Jurisprudentielijst aansprakelijkheidsrecht (pre-master 2025/2026 OU)
Deel 1, leereenheid 1:
Geen arresten
Deel 1, leereenheid 2:
Struikelende broodbezorger-arrest, HR 22 november 1974
(ECLI:NL:HR:1974:AC5503)
Essentie
Dit arrest van de Hoge Raad gaat over de onrechtmatige daad en hoe dit in verband staat
met de waarschuwingsplicht en nalatigheid. Er is onderscheid te maken tussen gewoon en
zuiver nalaten. Bij het Kelderluik-arrest is er sprake van gewoon nalaten. Hierbij is de
nalatige zelf betrokken geweest bij het creëren van het gevaar. In het geval van zuiver
nalaten is de nalatige niet zelf betrokken geweest.
Rechtsregel
Hebben de kinderen onrechtmatig gehandeld jegens de broodbezorger door hem niet te
waarschuwen voor het gevaar? De Hoge Raad beslist dat het vereist is dat het risico tot het
bewustzijn van de toeschouwer is doorgedrongen, wil er sprake zijn van aansprakelijkheid.
Inhoud arrest
Een broodbezorger struikelt over een touwtje dat laag bij de grond is gespannen op het pad
naar een voordeur.
Twee kinderen [Heddema], van vier en vijf jaar oud, zagen dit touw gespannen worden door
andere kinderen. Vervolgens struikelde een broodbezorger [De Coninck] over het touwtje.
De twee kinderen hebben, volgens de broodbezorger, nagelaten hem te waarschuwen voor
dit gevaar. De broodbezorger stelt dat de twee kinderen jegens hem een onrechtmatige daad
hebben gepleegd. De broodbezorger stelt een vordering in tegen de ouders Heddema
wegens een onrechtmatige daad van de kinderen en de verantwoordelijkheid van de ouders
voor hun kinderen.
De rechtbank en het hof wijzen de vordering van de broodbezorger toe. De Hoge Raad wijst
de vordering echter af en stelt:
“Dat echter van een rechtsplicht om een waargenomen gevaarsituatie voor het ontstaan
waarvan men niet verantwoordelijk is, op te heffen of anderen daarvoor te waarschuwen, in
het algemeen ook voor volwassenen alleen sprake kan zijn, wanneer de ernst van het
gevaar dat die situatie voor anderen meebrengt tot het bewustzijn van de waarnemer is
doorgedrongen, zulks behoudens het bestaan van bijzondere verplichtingen tot zorg en
oplettendheid zoals kunnen voortvloeien uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de
plaats waar de gevaarssituatie zich voordoet;”
Dat in het onderhavige geval het gevaar, dat het over het voetpad naar de voordeur van
Heddema’s woning gespannen touwtje voor anderen meebracht, naar uit ’s Hofs arrest blijkt,
niet tot het bewustzijn van de kinderen Heddema is doorgedrongen, terwijl het bestaan van
een verplichting van die kinderen om ten opzichte van het eigen erf een bijzondere zorg of
oplettendheid te betrachten ten opzichte van gevaarsituaties, welke daar zouden kunnen
ontstaan, niet kan worden aanvaard;
“Dat het Hof daarom ten onrechte heeft aangenomen dat die kinderen een onrechtmatige
daad hebben gepleegd door er niet voor te zorgen dat het door hen waargenomen touwtje
werd verwijderd of door De Coninck niet voor het touwtje te waarschuwen;”
,Jurisprudentielijst aansprakelijkheidsrecht (pre-master 2025/2026 OU)
Een rechtsplicht om een ander voor een waargenomen gevaarsituatie, die men zelf niet heeft
doen ontstaan, te waarschuwen bestaat enkel indien de ernst van het gevaar tot het
bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen.
Volgens de Hoge Raad heeft het Hof ten onrechte aangenomen dat de kinderen
onrechtmatig hebben gehandeld. Het Hof heeft niet kunnen vaststellen dat gevaar van de
situatie in casu tot de twee kinderen is doorgedrongen. Hun gedrag kan dus niet als
onrechtmatig worden beschouwd. De aansprakelijkheid van de kinderen werd daarom
afgewezen.
