HOOFDSTUK 6. DELICTSTYPICITEIT
Afdeling 1. Inleiding: Begrip en belang
§1. Begrip
118. OMSCHRIJVING. De eerste algemene voorwaarde van strafbaarheid is de delictstypiciteit. Bestraffing van
een gedraging is maar mogelijk indien de tenlastelegging betrekking heeft op een delictstypische gedraging. De
rechter moet ten laste gelegde feiten kunnen onderbrengen onder de termen van een wettelijke
delictsomschrijving, het gedrag moet "onder die termen vallen". Delictstypiciteit van een gedraging slaat dus
op het geheel van de voor een specifiek misdrijf typische voorwaarden voor de strafbaarheid van die
gedraging, zoals deze blijken uit een wettelijke delictsomschrijving. Anders verwoord: een delictstypische
gedraging is een gedraging waarbij alle constitutieve bestanddelen voorhanden zijn die de wetgever voor een
specifiek misdrijf noodzakelijk acht. Dat betekent zowel de voor dat misdrijf vastgelegde objectieve
bestanddelen (materieel bestanddeel, art. 6 NSw.), als de door de wetgever voor dat gedrag expliciet of
impliciet vereiste delictstypische schuldbestanddelen (ook de schuldvorm genoemd, moreel bestanddeel, art.
7 NSw.) (zie nr. 155 hieronder).
In de delictsomschrijving van diefstal (art. 463 NSw.): "het bedrieglijk wegnemen, zelfs kortstondig, van een
zaak die aan een ander toebehoort...", bestaat het delictstypische objectieve bestanddeel (materieel
bestanddeel) in "het wegnemen, zelfs kortstondig, van een zaak die aan een ander toebehoort" en het
delictstypische schuldbestanddeel, de schuldvorm (moreel bestanddeel), in het "bedrieglijk opzet".
119. SITUERING. De delictstypiciteit van een gedraging als voorwaarde voor de strafbaarheid vloeit voort uit
het legaliteitsbeginsel (nullum crimen sine lege) in artikel NSw. Dat heeft in een democratische rechtsstaat een
dubbele rechtspolitieke functie (zie nr. 68 hierboven): bescherming (tegen willekeurig overheidsoptreden) en
waarschuwing (ontrading van delictueel gedrag). Bij de interpretatie van de strafwet moet de rechter met deze
dubbele functie rekening houden (zie nr. 70 hierboven en 109 hierboven).
§ 2. Belang
A. Materieel strafrecht
120. VERMOEDEN OOK VOLDAAN ANDERE VOORWAARDEN. dat een gedraging aan een wettelijke
delictsomschrijving beantwoordt, maakt deze De enkele omstandigheid gedraging niet automatisch
wederrechtelijk, verwijtbaar en strafwaardig. Als eerste strafbaarheidsvoorwaarde schept de delictstypiciteit
slechts een vermoeden wederrechtelijkheid (art. 5, tweede lid NSw.), verwijtbaarheid (schuld, art. 7, § 1,
tweede lid NSw.) en strafwaardigheid, dat echter weerlegbaar is. De hierna nog te bespreken
strafuitsluitingsgronden passen in deze finale strafbaarheidsbeoordeling. Als rechtens hard te maken
tegenaanwijzingen, "excepties", ondergraven ze de uit de delictstypische gedraging voortvloeiende
vermoedens van wederrechtelijkheid, schuld of strafwaardigheid.
B. Strafprocesrecht
121. MINIMUMBEWIJSLAST. In het Belgische straf(proces)recht is de delictstypiciteit van de tenlastegelegde
feiten zowel het voorwerp van de strafrechtelijke kwalificatieverplichting, als een essentieel onderdeel van de
,bewijslast; zij is als zodanig ook medebeslissend voor de problematiek van de bevoegdheid van de strafrechter
en zijn motiveringsverplichting.
