Leerdoel 1: Basisvaardigheden in kwantitatieve data-analyse aan te kunnen tonen door kwantitatieve data te
analyseren.
Onderwerpen:
Betrouwbaarheid (theorie)
Chi-kwadraat (theorie)
Chi-kwadraat (statistisch)
Correlatie (statistisch)
Correlatie & causaliteit (theorie)
Normaalverdeling (theorie)
Regressieanalyse (theorie)
Regressieanalyse (statistisch)
Significantie (theorie)
Significantie (statistisch)
Spreiding (standaarddeviatie & variantie - theorie)
Steekproeven (theorie)
Betrouwbaarheid (theorie)
Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie of stabiliteit van een meetinstrument. Als je bijvoorbeeld dezelfde
meting meerdere keren uitvoert onder dezelfde omstandigheden, zou je dezelfde resultaten moeten krijgen. De
mate van betrouwbaarheid is dus belangrijk om te weten of de resultaten betrouwbaar zijn.
Interne consistentie: De mate waarin items in een test of vragenlijst met elkaar samenhangen.
Test-hertest betrouwbaarheid: Het meten van de stabiliteit van een instrument over de tijd door
dezelfde meting herhaaldelijk uit te voeren.
Split-half betrouwbaarheid: Het verdelen van de test in twee gelijke delen en kijken of beide delen
vergelijkbare resultaten geven.
Chi-kwadraat (theorie en statistisch)
Chi-kwadraat wordt gebruikt om de relatie tussen twee categorische variabelen te testen. Het is een statistische
toets die onderzoekt of er een significante afwijking is tussen de verwachte en werkelijke frequenties in een tabel.
Toepassing: Bijvoorbeeld in een kruistabel waar je de relatie tussen geslacht en voorkeur voor een
bepaald product wilt testen.
Correlatie (theorie en statistisch)
Correlatie meet de sterkte en richting van een lineair verband tussen twee variabelen.
Formule Pearson correlatiecoëfficiënt:
Correlatie & causaliteit (theorie)
Correlatie betekent niet noodzakelijk causaliteit. Twee variabelen kunnen sterk gecorreleerd zijn zonder dat de
ene de andere veroorzaakt. Bijvoorbeeld, er is een correlatie tussen het aantal ijsjes dat wordt verkocht en het
aantal verdrinkingsdoden, maar het ene veroorzaakt het andere niet; beide zijn gerelateerd aan de temperatuur.
Normaalverdeling (theorie)
Een normaalverdeling is een bellcurve, een symmetrische verdeling van gegevens rond het gemiddelde.
, Eigenschappen:
o Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen in het midden van de verdeling.
o Ongeveer 68% van de waarden liggen binnen één standaarddeviatie van het gemiddelde, 95%
binnen twee, en 99,7% binnen drie standaarddeviaties (de zogenaamde 68-95-99,7 regel).
Regressieanalyse (theorie en statistisch)
Regressieanalyse onderzoekt de relatie tussen een afhankelijke variabele (Y) en een of meer onafhankelijke
variabelen (X). Het wordt vaak gebruikt om voorspellingen te doen.+
Significantie (theorie en statistisch)
Significantie gaat over de vraag of een resultaat waarschijnlijk niet door toeval is veroorzaakt.
P-waarde: De kans dat het gevonden resultaat door toeval komt. Als de p-waarde kleiner is dan de
gekozen alfa (bijvoorbeeld 0,05), dan wordt het resultaat als significant beschouwd.
Spreiding (standaarddeviatie en variantie)
Spreiding geeft aan hoe ver de waarnemingen van het gemiddelde afliggen.
Standaarddeviatie: De vierkantswortel van de variantie en geeft de gemiddelde afwijking van het
gemiddelde in dezelfde eenheid als de data.
Variantie: Het gemiddelde van de gekwadrateerde afwijkingen van het gemiddelde, maar uitgedrukt in
de eenheid van het kwadraat van de data.
Steekproeven (theorie)
Een steekproef is een representatieve subset van een populatie die gebruikt wordt om de populatie te schatten.
Een steekproef moet willekeurig en voldoende groot zijn om representatief te zijn.
Leerdoel 2: Basisvaardigheden in kwalitatieve data-analyse
Onderwerpen:
Coderen van kwalitatieve data (theorie & toepassing):
o Cyclisch (inductief/ deductief)
o Open, axiaal en selectief
o Structuren en visualiseren van kwalitatieve data-analyse
Methoden en bronnen van kwalitatieve data-analyse
Triangulatie
Coderen van kwalitatieve data (theorie & toepassing)
Coderen is een fundamenteel proces in kwalitatief onderzoek, waarbij gegevens (zoals interviews, observaties of
documenten) systematisch worden geanalyseerd door betekenisvolle eenheden van data te labelen (codes).
Cyclisch proces: inductief vs. deductief
Inductief coderen:
o Hierbij begin je met de gegevens zelf en ontwikkel je codes op basis van wat zich aandient in
de data. Je zoekt naar patronen of thema's die je nog niet vooraf had gedefinieerd. Dit is een
bottom-up benadering.
o Voorbeeld: Je analyseert open interviews en ontdekt verschillende thema’s die de
respondenten spontaan aandragen, zoals 'stress op het werk', 'onduidelijke communicatie', etc.
Deductief coderen:
o Bij deductief coderen begin je met een bestaande theorie of hypothese en zoek je naar data die
de theorie of hypothese bevestigen of tegenspreken. Dit is een top-down benadering.
analyseren.