Hoge Raad 9 december 1994 (NJ 1996, 403), Zwiepende tak
(ECLI:NL:HR:1994:ZC1576)
Essentie
Het arrest Werink/Hudepohl, beter bekend als Zwiepende Tak, gaat over aansprakelijkheid
voor letselschade uit onrechtmatige daad. In casu draait het om de vraag of de gedragingen
van Werink als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt en derhalve de
aansprakelijkheid bij hem ligt.
Rechtsregel
De vraag of iemand voor een bepaald gevolg, ontstaan door een gedraging van deze
persoon, aansprakelijk is, hangt af van de mate van waarschijnlijkheid dat het ongeval zich
zou voordoen.
Inhoud casus
In september 1898 maken vier vrienden een wandeling door een bos. Op een gegeven
moment geeft Werink een schop tegen een tak, die terugzwiept en in het oog van Hudepohl,
die achter hem loopt, terecht komt. Door dit oogletsel moet Hudepohl uiteindelijk een oog
missen. Hudepohl wil de schade verhalen op Werink, maar de verzekering van Werink
erkent de aansprakelijkheid niet.
Hudepohl vordert schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De rechtbank in eerste
aanleg wijst de vordering van Hudepohl af. Het hof wijst de vordering vervolgens echter toe.
De Hoge Raad oordeelt als volgt:
“[Het hof heeft miskend] dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als
verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet
zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van
waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van
dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat
gedrag had moeten onthouden.” [r.o. 3.6 en 3.4]
Volgens de Hoge Raad zijn de gedragingen van Werink slechts onrechtmatig, indien de mate
van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot was, dat Werink
zich gezien de maatstaven van zorgvuldigheid van dit gedrag had moeten onthouden.
Werink had zich dus van de gedragingen moeten onthouden als hij wist dat tegen een tak
trappen zware letselschade zou veroorzaken bij Hudepohl. In casu is er echter niet genoeg
bekend over de feitelijke toedracht van het ongeval. Er kan niet worden vastgesteld of de
zorgvuldigheidsnorm is overtreden, dus is Werink niet aansprakelijk en hoeft hij de schade
van Hudepohl niet te vergoeden. De Hoge Raad bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en
vernietigt het arrest van het hof.
HR 16 februari 1973, NJ 1973/463 (Maas/Willems)
,Jurisprudentielijst aansprakelijkheidsrecht (pre-master 2025/2026 OU)
Maas en Willems beconcurreren elkaar met lage tarieven voor vrachtvervoer. Willems daagt
Maas voor de rechter op de grond dat Maas onder de vastgestelde wettelijke tarieven zou
werken. Maas stelt daar tegenover dat Willems dit zelf ook doet of althans in het verleden
heeft gedaan. De Hoge Raad is van oordeel dat ‘de overtreding van het onderhavige
voorschrift voor de betrokken vervoerder niet reeds op zichzelf en zonder meer een
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad tegenover zijn concurrenten doet ontstaan; dat
indien waar is dat, zoals Maas heeft gesteld, ten tijde van het ten processe bedoelde vervoer
de door Maas gevolgde wijze van berekening van de vrachtprijs in geval van samenlading
onder de internationale goederenvervoerders, waaronder Willems, algemeen gangbaar was,
niet kan worden gezegd dat Maas zich door de overtreding van dat voorschrift tegenover
Willems onbehoorlijk zou hebben gedragen;’ omdat – zo gaat de Hoge Raad verder – in dat
geval die vervoerders, onder wie Willems, door zich niet aan het wettelijk tariefvoorschrift te
houden, zich op grond van hun eigen gedrag zouden hebben onttrokken aan de
privaatrechtelijke bescherming welke zij aan dat voorschrift, indien zij dat wel hadden
gedaan, hadden kunnen ontlenen.
Uit deze casus blijkt dat in dit geval de overtreding van deze wettelijke bepaling het oordeel
dat onrechtmatig is gehandeld jegens Willems niet kan dragen. Uiteindelijk gaat het erom of
Maas zich onbehoorlijk tegenover Willems heeft gedragen. Dat laatste moet worden
beoordeeld op grond van andere, ongeschreven normen, en niet slecht die van het
tariefbesluit.
