CELDELING
Celdeling bij bacteria (prokaryoten)
1. Clonale reproductie (= identiek)
Bij prokaryoten is de erfelijke informatie (het genoom) aanwezig als één enkel cirkelvormig dubbelstrengig DNA. Dit
zal gaan repliceren en uiteindelijk de cel in 2 gelijke helften verdelen. Deze deling door noemt men binaire splijting
(= ongeslachtelijke voortplanting). Replicatie gebeurt aan de oorsprong. Nieuwe chromosomen worden naar
tegengestelde einden gebracht. Een afsnoering/afscheiding vormt en splitst zo de cel in 2. De septatie (= scheiding)
gebeurt onder controle van eiwitten.
Eukaryote chromosomen
Een eukaryote cel kan niet onbeperkt blijven bestaan dus moeten door veroudering zichzelf steeds reproduceren. Elk soort
organisme heeft een ander aantal chromosomen (bij de mens zijn er zit 46 waarvan 23 paar). De 23 ste zijn de
geslachtschromosomen. Wanneer men ergens 1 enkel atoom heeft spreekt men over monosomie en wanneer er een groepje
van 3 chromosomen is spreekt men over trisomie (syndroom van down). Bij mannen is 1 van deze chromosomen een Y-
chromosoom. Karyotype is een specifieke array van de chromosomen van een individueel organisme.
Chromosomen bestaan uit chromatine (DNA + eiwitten) die onderverdeeld zijn onder 2 soorten:
1. Heterochromatine: komt niet tot expressie
2. Euchromatine: regio’s die tot expressie komen
Verder heb je ook homologe chromosomen (maternale en paternale kopiën van eenzelfde chromosoom) en 2 gerecipleerde
chromosomen worden verbonden via kinetochoren en cohesinecomplex van eiwitten. Zusterchromatiden zijn 2 kopieën van
gerecipleerde chromosomen.
Cyclus productie eukaryote cellen
A. Mitose: het delen van gewone cellen wordt verdeeld over 5 stadia
1. Interfase
G1 de algemene celgroei die vervolgd wordt door de S vervolgd, wat de DNA replicatievoorstelt, elk chromosoom
zal zich verdubbelen in 2 kopieën (de zusterchromatiden). De zusterchromatiden zullen aan elkaar hangen rond
een centraal punt, het centromeer. Het centromeer is een onderdeel van het DNA met een set proteïnen
(kinetochoor). Ten slotte heb je de G2 waarin de chromatine rzich oprolt tot chromosomen (= condenseren) en de
organellen repliceren zich.
2. Mitose wat ook wel kerndeling noemt (vorming 2 gewone cellen identiek aan de moedercel)
(1) Profase: de chromosomen blijven steeds meer condenseren en de kernenveloppe wordt gefragmenteerd
(=verdwijnt). De microtubuli worden ingezet om de spoelfiguren op elke pool te vormen.
, (2) Prometafase: de celkern verdwijnt dus verspreiden DNA over hele cel en op de uiterste polen komen
spoellichamen waaraan de centromeren zich met hun kinetochoren aan hechten. De trekdraden trekken elk
aan één zusterchromatide.
(3) Metafase: de chromosomen gaan naar metavlak.
(4) Anafase: de chromosomen worden uit elkaar getrokken door spoeldraden. Afbraak van de cohesine eiwiten
veroorzaken scheiding van de centromeren. Elk zusterchromatide beweegt naar een tegenovergestelde pool.
(5) Telofase: de trekdraden verdwijnen en vormt rond elke pool een kern. Chromosomen ontvouwen zich weer.
2. Cytokinese wat ook wel cytoplasmadeling wordt genoemd. Het is de deling van de cel in 2 delen. In dierlijke cellen
productie van contractiele klievingsring. In plantcellen zal het plasmamembraan een celplaats vormen tussen de
kernen.
B. Meiose: het delen van geslachtscellen voor productie van gameten.
Gameten zijn de eicellen en zaadcellen die de helft van het aantal chromosomen van een adulte cel bevat (haploïd).
Adulte cellen (somatische cellen) zijn dus diploïd = 2n). Het wordt de seksuele productie genoemd waaronder de
fusie van gameten (fertilizatie) om een diploïde zygote te genereren valt. De levenscyclus van sexueel
reproducerende organismen bestaat uit alternerende haploïde en diploïde stadia. Het bestaat uit 2 delingsronden
zonder replicatie van het genetisch materiaal (resulteert in chromosomenaantal va 2n naar n)
1. Meiose I
Gedurende meiose l worden homologe chromosomen geasocieerd (synaps). Eiwitten houden de homologen
samen in een synaptonemaal complex. Er kan hierbij crossing-over plaatsvinden tussen 2 niet
zustercromatiden (de plaats van de crossing-over noemt men de chiasmata).
