SAMENVATTING FIM
Basisboek Bedrijfseconomie 11e druk
4 FEBRUARI 2021
HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM
Joanne Rosebel
, Inhoudsopgave
Hoofdstuk 5: Investeringsprojecten................................................................................................................ 2
5.1 Investeringsprojecten en vrije kasstroom.......................................................................................................2
5.2 Beoordeling op basis van periodewinst..........................................................................................................3
5.3 Beoordeling op basis van vrije kasstromen....................................................................................................3
5.4 Beoordeling op basis van vrije kasstromen met inachtneming van tijdvoorkeur..........................................4
5.5 Leasing............................................................................................................................................................5
Hoofdstuk 6: Werkkapitaalbeheer.................................................................................................................. 5
6.1 De cashflowcyclus...........................................................................................................................................5
6.2 Voorraadbeheer..............................................................................................................................................6
6.3 Debiteurenbeheer...........................................................................................................................................7
6.4 Liquiditeitsbeheer...........................................................................................................................................8
Hoofdstuk 7: Eigen vermogen........................................................................................................................ 9
7.1 Eigen vermogen bij ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid...............................................................9
7.2 Eigen vermogen bij ondernemingen met rechtspersoonlijkheid....................................................................9
7.3 Waarde van aandelen..................................................................................................................................10
7.4 Reserves........................................................................................................................................................11
7.5 Aandelenemissie...........................................................................................................................................12
Hoofdstuk 8: Vreemd vermogen................................................................................................................... 13
8.1 Prijsvorming vreemd vermogen....................................................................................................................13
8.2 Bankleningen................................................................................................................................................13
8.3 Obligatieleningen.........................................................................................................................................14
8.4 Vreemd vermogen op korte termijn.............................................................................................................16
8.5 Nieuwe financieringsvormen........................................................................................................................16
8.6 Voorzieningen...............................................................................................................................................17
Hoofdstuk 9: Beoordeling van de financiële structuur...................................................................................17
9.1 Ratioanalyse.................................................................................................................................................17
9.2 Rentabiliteitskengetallen..............................................................................................................................18
9.3 Solvabiliteitskengetallen...............................................................................................................................20
9.4 Liquiditeitskengetallen..................................................................................................................................20
Hoofdstuk 10: Financiële markten................................................................................................................ 21
10.1 Beleggen.....................................................................................................................................................21
10.2 Opties..........................................................................................................................................................22
10.3 Beleggingskengetallen................................................................................................................................23
1
Joanne Rosebel | HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM
, Hoofdstuk 5: Investeringsprojecten
5.1 Investeringsprojecten en vrije kasstroom
Investeren: het vastleggen van vermogen in activa (kapitaalgoederen).
Twee soorten investeringen:
1) Vervangingsinvesteringen: investeringen die dienen om de productiecapaciteit in stand te
houden.
2) Uitbreidingsinvesteringen: investeringen die dienen om de productiecapaciteit te vergroten.
Een investering in een actief zal ook steeds leiden tot een toename van een andere activa.
Voorbeeld: aanschaf van een machine is zinloos, als de productiemiddelen die nodig zijn om de
machine te laten werken niet worden aangeschaft.
Om te kunnen beoordelen of een bepaalde investering in een vast actief zinvol is, moet er dus rekening
worden gehouden met alle daar nog bij komende investeringen in ermee samenhangende activa.
Investeringsproject: het geheel van investeringen in bij elkaar behorende vaste en vlottende activa.
Tijdsvoorkeur: de ontvangst van een bedrag wordt hoger gewaardeerd naarmate deze eerder
plaatsvindt.
Voorbeeld: nu of over één jaar €1.000 ontvangen? Keuze zal waarschijnlijk nu zijn, en het geld dan op
een spaarrekening zetten of in aandelen beleggen. De opbrengst die iemand in de tussentijd kan
realiseren geeft een indicatie van het verschil in waarde tussen twee bedragen die op verschillende
momenten worden ontvangen.
Vrije kasstroom: het verschil tussen de bruto-ontvangsten uit verkoop van producten en de uitgaven
in verband met de aanschaf en aanwending van productiemiddelen.
Bij de beoordeling van mogelijke investeringsprojecten richten we ons op de hoogte van de vrije
kasstromen (ontvangsten – uitgaven) en niet op de winst (opbrengsten – kosten).
Het belangrijkste verschil tussen de vrije kasstromen en de winst in een bepaalde periode wordt
gevormd door een kostenpost die niet tot uitgaven leidt de afschrijvingen op vaste activa.
Om de vrije kasstroom te berekenen moeten de afschrijvingen bij de periodewinst na belastingen
worden opgeteld.
Start investeringsproject activa wordt aangeschaft om het project te kunnen uitvoeren, dit
veroorzaakt uitgaven terwijl er nog geen opbrengsten en kosten zijn (negatieve kasstroom).
Einde investeringsproject activa die zijn aangeschaft voor het project zijn niet langer meer nodig,
het vermogen wat in deze activa vastligt komt dan weer vrij (restwaarde/desinvesteringen).