HR 10 juni 1910, W. 9038 (Zutphense juffrouw)
Een uitspraak waarin slechts getoetst werd aan de ‘rechtsinbreuk’ en ‘strijd met de wet’ is het
arrest inzake de ‘Zutphense juffrouw’. Juffrouw De Vries woonde boven het pakhuis van een
zekere Nijhof waarin leer was opgeslagen. Door de vorst was de waterleiding gesprongen en
dreigde het leer nat te worden. Toen Nijhof ’s nachts bij De Vries aanbelde, weigerde
juffrouw De Vries de hoofdkraan – die zich op haar verdieping bevond – af te sluiten, omdat
zij vond dat het maar praatjes waren om haar van haar nachtrust te beroven en stelde zij dat
Nijhof de volgende ochtend maar moest terugkomen. De Hoge Raad is van oordeel dat door
zoodanige daden en nalatigheden wel in strijd met hetgeen zakelijk en maatschappelijk
betaamt kan zijn gehandeld; dat echter de toepassing van art. 6:162 BW niet daardoor wordt
bepaald, maar afhangt van de bevindingen of hetzij de daad, hetzij het verzuim al dan niet in
strijd is met des daders rechtsplicht of inbreuk maakt op eens anders recht.
Consequentie van deze strikte opstelling is dat schadelijk gedrag dat duidelijk als
maatschappelijk onbehoorlijk wordt ervaren niet tot aansprakelijkheid leidt, omdat de rechter
van oordeel is dat in dit geval niet aan een van beide criteria is voldaan.
HR 31 januari 1919, NJ 1919/161 (Lindenbaum/Cohen)
Essentie
Het arrest Lindenbaum/Cohen gaat over de vraag of er sprake is van een onrechtmatige
daad. De jurisprudentie die werd gevormd in dit arrest is uiteindelijk gecodificeerd in artikel
6:162 BW.
Rechtsregel
Dit arrest was erg belangrijk voor het begrip onrechtmatige daad. Na dit arrest werden
voortaan ook handelingen die in strijd zijn met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk
verkeer wordt betaamt, als onrechtmatig aangeduid.
Inhoud arrest
Lindenbaum en Cohen hadden beiden een drukkerij in Amsterdam. Cohen had een
werknemer van Lindenbaum omgekocht. Zo kon Cohen er bijvoorbeeld achter komen welke
bedragen Lindenbaum vroeg in zijn offertes. Cohen ging vervolgens onder dit bedrag zitten
, Jurisprudentielijst aansprakelijkheidsrecht (pre-master 2025/2026 OU)
om meer opdrachten binnen te halen. Lindenbaum kwam hier uiteindelijk achter en eiste
vervolgens schadevergoeding van Cohen op grond van een onrechtmatige daad.
De rechtbank wijst de vordering van Lindenbaum toe. Het hof wijst de vordering echter af en
verklaart Lindenbaum niet-ontvankelijk. Het hof stelt dat Cohen niet in strijd met de wet
handelde en dit geen onrechtmatige daad kan opleveren. Toentertijd was het inderdaad zo
dat er alleen sprake was van onrechtmatige daad indien iemand handelde in strijd met een
rechtsplicht.
De Hoge Raad oordeelde echter als volgt:
“dat onder onrechtmatige daad is te verstaan een handelen of nalaten, dat óf inbreuk maakt
op eens anders recht, óf in strijd is met des daders rechtsplicht óf indruischt, hetzij tegen de
goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijke verkeer betaamt
ten aanzien van eens anders persoon of goed, terwijl hij door wiens schuld ten gevolge dier
daad aan een ander schade wordt toegebracht, tot vergoeding daarvan is verplicht”
De Hoge Raad introduceerde hier dus het begrip onrechtmatige daad zoals wij het nu
kennen.
HR 22 april 1994, NJ 1994/624 (Taxus)
Essentie
Dit arrest gaat over de aansprakelijkheid voor giftige planten en struiken. Hoe ver reiken de
zorgvuldigheidsnormen? In dit arrest staat de vraag centraal of men aansprakelijk kan zijn
voor vergiftiging door het plaatsen van giftige planten en of er in een dergelijk geval sprake is
van onrechtmatig handelen.
Rechtsregel
De Hoge Raad oordeelde als volgt:
“De in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid reikt niet zo ver dat degeen
die een plant of struik waarvan hij de giftigheid niet kent of behoeft te kennen, onder zich
heeft, verplicht zou zijn om deze plant of struik op zodanige wijze onder zijn controle te
houden dat zij geen gevaar kan opleveren, tenzij hem na onderzoek is gebleken dat de plant
of struik ongevaarlijk is.”
