning. Spock heeft veel boeken
geschreven voor ouders.
Pavlov en Watson (begin 20e eeuw): Klassieke conditionering.
Klassieke conditionering - Leren door associaties tussen stimuli en responses.
Het kind is een onbeschreven blad (tabula rasa).
Skinner (eind 20e eeuw): Operante conditionering.
Operante conditionering - Leren door middel van bekrachtiging en straffen.
Patterson (1926-2016): Coercion cycle.
1. Ouder dringt op aversieve manier binnen in de activiteit van het kind.
2. Het kind gaat in de tegenaanval.
3. Ouder stopt met berispen.
4. Het kind staakt de tegenaanval.
Bv: (1) Het kind moet van de ouder de tafel dekken, maar (2) heeft daar geen zin in en gaat boos doen. (3) De
ouder gaat zelf de tafel dekken om van het boze gedrag af te zijn (negatieve bekrachtiging) en (4) het kind
stopt met boos zijn.
Op korte termijn is het fijn dat het kind dan gaat stoppen met de tegenaanval, maar op lange termijn stimuleer
je de tegenaanval.
Bandura (1925-2021): Sociaal cognitieve leertheorie.
Sociaal cognitieve leertheorie - We leren door te observeren en imiteren.
Je kan iets leren door te observeren, maar we imiteren pas als we motivatie hebben en self-efficacy (denken
dat je het kan).
Ouders moeten het goede voorbeeld geven.
Bowlby (1969): Attachment and loss.
Het kind heeft de aangeboren neiging om bij de ouder bescherming te zoeken in geval van stress, gevaar of
ziekte. Hij gebruikt de ouder om de omgeving te exploreren. Ouders moeten ingaan op deze behoeften.
Empirisch uitgewerkt door Ainsworth.
Lorenz (1903-1989): Belang van kritieke fase.
Onderzocht met een experiment over het volggedrag van ganzen.
Harlow: Koestering belangrijker dan voedsel.
Onderzocht met een experiment bij baby-aapjes en twee objecten waarbij de één lijkt op een zachte
moederaap en de ander van staal is en voedsel bevat.
Socialisatieprocessen en mechanismen
Socialisatie manieren
Unidirectioneel: Eén richting op.
Opvoeding → gedrag kind of andersom.
Bidirectioneel: Beide richtingen op.
Opvoeding ↔ gedrag kind.
1 - Socialisatie van kinderen en adolescenten 2
, Transactioneel: Uni + bi. Interacties over een lange tijd.
Opvoeding → gedrag kind → opvoeding → gedrag kind…
Opvoeding → Gedrag kind
Vier opvoedstijlen (Lewin, Leppitt en White):
Autoritatief/democratisch
Beste resultaten (tevreden, coöperatief en productief).
Autoritair
Ongewenste ontwikkeling, maar wel gehoorzaamheid.
Laissez-faire/permissief
Ook schadelijk, want kinderen leren geen gevolgen van hun slechte gedrag.
Onverschillig/verwaarlozend
Twee dimensies:
Controle/strikt (demanding): Afspraken en regels, controle, stellen van grenzen, handhaven.
Responsiviteit/sensitief (responsiveness) / warmte: Warmte, sensitiviteit, steun, accepteren, snel en adequaat
reageren op gedrag van het kind.
Lage controle Hoge controle
Hoge responsiviteit Permissief Autoritatief
Lage responsiviteit Verwaarlozend Autoritair
Baumrind: De opvoedstijl heeft invloed op het gedrag van een kind.
Helicopter-parenting (of hyperouders) - Overbezorgde overbetrokken ouders. Ze willen te veel betrokken zijn in
het leven van hun kind, waardoor het kind geen ruimte krijgt om zelfstandig te worden.
Dit is een nieuw soort ouder die niet is opgenomen in de vier opvoedingsstijlen.
Gedrag kind → opvoeding
De opvoeding en het gedrag van de kind kunnen ook andersom invloed hebben op elkaar.