Onderwerpen:
Betrouwbaarheid (theorie)
Chi-kwadraat (theorie)
Chi-kwadraat (statistisch)
Correlatie (statistisch)
Correlatie & causaliteit (theorie)
Normaalverdeling (theorie)
Regressieanalyse (theorie)
Regressieanalyse (statistisch)
Significantie (theorie)
Significantie (statistisch)
Spreiding (standaarddeviatie & variantie - theorie)
Steekproeven (theorie)
Betrouwbaarheid (theorie)
Betrouwbaarheid verwijst naar de consistentie of stabiliteit van een meetinstrument. Als je bijvoorbeeld dezelfde
meting meerdere keren uitvoert onder dezelfde omstandigheden, zou je dezelfde resultaten moeten krijgen. De
mate van betrouwbaarheid is dus belangrijk om te weten of de resultaten betrouwbaar zijn.
Interne consistentie: De mate waarin items in een test of vragenlijst met elkaar samenhangen.
Test-hertest betrouwbaarheid: Het meten van de stabiliteit van een instrument over de tijd door
dezelfde meting herhaaldelijk uit te voeren.
Split-half betrouwbaarheid: Het verdelen van de test in twee gelijke delen en kijken of beide delen
vergelijkbare resultaten geven.
Chi-kwadraat (theorie en statistisch)
Chi-kwadraat wordt gebruikt om de relatie tussen twee categorische variabelen te testen. Het is een statistische
toets die onderzoekt of er een significante afwijking is tussen de verwachte en werkelijke frequenties in een tabel.
Toepassing: Bijvoorbeeld in een kruistabel waar je de relatie tussen geslacht en voorkeur voor een
bepaald product wilt testen.
Correlatie (theorie en statistisch)
Correlatie meet de sterkte en richting van een lineair verband tussen twee variabelen.
Formule Pearson correlatiecoëfficiënt:
Correlatie & causaliteit (theorie)
Correlatie betekent niet noodzakelijk causaliteit. Twee variabelen kunnen sterk gecorreleerd zijn zonder dat de
ene de andere veroorzaakt. Bijvoorbeeld, er is een correlatie tussen het aantal ijsjes dat wordt verkocht en het
aantal verdrinkingsdoden, maar het ene veroorzaakt het andere niet; beide zijn gerelateerd aan de temperatuur.
Normaalverdeling (theorie)
Een normaalverdeling is een bellcurve, een symmetrische verdeling van gegevens rond het gemiddelde.
, Eigenschappen:
o Gemiddelde, mediaan en modus vallen samen in het midden van de verdeling.
o Ongeveer 68% van de waarden liggen binnen één standaarddeviatie van het gemiddelde, 95%
binnen twee, en 99,7% binnen drie standaarddeviaties (de zogenaamde 68-95-99,7 regel).
Regressieanalyse (theorie en statistisch)
Regressieanalyse onderzoekt de relatie tussen een afhankelijke variabele (Y) en een of meer onafhankelijke
variabelen (X). Het wordt vaak gebruikt om voorspellingen te doen.+
Significantie (theorie en statistisch)
Significantie gaat over de vraag of een resultaat waarschijnlijk niet door toeval is veroorzaakt.
P-waarde: De kans dat het gevonden resultaat door toeval komt. Als de p-waarde kleiner is dan de
gekozen alfa (bijvoorbeeld 0,05), dan wordt het resultaat als significant beschouwd.
Spreiding (standaarddeviatie en variantie)
Spreiding geeft aan hoe ver de waarnemingen van het gemiddelde afliggen.
Standaarddeviatie: De vierkantswortel van de variantie en geeft de gemiddelde afwijking van het
gemiddelde in dezelfde eenheid als de data.
Variantie: Het gemiddelde van de gekwadrateerde afwijkingen van het gemiddelde, maar uitgedrukt in
de eenheid van het kwadraat van de data.
Steekproeven (theorie)
Een steekproef is een representatieve subset van een populatie die gebruikt wordt om de populatie te schatten.
Een steekproef moet willekeurig en voldoende groot zijn om representatief te zijn.
Leerdoel 2: Basisvaardigheden in kwalitatieve data-analyse
Onderwerpen:
Coderen van kwalitatieve data (theorie & toepassing):
o Cyclisch (inductief/ deductief)
o Open, axiaal en selectief
o Structuren en visualiseren van kwalitatieve data-analyse
Methoden en bronnen van kwalitatieve data-analyse
Triangulatie
Coderen van kwalitatieve data (theorie & toepassing)
Coderen is een fundamenteel proces in kwalitatief onderzoek, waarbij gegevens (zoals interviews, observaties of
documenten) systematisch worden geanalyseerd door betekenisvolle eenheden van data te labelen (codes).
Cyclisch proces: inductief vs. deductief
Inductief coderen:
o Hierbij begin je met de gegevens zelf en ontwikkel je codes op basis van wat zich aandient in
de data. Je zoekt naar patronen of thema's die je nog niet vooraf had gedefinieerd. Dit is een
bottom-up benadering.
o Voorbeeld: Je analyseert open interviews en ontdekt verschillende thema’s die de
respondenten spontaan aandragen, zoals 'stress op het werk', 'onduidelijke communicatie', etc.
Deductief coderen:
o Bij deductief coderen begin je met een bestaande theorie of hypothese en zoek je naar data die
de theorie of hypothese bevestigen of tegenspreken. Dit is een top-down benadering.