De Hoge Raad stelt dus dat de aansprakelijkheidsregel niet kan worden toegepast, als het
gaat om planten of struiken waarvan de giftigheid niet algemeen bekend is.
Inhoud arrest
De tuin van Broen grenst aan één zijde aan het weiland van Hulsbosch. Dit weiland van
Hulsbosch is omheind met een afrastering van gaas. In de tuin van Broen ligt een kleine
afvalhoop, dicht bij de afrastering. Op een dag komt een kennis van Broen langs. Deze
kennis, Verhoeven, gooit dan een taxusstruik op de afvalhoop van Broen. In het weiland van
Hulsbosch grazen twee paarden. Deze paarden kunnen net met hun mond bij de afvalhoop
en eten hiervan. Een taxusstruik kan dodelijk zijn voor paarden, wanneer zij deze plant
binnenkrijgen. Als gevolg van het eten van deze taxus, overlijden de twee paarden van
Hulsbosch. Broen en Verhoeven wisten beiden niet dat de taxusstruik giftig was. Hulsbosch
stelt Broen en Verhoeven aansprakelijk voor de geleden schade en vordert
schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.
De rechtbank wees de vordering van Hulsbosch af. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Ook
de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Broen en Verhoeven zijn niet aansprakelijk. Het
oordeel komt er op neer, dat zij beiden niet wisten dat de taxusstruik giftig was. Zij
behoefden dit ook niet te weten, omdat het niet algemeen bekend is. Zij konden het gevaar
dus niet voorzien en waren niet verplicht de taxusstruik buiten het bereik van de paarden te
houden. De zorgvuldigheidsnorm is dus niet geschonden door het gooien van de taxusstruik
op de afvalhoop. Hulsbosch kan de geleden schade niet op Broen en Verhoeven verhalen.
Deel 1, leereenheid 1:
Geen arresten
Deel 1, leereenheid 2:
Struikelende broodbezorger-arrest, HR 22 november 1974
(ECLI:NL:HR:1974:AC5503)
Essentie
Dit arrest van de Hoge Raad gaat over de onrechtmatige daad en hoe dit in verband staat
met de waarschuwingsplicht en nalatigheid. Er is onderscheid te maken tussen gewoon en
zuiver nalaten. Bij het Kelderluik-arrest is er sprake van gewoon nalaten. Hierbij is de
nalatige zelf betrokken geweest bij het creëren van het gevaar. In het geval van zuiver
nalaten is de nalatige niet zelf betrokken geweest.
Rechtsregel
Hebben de kinderen onrechtmatig gehandeld jegens de broodbezorger door hem niet te
waarschuwen voor het gevaar? De Hoge Raad beslist dat het vereist is dat het risico tot het
bewustzijn van de toeschouwer is doorgedrongen, wil er sprake zijn van aansprakelijkheid.
Inhoud arrest
Een broodbezorger struikelt over een touwtje dat laag bij de grond is gespannen op het pad
naar een voordeur.
Twee kinderen [Heddema], van vier en vijf jaar oud, zagen dit touw gespannen worden door
andere kinderen. Vervolgens struikelde een broodbezorger [De Coninck] over het touwtje.
De twee kinderen hebben, volgens de broodbezorger, nagelaten hem te waarschuwen voor
dit gevaar. De broodbezorger stelt dat de twee kinderen jegens hem een onrechtmatige daad
hebben gepleegd. De broodbezorger stelt een vordering in tegen de ouders Heddema
wegens een onrechtmatige daad van de kinderen en de verantwoordelijkheid van de ouders
voor hun kinderen.
