Begrippenlijst: Hoorcollege 1A
Superdiversiteit: beschrijft hoe complex en veelzijdig de samenleving is geworden.
Intersectionaliteit (en relevantie voor pedagogen): is een begrip dat uitlegt dat mensen
vaak meerdere identiteiten tegelijk hebben (zoals geslacht, huidskleur, afkomst, seksuele
oriëntatie, beperking, sociale klasse) en dat deze elkaar kruisen en samen invloed hebben
op hoe iemand wordt behandeld en welke kansen of obstakels iemand ervaart.
Creolisering: het feit dat je dingen overneemt van elkaars cultuur
Sociale afstand
Sociaal culturele uitsluiting: is het structureel buitensluiten van mensen uit sociale
contacten, culturele activiteiten en maatschappelijke deelname.
Economisch-structurele uitsluiting: een vorm van sociale uitsluiting waarbij mensen
systematisch worden beperkt in hun deelname aan de maatschappij door een combinatie
van armoede, onvoldoende inkomen, en gebrek aan toegang tot materiële basisbehoeften
en sociale grondrechten (zoals fatsoenlijke huisvesting, gezondheidszorg, en onderwijs)
Sociaal-culturele uitsluiting Economisch-structurele uitsluiting
Sociale participatie Materiële deprivatie
- Sociale netwerken - Financiële tekorten (relatief)
- Contacten - Overige producten
- Sociale betrokkenheid
Normatieve integratie Toegang tot sociale grondrechten
- Naleven van regels - Onderwijs
- Normen en waarden hanteren - Gezondheidszorg
- Leefomgeving
Kenmerken van armoede:
- Relatief: het gaat niet om hoeveel je hebt maar om hoeveel je hebt ten opzichte van
een ander.
- Meerdimensionaal: het gaan om meer dan alleen maar hoeveel geld je hebt, maar
ook om hoeveel kansen je hebt, opleidingsniveau etc.
- Gradueel: je kan een beetje arm zijn, heel erg arm etc.
- Tijdsduur: als je op een dag geen geld hebt omdat je een auto moest kopen, ben je
tijdelijk arm, maar het gaat erom dat je een lange tijd structureel geen geld hebt.
Armoede als sociale breuklijn
Typen kapitaal
- Economisch kapitaal: alles wat in geld uit te drukken is.
- Sociaal kapitaal: mate waarin iemand over voordelige sociale connecties beschikt,
én competenties om deze te onderhouden.
- Cultureel kapitaal: beheersing van culturele competenties die eigen zijn aan hogere
sociale posities. Bekendheid met de dominante cultuur: kennis en ‘snappen’, bezit,
formele waardering.
-
Bonding: veel mensen kennen en goede band hebben met mensen die uit jouw groep
komen/op jou lijken. Dezelfde maatschappelijke achtergrond delen. Vluchtelingen die
connecties met elkaar hebben.
,Bridging: mensen kennen uit andere groepen, die een brug kunnen vormen. Een vluchteling
heeft bijvoorbeeld connecties met Nederlanders.
Linking: de mate waarin jij een sociaal netwerk hebt die jou in contact kunnen brengen met
mensen die niet op jou lijken. Links naar andere kringen
De capability-benadering gaat niet over wat iemand heeft, maar over wat iemand kán doen
en kán worden.
Middelen mogelijkheden functie
(aanbod, conversie en transfer)
,Begrippenlijst hoorcollege 1B
Ouderschap is een live-event:
- Is een van de grootste transities in het leven, een onomkeerbare levensgebeurtenis
(life-event)
- Is een existentiële verandering (raakt je gehele mens-zijn) die ouders kwetsbaar
maakt
- Is een biologische en emotionele gebeurtenis met grote psychologische betekenis
(beïnvloedt je gedrag en geest).
- Is ook een heel natuurlijke gebeurtenis.
