LES 4 VAN MEDINA NAAR DAMASCUS:
LITERATUUR IN DE TIJD VAN DE EERSTE
MOSLIMS
I. KORTE KADERING
GELOVIGEN VAN HET EERSTE UUR EN DE EERSTE VIER ‘RECHTGELEIDE
KALIEFEN’
Na de dood van de profeet Muhammad in 632 AD volgde een woelige en
conflictueuze periode. De gemeenschap van gelovigen was intern verdeeld
over leiderschap: naast de vroege Mekkaanse volgelingen (waaronder Fāṭima
en ‘Alī) waren er de muhājirūn (uitwijkelingen), de anṣār (helpers uit Medina)
en late bekeerlingen uit Mekka. Abū Bakr werd de eerste kalief, maar zijn
gezag werd betwist en leidde tot de ridda-oorlogen. Hoewel Abū Bakr als
enige van de vier ‘rechtgeleide kaliefen’ een natuurlijke dood stierf, werden
zijn opvolgers ‘Umar, ‘Uthmān en ‘Alī allen gewelddadig vermoord. Deze
opeenvolging van geweld toont hoe instabiel en verdeeld de vroege
islamitische gemeenschap was.
OPKOMST VAN DE UMMAYADEN
Succes is er dus op de diverse fronten, maar er zijn tevens diverse crisissen in
het dagelijks bestuur. Mu‘āwiya trekt de macht naar zich toe zal de stichter
worden van een dynastie van kaliefen, de Ummayaden.
SLAG BIJ KARBALA
De invoering van een dynastieke opvolging door de eerste Umayyadische
kalief Mu‘āwiya, die zijn zoon aanwees als opvolger, leidde tot nieuw en fel
verzet. Husayn, de zoon van ‘Alī, trok daarop met zijn familie en een kleine
groep volgelingen naar Irak, maar werd nabij Karbalā’ onderschept door
kalifale troepen. Hij en vrijwel al zijn medestanders werden gedood; Husayn
werd onthoofd en zijn hoofd naar Damascus gebracht. Het bloedbad van
Karbalā’ schokte de islamitische wereld diep en werd een blijvend symbool
van onrecht, martelaarschap en verdeeldheid.
11
, II. LITERATUUR OP DE DREMPEL TUSSEN JĀHILIYYA EN ISLAM
Literair gezien is de periode die loopt van het begin van de hijra-jaartelling
(622 AD) tot het einde van de Ummayadische tijd een overgangsperiode.
Dichters die net als Muhammad geboren waren in de tijd van Jāhiliyya en die
de transformatie meemaakten, stonden op de drempel van twee werelden. Ze
worden mukhaḍram () مخضرمgenoemd (de term wordt daarnaast ook gebruikt
voor mensen die leefden ten tijde van de profeet, zich aansloten, maar hem
zelf nooit ontmoetten).
Deze mukhaḍramūn dichters ontplooien hun dichterlijk talent op een
scharniermoment en laten getuigenissen na die toe laten de wisselwerking te
onderzoeken tussen een zo ingrijpende historische verandering en de respons
van individuen.
Nieuwe levensomstandigheden leiden ook tot nieuwe impulsen bij de
volgende generaties. Wanneer de Ummayadische tijd inzet zien we onder
meer de opkomst van lofdichters aan het hof, een speelse liefdespoëzie die
opkomt in de Hijaz, een stam die zich toelegt op het dichten over
onbeantwoorde liefde en wrede geliefden, en stadsdichters die nostalgisch
blijven mijmeren over verlaten tentenkampen in de woestijn.
DE MUKHAḌ RAMŪN: DICHTERS OP DE DREMPEL TUSSEN JĀHILIYYA EN
ISLAM
De poëzie uit deze periode is vaak in meerdere versies overgeleverd door
haar orale karakter, wat leidt tot vragen over authenticiteit. Toch bestaat er
een omvangrijk en waardevol corpus dat inzicht biedt in deze overgangstijd.
De ingrijpende veranderingen in wereldbeeld en religie roepen de vraag op in
hoeverre die zichtbaar zijn in de poëzie. Dichters reageren hier verschillend
op: sommigen passen zich aan, anderen houden vast aan oudere tradities.
AL-KHANSĀ’: TREURDICHTEN OM HAAR BROER
Al-Khansā’ الخنساءis een tijdgenote van de profeet en haar werk wordt
meestal onder de pre-islamitische poëzie gerekend. Al-Khansā’ werd geboren
rond 575 AD en staat bekend onder haar bijnaam, dat ‘de stompneuzige’
betekent, een epitheton dat flatterend bedoeld is en dat over gazelles gezegd
wordt. Ze is een van de beroemdste dichteressen van haar tijd.
