Introductie maatschappijwetenschappen
Hoofdstuk introductie
● Sociologische theorie = het geheel van concepten en conceptuele kaders dat wordt
gebruikt om de gelaagde empirische patronen en onderliggende processen in de
samenleving te begrijpen.
● Concepten = specifieke ideeën over de sociale wereld die worden gedefinieerd en
uitgewerkt door een bepaalde theoreticus of denkrichting.
● Conceptueel kader = de relatief samenhangende en onderling verbonden set van
ideeën of concepten die een bepaalde theoreticus of denkrichting gebruikt om een
specifiek perspectief op zaken uit te werken; een bepaalde manier om het sociale
leven te bekijken, te kaderen en te theoretiseren.
● Pluralistisch = het gelijktijdig naast elkaar bestaan van, en de wederzijdse interactie
tussen, diverse stromingen (in denken, onderzoek of groepen mensen).
● Macro = analytische focus op grootschalige structuren (bijv. kapitalisme) en
processen (bijv. klassenongelijkheid).
● Sociale structuren = vormen van sociale organisatie (bijv. kapitalisme, democratie,
bureaucratie, onderwijs en gender) in een bepaalde samenleving die sociaal gedrag
structureren of begrenzen in alle domeinen van het sociale leven, inclusief de
culturele verwachtingen en normen (bijv. individualisme) die sociale institutionele
arrangementen ondersteunen en legitimeren.
● Micro = analytische focus op kleinschalige, interpersoonlijke en
kleine-groepsinteractie.
● Agentschap = individuen, groepen en andere collectiviteiten die autonomie
uitoefenen tegenover sociale instituties, sociale structuren en culturele
verwachtingen.
● Klassieke theorie = de ideeën, concepten en het intellectuele kader dat werd
uiteengezet door de grondleggers van de sociologie (Marx, Durkheim, Weber en
Martineau).
● Canon = gevestigde verzameling kernkennis en kernideeën binnen een bepaald
studiegebied.
● Harriet Martineau = definieerde sociologie als de wetenschappelijke studie van
moraliteit en zeden. Het onderwerp van de sociologie verschilt van dat van de
natuurwetenschappen. Hanteerde een positieve wetenschappelijke methode die ook
een sympathiek begrip van individuen omvat.
● Democratie = politieke structuur die voortkomt uit de opvatting dat, omdat alle
individuen over verstand beschikken en als gelijken worden beschouwd, zij het recht
(en de verplichting) hebben om deel te nemen aan het politieke bestuur van hun
gezamenlijke leven in de samenleving.
● Rede = het menselijk vermogen om over zaken na te denken; om kennis te creëren,
toe te passen, en te beoordelen; en daardoor in staat te zijn om de eigen en
andermans levenservaringen en de sociaalhistorische context die die ervaringen
vormgeven te evalueren.
, ● Rationaliteit = nadruk op het gezag van de rede in het overwegen van, en het
beoordelen van, verklaringen voor de aard van de werkelijkheid/sociale problemen.
● Onschendbare rechten = overtuiging uit de Verlichting dat alle individuen, op grond
van hun menselijkheid en hun natuurlijk aanwezige rede, het recht hebben om
volledig deel te nemen aan de samenleving op manieren die hun menselijkheid
weerspiegelen en verrijken (bijv. vrijheid van meningsuiting, van vergadering, om te
stemmen, enz.).
● Utilitarisme = idee van klassieke economen dat individuen rationele, op eigenbelang
gerichte actoren zijn die verschillende handelingsmogelijkheden beoordelen op basis
van hun bruikbaarheid (nut) of waarde voor henzelf.
● Wetenschappelijke redenering = nadruk op het ontdekken van verklarende kennis
door het gebruik van empirische gegevens en hun systematische analyse, in plaats
van te vertrouwen op filosofische aannames en geloofs- of religieuze overtuigingen.
● Empirisme = gebruik van bewijs of gegevens bij het beschrijven en analyseren van
de samenleving.
● Auguste Comte = omschreef sociologie als de empirische, positieve wetenschap
van de samenleving. Positieve sociologie = wetenschappelijk vindbare wetten van de
samenleving.
● Positivist = het idee dat de sociologie als wetenschap dezelfde wetenschappelijke
methode van onderzoek en verklaring kan gebruiken als de natuurwetenschappen,
waarbij alleen wordt gefocust op observeerbare gegevens en de samenleving wordt
bestudeerd met dezelfde objectiviteit als bij fysische/biologische verschijnselen.
● Objectiviteit = positivistisch idee (uitgewerkt door Comte) dat de sociologie een
onbevooroordeelde (objectieve) analyse kan geven van een direct observeerbare en
meetbare, objectieve sociale werkelijkheid. Deze benadering veronderstelt dat feiten
op zichzelf staan en een objectieve realiteit hebben, onafhankelijk van de sociale en
historische context en onafhankelijk van welke theorieën of ideeën ook onze manier
van kaderen, kijken, en interpreteren van gegevens beïnvloeden.
● Wilhelm Dilthey = omschreef sociologie als interpreterend begrip.
● Interpreterend begrip = verstehen; taak van de socioloog om de verschillende
motivaties te begrijpen die ten grondslag liggen aan betekenisvol handelen; omdat
de sociologie menselijke geleefde ervaring bestudeert (in tegenstelling tot fysieke
verschijnselen), hebben sociologen een methodologie nodig die hen in staat stelt
menselijk-sociaal gedrag empathisch te begrijpen.
● Emancipatorische kennis = het gebruik van sociologische kennis om sociale
gelijkheid te bevorderen.
● William Du Bois = de eerste socioloog die systematisch de aandacht vestigde op
raciale ongelijkheid.
● Dubbel bewustzijn = de vervreemding van de alledaagse identiteit/het alledaagse
bewustzijn van zwarte mensen als gevolg van slavernij, waardoor zij zichzelf
constant zien door de ogen van (superieure) witte mensen, het dominante ras.