De rechtbank en het hof wijzen de vordering van de broodbezorger toe. De Hoge Raad wijst
de vordering echter af en stelt:
“Dat echter van een rechtsplicht om een waargenomen gevaarsituatie voor het ontstaan
waarvan men niet verantwoordelijk is, op te heffen of anderen daarvoor te waarschuwen, in
het algemeen ook voor volwassenen alleen sprake kan zijn, wanneer de ernst van het
gevaar dat die situatie voor anderen meebrengt tot het bewustzijn van de waarnemer is
doorgedrongen, zulks behoudens het bestaan van bijzondere verplichtingen tot zorg en
oplettendheid zoals kunnen voortvloeien uit een speciale relatie met het slachtoffer of met de
plaats waar de gevaarssituatie zich voordoet;”
Dat in het onderhavige geval het gevaar, dat het over het voetpad naar de voordeur van
Heddema’s woning gespannen touwtje voor anderen meebracht, naar uit ’s Hofs arrest blijkt,
niet tot het bewustzijn van de kinderen Heddema is doorgedrongen, terwijl het bestaan van
een verplichting van die kinderen om ten opzichte van het eigen erf een bijzondere zorg of
oplettendheid te betrachten ten opzichte van gevaarsituaties, welke daar zouden kunnen
ontstaan, niet kan worden aanvaard;
“Dat het Hof daarom ten onrechte heeft aangenomen dat die kinderen een onrechtmatige
daad hebben gepleegd door er niet voor te zorgen dat het door hen waargenomen touwtje
werd verwijderd of door De Coninck niet voor het touwtje te waarschuwen;”
,Jurisprudentielijst aansprakelijkheidsrecht (pre-master 2025/2026 OU)
Een rechtsplicht om een ander voor een waargenomen gevaarsituatie, die men zelf niet heeft
doen ontstaan, te waarschuwen bestaat enkel indien de ernst van het gevaar tot het
bewustzijn van de waarnemer is doorgedrongen.
Volgens de Hoge Raad heeft het Hof ten onrechte aangenomen dat de kinderen
onrechtmatig hebben gehandeld. Het Hof heeft niet kunnen vaststellen dat gevaar van de
situatie in casu tot de twee kinderen is doorgedrongen. Hun gedrag kan dus niet als
onrechtmatig worden beschouwd. De aansprakelijkheid van de kinderen werd daarom
afgewezen.
Hoge Raad 9 december 1994 (NJ 1996, 403), Zwiepende tak
(ECLI:NL:HR:1994:ZC1576)
Essentie
Het arrest Werink/Hudepohl, beter bekend als Zwiepende Tak, gaat over aansprakelijkheid
voor letselschade uit onrechtmatige daad. In casu draait het om de vraag of de gedragingen
van Werink als onrechtmatige daad kunnen worden aangemerkt en derhalve de
aansprakelijkheid bij hem ligt.
Rechtsregel
De vraag of iemand voor een bepaald gevolg, ontstaan door een gedraging van deze
persoon, aansprakelijk is, hangt af van de mate van waarschijnlijkheid dat het ongeval zich
zou voordoen.
Inhoud casus
In september 1898 maken vier vrienden een wandeling door een bos. Op een gegeven
moment geeft Werink een schop tegen een tak, die terugzwiept en in het oog van Hudepohl,
die achter hem loopt, terecht komt. Door dit oogletsel moet Hudepohl uiteindelijk een oog
missen. Hudepohl wil de schade verhalen op Werink, maar de verzekering van Werink
erkent de aansprakelijkheid niet.
Hudepohl vordert schadevergoeding wegens onrechtmatige daad. De rechtbank in eerste
aanleg wijst de vordering van Hudepohl af. Het hof wijst de vordering vervolgens echter toe.
De Hoge Raad oordeelt als volgt:
“[Het hof heeft miskend] dat niet reeds de enkele mogelijkheid van een ongeval, als
verwezenlijking van aan een bepaald gedrag inherent gevaar, dat gedrag onrechtmatig doet
zijn, maar dat zodanig gevaarscheppend gedrag slechts onrechtmatig is indien de mate van
waarschijnlijkheid van een ongeval (het oplopen van letsel door een ander) als gevolg van
dat gedrag zo groot is, dat de dader zich naar maatstaven van zorgvuldigheid van dat
gedrag had moeten onthouden.” [r.o. 3.6 en 3.4]
Volgens de Hoge Raad zijn de gedragingen van Werink slechts onrechtmatig, indien de mate
van waarschijnlijkheid van een ongeval als gevolg van dat gedrag zo groot was, dat Werink
zich gezien de maatstaven van zorgvuldigheid van dit gedrag had moeten onthouden.
Werink had zich dus van de gedragingen moeten onthouden als hij wist dat tegen een tak
trappen zware letselschade zou veroorzaken bij Hudepohl. In casu is er echter niet genoeg
bekend over de feitelijke toedracht van het ongeval. Er kan niet worden vastgesteld of de
zorgvuldigheidsnorm is overtreden, dus is Werink niet aansprakelijk en hoeft hij de schade
van Hudepohl niet te vergoeden. De Hoge Raad bekrachtigt het vonnis van de rechtbank en
vernietigt het arrest van het hof.