Alice van der Pas heeft zich verdiept in ouderschap en ontwikkelde de
ouderschapstheorie: De ouderschapstheorie van Alice van der Pas is gebaseerd op drie
aannames:
Vijf universele basisvaardigheden (basisgereedschap)
1. Veiligheid bieden (letterlijke veiligheid en een thuis bieden) die varieert van babytijd
tot volwassenheid. Denk aan: traphekjes, speelgoed voor leeftijd van het kind, je kind
voorbereiden op wat in de wereld speelt.
2. Verzorging (verzorgen van het kind)
3. Zicht houden op het kind (letterlijk of figuurlijk) – wie is dit kind (‘mentaal portret’
vormen), wie is dit kind, wat is zijn of haar behoefte?
4. Verwachtingen hebben en eisen stellen (stelt hoge eisen aan de ouder)
5. Grenzen stellen (ouders proberen een gezagscrisis te voorkomen)
De dagelijkse praktijk van ouderschap vraagt om ‘timen en doseren’
- Timing: niet te vroeg en niet te laat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase van
een kind
- Doseren: niet te veel en niet te weinig (laveren tussen het kind alles zelf laten doen
en alles aan het kind overlaten)
, Ouderschap is een proces dat nooit compleet en af is, dat ook ambivalente
(tegengestelde) gevoelens op roept en prikkelgevoelig maakt (kan verschillende
emoties en ‘hete cognities’ (hot cognitions’) oproepen, bijv. gevoelens van
incompetentie of falen:
Ouderschap confronteert ouders ook met onaangename emoties en gevoelens van
ambivalentie (tegenstellingen) die voortkomen uit:
- De praktijk van het opvoeden (en die inherent zijn aan opvoeden)
- De behoeften van het kind (het egocentrisch zijn)
- De ontwikkelingsfase van een kind
- De ouder zelf en zijn of haar emotionele gevoeligheden
- Het besef van ouderlijke verantwoordelijkheid
Ouderschap maakt ‘prikkelgevoelig’. Hetzelfde gedrag van een kind, kan bij verschillende
ouders heel andere emoties teweegbrengen, afhankelijk van de interpretatie door de ouder
Superdiversiteit: beschrijft hoe complex en veelzijdig de samenleving is geworden.
Intersectionaliteit (en relevantie voor pedagogen): is een begrip dat uitlegt dat mensen
vaak meerdere identiteiten tegelijk hebben (zoals geslacht, huidskleur, afkomst, seksuele
oriëntatie, beperking, sociale klasse) en dat deze elkaar kruisen en samen invloed hebben
op hoe iemand wordt behandeld en welke kansen of obstakels iemand ervaart.
Creolisering: het feit dat je dingen overneemt van elkaars cultuur
Sociale afstand
Sociaal culturele uitsluiting: is het structureel buitensluiten van mensen uit sociale
contacten, culturele activiteiten en maatschappelijke deelname.
Economisch-structurele uitsluiting: een vorm van sociale uitsluiting waarbij mensen
systematisch worden beperkt in hun deelname aan de maatschappij door een combinatie
van armoede, onvoldoende inkomen, en gebrek aan toegang tot materiële basisbehoeften
en sociale grondrechten (zoals fatsoenlijke huisvesting, gezondheidszorg, en onderwijs)
Sociaal-culturele uitsluiting Economisch-structurele uitsluiting
Sociale participatie Materiële deprivatie
- Sociale netwerken - Financiële tekorten (relatief)
- Contacten - Overige producten
- Sociale betrokkenheid
Normatieve integratie Toegang tot sociale grondrechten
- Naleven van regels - Onderwijs
- Normen en waarden hanteren - Gezondheidszorg
- Leefomgeving
Kenmerken van armoede:
- Relatief: het gaat niet om hoeveel je hebt maar om hoeveel je hebt ten opzichte van
een ander.
- Meerdimensionaal: het gaan om meer dan alleen maar hoeveel geld je hebt, maar
ook om hoeveel kansen je hebt, opleidingsniveau etc.
- Gradueel: je kan een beetje arm zijn, heel erg arm etc.