Desinvesteringen zorgen voor een extra ontvangst in het laatste jaar van het investeringsproject
Start, tijdens en einde van een investeringsproject
2
Joanne Rosebel | HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM
Basisboek Bedrijfseconomie 11e druk
4 FEBRUARI 2021
HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM
Joanne Rosebel
, Inhoudsopgave
Hoofdstuk 5: Investeringsprojecten................................................................................................................ 2
5.1 Investeringsprojecten en vrije kasstroom.......................................................................................................2
5.2 Beoordeling op basis van periodewinst..........................................................................................................3
5.3 Beoordeling op basis van vrije kasstromen....................................................................................................3
5.4 Beoordeling op basis van vrije kasstromen met inachtneming van tijdvoorkeur..........................................4
5.5 Leasing............................................................................................................................................................5
Hoofdstuk 6: Werkkapitaalbeheer.................................................................................................................. 5
6.1 De cashflowcyclus...........................................................................................................................................5
6.2 Voorraadbeheer..............................................................................................................................................6
6.3 Debiteurenbeheer...........................................................................................................................................7
6.4 Liquiditeitsbeheer...........................................................................................................................................8
Hoofdstuk 7: Eigen vermogen........................................................................................................................ 9
7.1 Eigen vermogen bij ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid...............................................................9
7.2 Eigen vermogen bij ondernemingen met rechtspersoonlijkheid....................................................................9
7.3 Waarde van aandelen..................................................................................................................................10
7.4 Reserves........................................................................................................................................................11
7.5 Aandelenemissie...........................................................................................................................................12
Hoofdstuk 8: Vreemd vermogen................................................................................................................... 13
8.1 Prijsvorming vreemd vermogen....................................................................................................................13
8.2 Bankleningen................................................................................................................................................13
8.3 Obligatieleningen.........................................................................................................................................14
8.4 Vreemd vermogen op korte termijn.............................................................................................................16
8.5 Nieuwe financieringsvormen........................................................................................................................16
8.6 Voorzieningen...............................................................................................................................................17
Hoofdstuk 9: Beoordeling van de financiële structuur...................................................................................17
9.1 Ratioanalyse.................................................................................................................................................17
9.2 Rentabiliteitskengetallen..............................................................................................................................18
9.3 Solvabiliteitskengetallen...............................................................................................................................20
9.4 Liquiditeitskengetallen..................................................................................................................................20
Hoofdstuk 10: Financiële markten................................................................................................................ 21
10.1 Beleggen.....................................................................................................................................................21
10.2 Opties..........................................................................................................................................................22
10.3 Beleggingskengetallen................................................................................................................................23
1
Joanne Rosebel | HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM
, Hoofdstuk 5: Investeringsprojecten
5.1 Investeringsprojecten en vrije kasstroom
Investeren: het vastleggen van vermogen in activa (kapitaalgoederen).
Twee soorten investeringen:
1) Vervangingsinvesteringen: investeringen die dienen om de productiecapaciteit in stand te
houden.
2) Uitbreidingsinvesteringen: investeringen die dienen om de productiecapaciteit te vergroten.
Een investering in een actief zal ook steeds leiden tot een toename van een andere activa.
Voorbeeld: aanschaf van een machine is zinloos, als de productiemiddelen die nodig zijn om de
machine te laten werken niet worden aangeschaft.
Om te kunnen beoordelen of een bepaalde investering in een vast actief zinvol is, moet er dus rekening
worden gehouden met alle daar nog bij komende investeringen in ermee samenhangende activa.
Investeringsproject: het geheel van investeringen in bij elkaar behorende vaste en vlottende activa.
Tijdsvoorkeur: de ontvangst van een bedrag wordt hoger gewaardeerd naarmate deze eerder
plaatsvindt.
Voorbeeld: nu of over één jaar €1.000 ontvangen? Keuze zal waarschijnlijk nu zijn, en het geld dan op
een spaarrekening zetten of in aandelen beleggen. De opbrengst die iemand in de tussentijd kan
realiseren geeft een indicatie van het verschil in waarde tussen twee bedragen die op verschillende
momenten worden ontvangen.
Vrije kasstroom: het verschil tussen de bruto-ontvangsten uit verkoop van producten en de uitgaven
in verband met de aanschaf en aanwending van productiemiddelen.
Bij de beoordeling van mogelijke investeringsprojecten richten we ons op de hoogte van de vrije
kasstromen (ontvangsten – uitgaven) en niet op de winst (opbrengsten – kosten).
Het belangrijkste verschil tussen de vrije kasstromen en de winst in een bepaalde periode wordt
gevormd door een kostenpost die niet tot uitgaven leidt de afschrijvingen op vaste activa.
Om de vrije kasstroom te berekenen moeten de afschrijvingen bij de periodewinst na belastingen
worden opgeteld.
Start investeringsproject activa wordt aangeschaft om het project te kunnen uitvoeren, dit
veroorzaakt uitgaven terwijl er nog geen opbrengsten en kosten zijn (negatieve kasstroom).
Einde investeringsproject activa die zijn aangeschaft voor het project zijn niet langer meer nodig,
het vermogen wat in deze activa vastligt komt dan weer vrij (restwaarde/desinvesteringen).
Desinvesteringen zorgen voor een extra ontvangst in het laatste jaar van het investeringsproject
Start, tijdens en einde van een investeringsproject
2
Joanne Rosebel | HOGESCHOOL VAN AMSTERDAM