Bv: Een kind is angstig. Ouders anticiperen op deze angst en zijn meer controlerend. Op lange termijn leren
kinderen hierdoor niet goed hoe ze moeten omgaan met angst en durven ze bijvoorbeeld geen nieuwe
omgevingen te verkennen.
Gedrag kind x opvoeding → sociale opvoeding kind
Moderatie - Een derde factor, de moderator, heeft invloed op de relatie tussen factor
X en Y.
Bv: Opvoeding x gedrag kind → ontwikkeling. Oftewel, het gedrag (bv angst) van
het kind heeft invloed op de relatie tussen opvoeding en ontwikkeling.
Gedrag kind → opvoeding → sociale ontwikkeling kind
Mediatie - Factor X heeft invloed op de mediator en die heeft invloed op factor Y.
Er is een direct en indirect effect.
Bv: Vriendelijkheid → opvoeding → prosociaal gedrag.
1 - Socialisatie van kinderen en adolescenten 3
, ✏️
2 - Gehechtheid: Voorspellers en gevolgen
Social Development H4
Literatuur Van Zeijl et al.
De Wolff & Van IJzendoorn
Soorten gehechtheid
Gehechtheid meten
Voorspellers van gehechtheid
Biologische voorspellers
Contextuele voorspellers
Sensitief en responsief ouderschap (Ainsworth)
Meta-analyse sensitiviteit en gehechtheid
Gevolgen goede gehechtheid
Voorbeeld gehechtheidsinterventie
Soorten gehechtheid
Gehechtheid (attachment) - Relatie tussen kind en een ander persoon, vaak ouder.
Vier soorten gehechtheid:
Veilig gehecht - Het kind vertrouwt de ouder, zoekt steun en kan gerustgesteld worden, en durft de omgeving
te ontdekken.
Onveilig vermijdend gehecht - Het kind vermijdt contact met de ouder, ook tijdens stress.
Onveilig ambivalent gehecht - De ouder is onvoorspelbaar (reageert soms wel en soms niet) waar het kind
stress van krijgt. Het kind is aanhankelijk en wil dichtbij de ouder blijven, waardoor er weinig exploratie is.
Maar het kind kan ook agressief zijn naar de ouder als ze weg is geweest en is moeilijk te troosten.
Gedesorganiseerd - De ouder is angstaanjagend en onvoorspelbaar. Het kind heeft nooit geleerd hoe hij/zij
met stress moet omgaan. Het kind vertoont een mengeling van toenadering en vermijding, wat leidt tot
verwarrend en tegenstrijdig gedrag.
Gehechtheid meten
Strange situation procedure (SSP) - Experiment bij zeer jonge kinderen in een ruimte met speelgoed waarbij de
moeder en een vreemde op een vaste volgorde steeds weggaan en terugkomen om verschillende situaties te
creëren. Het gedrag van het kind wordt geobserveerd.
Attachment Q-sort - Observatie van het jonge kind in de thuissituatie waarbij wordt gekeken naar de balans
tussen de nabijheid met de ouder en de exploratie van de omgeving. De ouder dient als een secure-base. Een
onafhankelijke observator beoordeelt 90 kaartjes met gedragsbeschrijvingen op een schaal van ‘volledig van
toepassing’ tot ‘helemaal niet van toepassing’. Deze verdeling wordt vergeleken met een hypothetisch optimaal
veilig gehecht kind.
Adult attachment interview (AAI) - Interview met volwassenen om hun herinneringen uit hun kindertijd in kaart te
brengen. Kwaliteit gehechtheidsrelatie gebaseerd op inhoud en coherentie van het verhaal. Er zijn vier
classificaties: veilig-autonoom, vermijdend, gepreoccupeerd, unresolved.
Classificatie AAI Beschrijving Koppeling aan SSP
- Coherent verhaal.
- Kan ouders vergeven in het geval van
Veilig-autonoom negatieve ervaringen. Veilig
- Praat open over ervaringen, niet door
in beslag genomen.
2 - Gehechtheid: Voorspellers en gevolgen 1