HR 16 februari 1973, NJ 1973/463 (Maas/Willems)
,Jurisprudentielijst aansprakelijkheidsrecht (pre-master 2025/2026 OU)
Maas en Willems beconcurreren elkaar met lage tarieven voor vrachtvervoer. Willems daagt
Maas voor de rechter op de grond dat Maas onder de vastgestelde wettelijke tarieven zou
werken. Maas stelt daar tegenover dat Willems dit zelf ook doet of althans in het verleden
heeft gedaan. De Hoge Raad is van oordeel dat ‘de overtreding van het onderhavige
voorschrift voor de betrokken vervoerder niet reeds op zichzelf en zonder meer een
aansprakelijkheid uit onrechtmatige daad tegenover zijn concurrenten doet ontstaan; dat
indien waar is dat, zoals Maas heeft gesteld, ten tijde van het ten processe bedoelde vervoer
de door Maas gevolgde wijze van berekening van de vrachtprijs in geval van samenlading
onder de internationale goederenvervoerders, waaronder Willems, algemeen gangbaar was,
niet kan worden gezegd dat Maas zich door de overtreding van dat voorschrift tegenover
Willems onbehoorlijk zou hebben gedragen;’ omdat – zo gaat de Hoge Raad verder – in dat
geval die vervoerders, onder wie Willems, door zich niet aan het wettelijk tariefvoorschrift te
houden, zich op grond van hun eigen gedrag zouden hebben onttrokken aan de
privaatrechtelijke bescherming welke zij aan dat voorschrift, indien zij dat wel hadden
gedaan, hadden kunnen ontlenen.
Uit deze casus blijkt dat in dit geval de overtreding van deze wettelijke bepaling het oordeel
dat onrechtmatig is gehandeld jegens Willems niet kan dragen. Uiteindelijk gaat het erom of
Maas zich onbehoorlijk tegenover Willems heeft gedragen. Dat laatste moet worden
beoordeeld op grond van andere, ongeschreven normen, en niet slecht die van het
tariefbesluit.
HR 10 juni 1910, W. 9038 (Zutphense juffrouw)
Een uitspraak waarin slechts getoetst werd aan de ‘rechtsinbreuk’ en ‘strijd met de wet’ is het
arrest inzake de ‘Zutphense juffrouw’. Juffrouw De Vries woonde boven het pakhuis van een
zekere Nijhof waarin leer was opgeslagen. Door de vorst was de waterleiding gesprongen en
dreigde het leer nat te worden. Toen Nijhof ’s nachts bij De Vries aanbelde, weigerde
juffrouw De Vries de hoofdkraan – die zich op haar verdieping bevond – af te sluiten, omdat
zij vond dat het maar praatjes waren om haar van haar nachtrust te beroven en stelde zij dat
Nijhof de volgende ochtend maar moest terugkomen. De Hoge Raad is van oordeel dat door
zoodanige daden en nalatigheden wel in strijd met hetgeen zakelijk en maatschappelijk
betaamt kan zijn gehandeld; dat echter de toepassing van art. 6:162 BW niet daardoor wordt
bepaald, maar afhangt van de bevindingen of hetzij de daad, hetzij het verzuim al dan niet in
strijd is met des daders rechtsplicht of inbreuk maakt op eens anders recht.
Consequentie van deze strikte opstelling is dat schadelijk gedrag dat duidelijk als
maatschappelijk onbehoorlijk wordt ervaren niet tot aansprakelijkheid leidt, omdat de rechter
van oordeel is dat in dit geval niet aan een van beide criteria is voldaan.
HR 31 januari 1919, NJ 1919/161 (Lindenbaum/Cohen)
Essentie
Het arrest Lindenbaum/Cohen gaat over de vraag of er sprake is van een onrechtmatige
daad. De jurisprudentie die werd gevormd in dit arrest is uiteindelijk gecodificeerd in artikel
6:162 BW.
Rechtsregel
Dit arrest was erg belangrijk voor het begrip onrechtmatige daad. Na dit arrest werden
voortaan ook handelingen die in strijd zijn met de zorgvuldigheid die in het maatschappelijk
verkeer wordt betaamt, als onrechtmatig aangeduid.