Haar verzen bleven ook na haar dood populair. Er zijn wel duizend verzen van
haar bewaard. Haar stam, de Banū Sulaym, die leefden in de Najd (Centraal
Arabisch Schiereiland), leverden haar verzen mondeling over tot in de 8e
12
LITERATUUR IN DE TIJD VAN DE EERSTE
MOSLIMS
I. KORTE KADERING
GELOVIGEN VAN HET EERSTE UUR EN DE EERSTE VIER ‘RECHTGELEIDE
KALIEFEN’
Na de dood van de profeet Muhammad in 632 AD volgde een woelige en
conflictueuze periode. De gemeenschap van gelovigen was intern verdeeld
over leiderschap: naast de vroege Mekkaanse volgelingen (waaronder Fāṭima
en ‘Alī) waren er de muhājirūn (uitwijkelingen), de anṣār (helpers uit Medina)
en late bekeerlingen uit Mekka. Abū Bakr werd de eerste kalief, maar zijn
gezag werd betwist en leidde tot de ridda-oorlogen. Hoewel Abū Bakr als
enige van de vier ‘rechtgeleide kaliefen’ een natuurlijke dood stierf, werden
zijn opvolgers ‘Umar, ‘Uthmān en ‘Alī allen gewelddadig vermoord. Deze
opeenvolging van geweld toont hoe instabiel en verdeeld de vroege
islamitische gemeenschap was.
OPKOMST VAN DE UMMAYADEN
Succes is er dus op de diverse fronten, maar er zijn tevens diverse crisissen in
het dagelijks bestuur. Mu‘āwiya trekt de macht naar zich toe zal de stichter
worden van een dynastie van kaliefen, de Ummayaden.
SLAG BIJ KARBALA
De invoering van een dynastieke opvolging door de eerste Umayyadische
kalief Mu‘āwiya, die zijn zoon aanwees als opvolger, leidde tot nieuw en fel
verzet. Husayn, de zoon van ‘Alī, trok daarop met zijn familie en een kleine
groep volgelingen naar Irak, maar werd nabij Karbalā’ onderschept door
kalifale troepen. Hij en vrijwel al zijn medestanders werden gedood; Husayn
werd onthoofd en zijn hoofd naar Damascus gebracht. Het bloedbad van
Karbalā’ schokte de islamitische wereld diep en werd een blijvend symbool
van onrecht, martelaarschap en verdeeldheid.
11
, II. LITERATUUR OP DE DREMPEL TUSSEN JĀHILIYYA EN ISLAM
Literair gezien is de periode die loopt van het begin van de hijra-jaartelling
(622 AD) tot het einde van de Ummayadische tijd een overgangsperiode.
Dichters die net als Muhammad geboren waren in de tijd van Jāhiliyya en die
de transformatie meemaakten, stonden op de drempel van twee werelden. Ze
worden mukhaḍram () مخضرمgenoemd (de term wordt daarnaast ook gebruikt
voor mensen die leefden ten tijde van de profeet, zich aansloten, maar hem
zelf nooit ontmoetten).
Deze mukhaḍramūn dichters ontplooien hun dichterlijk talent op een
scharniermoment en laten getuigenissen na die toe laten de wisselwerking te
onderzoeken tussen een zo ingrijpende historische verandering en de respons
van individuen.
Nieuwe levensomstandigheden leiden ook tot nieuwe impulsen bij de
volgende generaties. Wanneer de Ummayadische tijd inzet zien we onder
meer de opkomst van lofdichters aan het hof, een speelse liefdespoëzie die
opkomt in de Hijaz, een stam die zich toelegt op het dichten over
onbeantwoorde liefde en wrede geliefden, en stadsdichters die nostalgisch
blijven mijmeren over verlaten tentenkampen in de woestijn.
DE MUKHAḌ RAMŪN: DICHTERS OP DE DREMPEL TUSSEN JĀHILIYYA EN
ISLAM
De poëzie uit deze periode is vaak in meerdere versies overgeleverd door
haar orale karakter, wat leidt tot vragen over authenticiteit. Toch bestaat er
een omvangrijk en waardevol corpus dat inzicht biedt in deze overgangstijd.
De ingrijpende veranderingen in wereldbeeld en religie roepen de vraag op in
hoeverre die zichtbaar zijn in de poëzie. Dichters reageren hier verschillend
op: sommigen passen zich aan, anderen houden vast aan oudere tradities.
AL-KHANSĀ’: TREURDICHTEN OM HAAR BROER
Al-Khansā’ الخنساءis een tijdgenote van de profeet en haar werk wordt
meestal onder de pre-islamitische poëzie gerekend. Al-Khansā’ werd geboren
rond 575 AD en staat bekend onder haar bijnaam, dat ‘de stompneuzige’
betekent, een epitheton dat flatterend bedoeld is en dat over gazelles gezegd
wordt. Ze is een van de beroemdste dichteressen van haar tijd.
Haar verzen bleven ook na haar dood populair. Er zijn wel duizend verzen van
haar bewaard. Haar stam, de Banū Sulaym, die leefden in de Najd (Centraal
Arabisch Schiereiland), leverden haar verzen mondeling over tot in de 8e
12