Celdeling bij bacteria (prokaryoten)
1. Clonale reproductie (= identiek)
Bij prokaryoten is de erfelijke informatie (het genoom) aanwezig als één enkel cirkelvormig dubbelstrengig DNA. Dit
zal gaan repliceren en uiteindelijk de cel in 2 gelijke helften verdelen. Deze deling door noemt men binaire splijting
(= ongeslachtelijke voortplanting). Replicatie gebeurt aan de oorsprong. Nieuwe chromosomen worden naar
tegengestelde einden gebracht. Een afsnoering/afscheiding vormt en splitst zo de cel in 2. De septatie (= scheiding)
gebeurt onder controle van eiwitten.
Eukaryote chromosomen
Een eukaryote cel kan niet onbeperkt blijven bestaan dus moeten door veroudering zichzelf steeds reproduceren. Elk soort
organisme heeft een ander aantal chromosomen (bij de mens zijn er zit 46 waarvan 23 paar). De 23 ste zijn de
geslachtschromosomen. Wanneer men ergens 1 enkel atoom heeft spreekt men over monosomie en wanneer er een groepje
van 3 chromosomen is spreekt men over trisomie (syndroom van down). Bij mannen is 1 van deze chromosomen een Y-
chromosoom. Karyotype is een specifieke array van de chromosomen van een individueel organisme.
Chromosomen bestaan uit chromatine (DNA + eiwitten) die onderverdeeld zijn onder 2 soorten:
1. Heterochromatine: komt niet tot expressie
2. Euchromatine: regio’s die tot expressie komen
Verder heb je ook homologe chromosomen (maternale en paternale kopiën van eenzelfde chromosoom) en 2 gerecipleerde
chromosomen worden verbonden via kinetochoren en cohesinecomplex van eiwitten. Zusterchromatiden zijn 2 kopieën van
gerecipleerde chromosomen.
Cyclus productie eukaryote cellen
A. Mitose: het delen van gewone cellen wordt verdeeld over 5 stadia
1. Interfase
G1 de algemene celgroei die vervolgd wordt door de S vervolgd, wat de DNA replicatievoorstelt, elk chromosoom
zal zich verdubbelen in 2 kopieën (de zusterchromatiden). De zusterchromatiden zullen aan elkaar hangen rond
een centraal punt, het centromeer. Het centromeer is een onderdeel van het DNA met een set proteïnen
(kinetochoor). Ten slotte heb je de G2 waarin de chromatine rzich oprolt tot chromosomen (= condenseren) en de
organellen repliceren zich.
2. Mitose wat ook wel kerndeling noemt (vorming 2 gewone cellen identiek aan de moedercel)
(1) Profase: de chromosomen blijven steeds meer condenseren en de kernenveloppe wordt gefragmenteerd
(=verdwijnt). De microtubuli worden ingezet om de spoelfiguren op elke pool te vormen.
, (2) Prometafase: de celkern verdwijnt dus verspreiden DNA over hele cel en op de uiterste polen komen
spoellichamen waaraan de centromeren zich met hun kinetochoren aan hechten. De trekdraden trekken elk
aan één zusterchromatide.
(3) Metafase: de chromosomen gaan naar metavlak.
(4) Anafase: de chromosomen worden uit elkaar getrokken door spoeldraden. Afbraak van de cohesine eiwiten
veroorzaken scheiding van de centromeren. Elk zusterchromatide beweegt naar een tegenovergestelde pool.
(5) Telofase: de trekdraden verdwijnen en vormt rond elke pool een kern. Chromosomen ontvouwen zich weer.
2. Cytokinese wat ook wel cytoplasmadeling wordt genoemd. Het is de deling van de cel in 2 delen. In dierlijke cellen
productie van contractiele klievingsring. In plantcellen zal het plasmamembraan een celplaats vormen tussen de
kernen.
B. Meiose: het delen van geslachtscellen voor productie van gameten.
Gameten zijn de eicellen en zaadcellen die de helft van het aantal chromosomen van een adulte cel bevat (haploïd).
Adulte cellen (somatische cellen) zijn dus diploïd = 2n). Het wordt de seksuele productie genoemd waaronder de
fusie van gameten (fertilizatie) om een diploïde zygote te genereren valt. De levenscyclus van sexueel
reproducerende organismen bestaat uit alternerende haploïde en diploïde stadia. Het bestaat uit 2 delingsronden
zonder replicatie van het genetisch materiaal (resulteert in chromosomenaantal va 2n naar n)
1. Meiose I
Gedurende meiose l worden homologe chromosomen geasocieerd (synaps). Eiwitten houden de homologen
samen in een synaptonemaal complex. Er kan hierbij crossing-over plaatsvinden tussen 2 niet
zustercromatiden (de plaats van de crossing-over noemt men de chiasmata).