Inhoud arrest
Lindenbaum en Cohen hadden beiden een drukkerij in Amsterdam. Cohen had een
werknemer van Lindenbaum omgekocht. Zo kon Cohen er bijvoorbeeld achter komen welke
bedragen Lindenbaum vroeg in zijn offertes. Cohen ging vervolgens onder dit bedrag zitten
, Jurisprudentielijst aansprakelijkheidsrecht (pre-master 2025/2026 OU)
om meer opdrachten binnen te halen. Lindenbaum kwam hier uiteindelijk achter en eiste
vervolgens schadevergoeding van Cohen op grond van een onrechtmatige daad.
De rechtbank wijst de vordering van Lindenbaum toe. Het hof wijst de vordering echter af en
verklaart Lindenbaum niet-ontvankelijk. Het hof stelt dat Cohen niet in strijd met de wet
handelde en dit geen onrechtmatige daad kan opleveren. Toentertijd was het inderdaad zo
dat er alleen sprake was van onrechtmatige daad indien iemand handelde in strijd met een
rechtsplicht.
De Hoge Raad oordeelde echter als volgt:
“dat onder onrechtmatige daad is te verstaan een handelen of nalaten, dat óf inbreuk maakt
op eens anders recht, óf in strijd is met des daders rechtsplicht óf indruischt, hetzij tegen de
goede zeden, hetzij tegen de zorgvuldigheid, welke in het maatschappelijke verkeer betaamt
ten aanzien van eens anders persoon of goed, terwijl hij door wiens schuld ten gevolge dier
daad aan een ander schade wordt toegebracht, tot vergoeding daarvan is verplicht”
De Hoge Raad introduceerde hier dus het begrip onrechtmatige daad zoals wij het nu
kennen.
HR 22 april 1994, NJ 1994/624 (Taxus)
Essentie
Dit arrest gaat over de aansprakelijkheid voor giftige planten en struiken. Hoe ver reiken de
zorgvuldigheidsnormen? In dit arrest staat de vraag centraal of men aansprakelijk kan zijn
voor vergiftiging door het plaatsen van giftige planten en of er in een dergelijk geval sprake is
van onrechtmatig handelen.
Rechtsregel
De Hoge Raad oordeelde als volgt:
“De in het maatschappelijk verkeer betamende zorgvuldigheid reikt niet zo ver dat degeen
die een plant of struik waarvan hij de giftigheid niet kent of behoeft te kennen, onder zich
heeft, verplicht zou zijn om deze plant of struik op zodanige wijze onder zijn controle te
houden dat zij geen gevaar kan opleveren, tenzij hem na onderzoek is gebleken dat de plant
of struik ongevaarlijk is.”
De Hoge Raad stelt dus dat de aansprakelijkheidsregel niet kan worden toegepast, als het
gaat om planten of struiken waarvan de giftigheid niet algemeen bekend is.
Inhoud arrest
De tuin van Broen grenst aan één zijde aan het weiland van Hulsbosch. Dit weiland van
Hulsbosch is omheind met een afrastering van gaas. In de tuin van Broen ligt een kleine
afvalhoop, dicht bij de afrastering. Op een dag komt een kennis van Broen langs. Deze
kennis, Verhoeven, gooit dan een taxusstruik op de afvalhoop van Broen. In het weiland van
Hulsbosch grazen twee paarden. Deze paarden kunnen net met hun mond bij de afvalhoop
en eten hiervan. Een taxusstruik kan dodelijk zijn voor paarden, wanneer zij deze plant
binnenkrijgen. Als gevolg van het eten van deze taxus, overlijden de twee paarden van
Hulsbosch. Broen en Verhoeven wisten beiden niet dat de taxusstruik giftig was. Hulsbosch
stelt Broen en Verhoeven aansprakelijk voor de geleden schade en vordert
schadevergoeding wegens onrechtmatige daad.
De rechtbank wees de vordering van Hulsbosch af. Het hof heeft dit vonnis bekrachtigd. Ook
de Hoge Raad verwerpt het cassatieberoep. Broen en Verhoeven zijn niet aansprakelijk. Het
oordeel komt er op neer, dat zij beiden niet wisten dat de taxusstruik giftig was. Zij
behoefden dit ook niet te weten, omdat het niet algemeen bekend is. Zij konden het gevaar
dus niet voorzien en waren niet verplicht de taxusstruik buiten het bereik van de paarden te
houden. De zorgvuldigheidsnorm is dus niet geschonden door het gooien van de taxusstruik
op de afvalhoop. Hulsbosch kan de geleden schade niet op Broen en Verhoeven verhalen.