122. FEIT EN KWALIFICATIE. Een basisprincipe in het Belgische strafprocesrecht is dat niet een kwalificatie
maar een feit bij de strafrechter aanhangig wordt gemaakt en dat de rechter aan het feit de juiste kwalificatie
moet geven, d.i. de band leggen tussen het ten laste gelegde feit en de strafwet. Strafbare poging en strafbare
deelneming (zie nr. 302 e.v. hieronder) behoren tot deze kwalificatieproblematiek. Dit geldt uiteraard ook voor
de wettelijk bepaalde verzwarende bestanddelen (art. 8 NSw.). Omdat de strafrechter aan het ten laste
gelegde feit de juiste kwalificatie moet geven, zal die zelfs ambtshalve de verzwarende bestanddelen moeten
opwerpen en toepassen, ook al zou dit tot gevolg hebben dat hij zich vervolgens onbevoegd zou moeten
verklaren. Wanneer een feit niet gekwalificeerd kan worden wegens een kwalificatie-uitsluitingsgrond,
bijvoorbeeld voortvloeiende uit een mildere strafwet (lex mitior, cf. art. 2, derde lid NSw.), dan is er geen
delictstypische gedraging. Voor exhibitionisme (art. 184 NSw.) volstaat naaktheid in het openbaar niet meer
zoals bij openbare zedenschennis onder de oude wetten: de dader moet zich opdringen aan anderen. De
meeste wildplassers zullen daarom niet langer delictstypisch gedrag stellen, al zal het in de meeste gemeenten
wel een administratieve inbreuk opleveren.
123. BEWIJSLAST. Wat de omvang van de bewijslast betreft, geldt de regel dat niet alleen het materieel
element van het misdrijf, in al zijn componenten of bestanddelen bewezen moet worden, maar ook de
schuldbestanddelen.
124. BEVOEGDHEID. Wanneer een zaak aanhangig wordt gemaakt bij een rechtbank, dan moet deze haar
bevoegdheid onderzoeken, eerst en vooral op grond van de kwalificatie die, terecht of ten onrechte, aan de
feiten wordt gegeven in de inleidende akte, eventueel nadien op grond van de kwalificatie die de rechtbank
zelf aan de feiten meent te moeten geven (zie echter nr. 1144 hieronder).
125. MOTIVERING. Om te voldoen aan de motiveringsvereiste van artikel 149 Gw. moet de rechter die een
veroordeling uitspreekt, ongeacht het bestaan van conclusies (zie nr. 1372 hieronder), de constitutieve
bestanddelen vermelden van het misdrijf waaronder hij het bewezen verklaarde feit kwalificeert (zie echter nr.
1786 hieronder). Overigens verplichten artikels 163 en 195 Sv, de rechter om de wetsbepalingen aan te duiden
die de bestanddelen vastleggen van het misdrijf waarvoor wordt veroordeeld en die een straf voor dit misdrijf
bepalen.
Afdeling 2.
Materieel bestanddeel: objectieve bestanddelen van het misdrijf
§ 1. Algemene omschrijving
126. DEFINITIE. Onder de objectieve bestanddelen (art. 6 NSw.: materieel element) van het misdrijf verstaat
men een uitwendig waarneembare, menselijke of aan een rechtspersoon toerekenbare gedraging, die de
objectieve delictsinhoud van een wettelijke delictsomschrijving vervult: een verboden of geboden gedraging,
of het veroorzaken van een gevolg. Ook de wettelijk bepaalde contextuele gegevens, zoals tijd (nacht), plaats
(in een bewoond huis) of leeftijd van het slachtoffer behoren hiertoe. Dat zijn dus rechtsfeiten, feiten die
bestaan los van het menselijk gedrag of de menselijke intenties, maar waaraan het recht specifieke gevolgen
verbindt.
,127. UITWENDIG WAARNEEMBARE GEDRAGING. Strafrecht is geen opiniestrafrecht. Een misdadige gedachte
valt buiten het toepassingsgebied van de strafwetten, zolang ze zich niet veruitwendigt in gedragingen die
beschermde rechtsgoederen of rechtsbelangen in gevaar brengen of schenden.