- Tijdsduur: als je op een dag geen geld hebt omdat je een auto moest kopen, ben je
tijdelijk arm, maar het gaat erom dat je een lange tijd structureel geen geld hebt.
Armoede als sociale breuklijn
Typen kapitaal
- Economisch kapitaal: alles wat in geld uit te drukken is.
- Sociaal kapitaal: mate waarin iemand over voordelige sociale connecties beschikt,
én competenties om deze te onderhouden.
- Cultureel kapitaal: beheersing van culturele competenties die eigen zijn aan hogere
sociale posities. Bekendheid met de dominante cultuur: kennis en ‘snappen’, bezit,
formele waardering.
-
Bonding: veel mensen kennen en goede band hebben met mensen die uit jouw groep
komen/op jou lijken. Dezelfde maatschappelijke achtergrond delen. Vluchtelingen die
connecties met elkaar hebben.
,Bridging: mensen kennen uit andere groepen, die een brug kunnen vormen. Een vluchteling
heeft bijvoorbeeld connecties met Nederlanders.
Linking: de mate waarin jij een sociaal netwerk hebt die jou in contact kunnen brengen met
mensen die niet op jou lijken. Links naar andere kringen
De capability-benadering gaat niet over wat iemand heeft, maar over wat iemand kán doen
en kán worden.
Middelen mogelijkheden functie
(aanbod, conversie en transfer)
,Begrippenlijst hoorcollege 1B
Ouderschap is een live-event:
- Is een van de grootste transities in het leven, een onomkeerbare levensgebeurtenis
(life-event)
- Is een existentiële verandering (raakt je gehele mens-zijn) die ouders kwetsbaar
maakt
- Is een biologische en emotionele gebeurtenis met grote psychologische betekenis
(beïnvloedt je gedrag en geest).
- Is ook een heel natuurlijke gebeurtenis.
Alice van der Pas heeft zich verdiept in ouderschap en ontwikkelde de
ouderschapstheorie: De ouderschapstheorie van Alice van der Pas is gebaseerd op drie
aannames:
Vijf universele basisvaardigheden (basisgereedschap)
1. Veiligheid bieden (letterlijke veiligheid en een thuis bieden) die varieert van babytijd
tot volwassenheid. Denk aan: traphekjes, speelgoed voor leeftijd van het kind, je kind
voorbereiden op wat in de wereld speelt.
2. Verzorging (verzorgen van het kind)
3. Zicht houden op het kind (letterlijk of figuurlijk) – wie is dit kind (‘mentaal portret’
vormen), wie is dit kind, wat is zijn of haar behoefte?
4. Verwachtingen hebben en eisen stellen (stelt hoge eisen aan de ouder)
5. Grenzen stellen (ouders proberen een gezagscrisis te voorkomen)
De dagelijkse praktijk van ouderschap vraagt om ‘timen en doseren’
- Timing: niet te vroeg en niet te laat, rekening houdend met de ontwikkelingsfase van
een kind
- Doseren: niet te veel en niet te weinig (laveren tussen het kind alles zelf laten doen
en alles aan het kind overlaten)
, Ouderschap is een proces dat nooit compleet en af is, dat ook ambivalente
(tegengestelde) gevoelens op roept en prikkelgevoelig maakt (kan verschillende
emoties en ‘hete cognities’ (hot cognitions’) oproepen, bijv. gevoelens van
incompetentie of falen:
Ouderschap confronteert ouders ook met onaangename emoties en gevoelens van
ambivalentie (tegenstellingen) die voortkomen uit:
- De praktijk van het opvoeden (en die inherent zijn aan opvoeden)
- De behoeften van het kind (het egocentrisch zijn)
- De ontwikkelingsfase van een kind
- De ouder zelf en zijn of haar emotionele gevoeligheden
- Het besef van ouderlijke verantwoordelijkheid
Ouderschap maakt ‘prikkelgevoelig’. Hetzelfde gedrag van een kind, kan bij verschillende
ouders heel andere emoties teweegbrengen, afhankelijk van de interpretatie door de ouder