128. MENSELIJKE OF AAN RECHTSPERSOON TOEREKENBARE GEDRAGING. Decennialang is het een vaste regel
geweest dat alleen een mens, een natuurlijke persoon, het materiële element van een misdrijf kon
verwezenlijken. Daarom gold dat een rechtspersoon geen misdrijven kon plegen (societas delinquere non
potest). Later nuanceerde de rechtspraak dit en stelde dat de rechtspersoon wel misdrijven kon plegen, maar
enkel natuurlijke personen daarvoor konden worden gestraft (societas delinquere potest, sed puniri non
potest). Sinds de invoering van de strafrechtelijke verantwoordelijkheid van rechtspersonen in 1999 en 201853
zijn rechtspersonen en de daarmee krachtens art. 18 NSw. gelijkgestelde collectiviteiten onder bepaalde
voorwaarden strafrechtelijk verantwoordelijk en strafbaar (zie nr. 186 hieronder). Nu geldt dus: societas
delinquere et puniri potest, een rechtspersoon kan misdrijven plegen en ervoor worden bestraft.
129. OBJECTIEVE DELICTSINHOUD. Elke delictsomschrijving bevat objectieve en subjectieve
delictsbestanddelen die samen de volle (objectieve én subjectieve) delictsinhoud van het misdrijf uitmaken. De
objectieve delictsbestanddelen (delictstypische wederrechtelijkheids- of onrechtsbestanddelen) die de
objectieve delictsinhoud van een delictsomschrijving uitmaken, kunnen gedragsbeschrijvend of normatief,
daad- of daderbetrokken zijn. De subjectieve delictsbestanddelen (delictstypische schuldbestanddelen, ook
schuldvormen genoemd) hebben betrekking op de psychische ingesteldheid van de dader t.a.v. de objectieve
bestanddelen (zie nr. 155 hieronder). De strafwetten beschrijven de objectieve delictsinhoud op zeer
uiteenlopende wijzen. Soms bevat de strafwet een vrij uitvoerige beschrijving van het gedrag (bv. art. 487
NSw.: "het door een bestuurder of zaakvoerder van een rechtspersoon of door een lasthebber of aangestelde
van een rechtspersoon of van een natuurlijke persoon, rechtstreeks of door tussenpersonen, voor zichzelf of
voor een derde, vragen, aannemen of ontvangen van een aanbod, een belofte of een voordeel van welke aard
dan ook, om zonder medeweten en zonder machtiging van, naar gelang van het geval, de raad van bestuur of
de algemene vergadering, de lastgever of de werkgever, een handeling van zijn functie of een door zijn functie
vergemakkelijkte handeling te verrichten of na te laten..."), soms is hij uitermate beknopt. De
delictsomschrijving van doodslag (art. 96 NSw.) is bijvoorbeeld: "het doden van een ander persoon met het
oogmerk om hem te doden". De objectieve delictsinhoud is dus het "doden" en de subjectieve delictsinhoud
"met het oogmerk om te doden". Vele misdrijfomschrijvingen in het NSw. zijn nogal tautologisch, bijvoorbeeld
artikel 368 NSw: "Het zonder voorafgaande toestemming een begraving of crematie verrichten is het
opzettelijk zonder voorafgaande toestemming van de openbare ambtenaar een begraving of crematie
verrichten".
§ 2. Wettelijke omschrijvingen van objectieve bestanddelen van het misdrijf
130. DRIE TYPES. Een analyse van de diverse objectieve bestanddelen van wettelijke delictsomschrijvingen laat
toe drie types van strafbare gedragingen te onderscheiden: een strafbaar handelen, een strafbaar niet-
handelen of verzuim, en het strafbaar veroorzaken van een gevolg. Artikel 6 NSw. vermeldt alleen de eerste
twee.
A. Handelingsmisdrijven (commissiedelicten)
131. VERBODEN HANDELEN. Bij de meeste misdrijven bestaan de objectieve delictsbestanddelen uit het stellen
van een handeling die door de wet verboden is, het overtreden van een verbod: het bedrieglijk wegnemen van
andermans goederen (art. 463 NSw.), het vernielen, neerhalen of beschadigen van graven (art. 370 NSw.) Het
misdrijf bestaat dan in een handeling. Dit type van misdrijf wordt handelingsmisdrijf of commissiedelict
, genoemd. In dit geval moet de rechter alleen nagaan of de dader de in de wet omschreven handeling heeft
gesteld.
B. Verzuimsmisdrijven (omissiedelicten)
132. NIET-HANDELEN. Bij sommige misdrijven slaan de objectieve bestanddelen op een verzuim om een
strafrechtelijk gesanctioneerde verplichting na te komen: geen kennisgeving doen van een bevalling (art. 359
NSw.), niet-afgeven van kinderen (art. 677 NSw). Dit noemt men ook (eigenlijke) omissiedelicten. In het
Strafwetboek van 1867 waren ze eerder zeldzaam omdat de wetgever uit het midden van de 19de eeuw de
verhouding tussen mens en maatschappij zag in het licht van een liberaal individualisme. De maatschappelijke
plichten tot handelen werden echter talrijker naarmate de rol van de Staat als bewaker van gemeenschapszin
groeide. Een belangrijke stap was de invoering in 1961 van "schuldig verzuim": hulpverzuim aan een persoon
die in een groot gevaar verkeert, terwijl hulp kan worden geboden zonder ernstig gevaar voor de hulpverlener,
werd een afzonderlijk misdrijf (art. 299 NSw.). De tendens tot het strafbaar stellen van onthoudingen is
sindsdien nog versterkt en de wetgever vertoont de neiging om een zo groot mogelijk aantal gedragingen met
sociaal ongewenste gevolgen onder de toepassing van de strafwet te brengen. 54
133. ONEIGENLIJKE OMISSIEDELICTEN. Zelfs wanneer de delictsomschrijving een verbiedend rechtsvoorschrift
inhoudt, kan de strafbare gedraging soms bestaan in een verzuim. lemand verwonden gebeurt doorgaans op
actieve wijze. Toch kan men iemand verwonden door zich van een bepaalde handeling te onthouden:
bijvoorbeeld een punaise of glasscherf die men onopzettelijk had laten vallen, opzettelijk laten liggen in de
badkamer, met de bedoeling dat daar iemand blootsvoets intrapt. Een ander voorbeeld: een brand, die per
ongeluk is ontstaan, opzettelijk niet blussen terwijl dat zonder gevaar had gekund, waardoor die brand
overslaat en een verwoestend karakter krijgt. Wanneer men door een niet-handelen of onthouding een door
de wet verboden feit pleegt, dan spreekt men van een handelingsmisdrijf door onthouding of een oneigenlijk
omissiedelict (delictum commissionis per omissionem). De mogelijkheid om door onthouding een verboden
strafbare gedraging te stellen moet worden aangenomen wanneer de onthouding een uiting is van de
doelgerichte wil om een bepaald resultaat te bereiken en wanneer uit de tekst van de wet niet met zekerheid
blijkt dat de wetgever zich heeft willen beperken tot een positieve fysieke gedraging van de betrokken dader.
C. Veroorzaken van een gevolg: het causaliteitsprobleem
1. Situering van het causaliteitsprobleem in het strafrecht
134. PROBLEEMSTELLING. Bij vele delictsomschrijvingen is het veroorzaken van een gevolg een constitutief
bestanddeel van het misdrijf.55 Het is ook vaak een verzwarend bestanddeel (zie nr. 179 hieronder) van een
misdrijf dat strafbaar blijft ook wanneer dit verzwarend bestanddeel niet voorhanden is. In dit geval spreekt
men van "door het gevolg gekwalificeerde misdrijven" 56 In elk van deze gevallen moet de rechter een
oorzakelijk verband vaststellen tussen een gedraging en een feit dat volgt op deze gedraging, om tot de
strafbaarheid, respectievelijk de strafverzwaring te mogen besluiten. De vraag is dus hoe de rechter het al dan
niet bestaan van een oorzakelijk verband tussen de door de strafwet omschreven gedraging (handeling of
onthouding) en het door de strafwet omschreven gevolg kan vaststellen.
135. GEEN SPECIFIEK STRAFRECHTELIJK CAUSALITEITSBEGRIP. De vraag naar het oorzakelijke verband is
uiteraard niet alleen van belang voor het strafrecht. Van de strafrechtelijke beslissing kan mee afhangen of de
slachtoffers van misdrijven of hun nabestaanden schadevergoeding zullen krijgen of niet. De moeilijkheid van
het causaliteitsprobleem in het strafrecht is echter dat er ook in het NSw. geen specifiek strafrechtelijk begrip