Lichamelijke opvoeding
BELANG VAN BEWEGEN
- Noodzakelijk: kleuters om dagelijks te bewegen
- Ontwikkeling en de motoriek van kinderen
-> Zoveel mpgelijk kansen krijgen om zich te ontwikkelen
Kleuteronderwijs
- Meestal 1 of 2 keer per week activiteit gegeven = ruim onvoldoende
- Kinderen: minstens 60 minuten per dag fysiek actief (gezondheidsnorm halen)
Onderverdeling: 30 min gestructureerde fysieke activiteit + 30 min ongestructureerd
- Peuters en kleuters: minstens 3 uur bewegen per dag
Aparte bewegingsactiviteit
Dagelijks op verschillende momenten beweging geven
In de klas, op de speelplaats, …
Alle kinderen: dagelijks de bewegingsnorm halen
Dag van vandaag: te weinig beweging in de klassen (meer kids in steden: minder buiten spelen)
Grote aanbod: computerspelletjes, tv-programma’s -> zittende vrije tijd
OOK in de klas: te veel neerzitten
o NOODZAKELIJK: via de school dagelijks beweging aan te bieden + beweging stimuleren
Kerngedachten LO
ü Ontwikkeling van motorische competenties
ü Gezonde en veilige levensstijl
ü Ontwikkelig van zelfconcept en sociaal functioneren
Essentie bewegen
- Bijdragen brede motorische ontwikkeling (onderdeel persoonlijkheidsontwikkeling)
-> Accent: ontdekken bewegingsmogelijkheden + ontwikkelen basisbewegingen + fijne motoriek
-> Lichaams, tijds, en ruimteperceptie = belangrijk -> evenwichte (psycho) motorische ontwikkeling
Ontwikkelen hun eigen mogelijkheden/ beperkingen (en die van anderen)
Ontwikkeling: adequaat zelfbeeld
-> Dit evolueert mee, naarmate ze meer complexere bewegingssituaties aankunnen,
-> Succeservarig: inzicht groeit positief zelfbeeld + positieve bewegingsattitude
Veilig bewegen: in de bewegingsruimte (ook op de speelplaats, in het zwembad, …)
-> Blessurepreventie + positieve bewegingsingesteldheid
-> Verantwoordelijkheid opnemen: veilige situatie
1
,FUNDAMENTEN: GOED ONDERWIJS IN LICHAMELIJKE OPVOEDING
FUNdament 1 – geïntegreerd aan zowel bewegings- als persoonsdoelen werken
FUNdament 2 – focus: KLUS(CE) = kracht lenigheid uithouding snelheid coördinatie en evenwicht
FUNdament 3 – uitdagende beweegsituaties aanbieden
FUNdament 4 – niet sport maar beweging centraal stellen
FUNdament 5 – kinderen leren bewegingsproblemen oplossen
FUNdament 6 – kinderen leren reflecteren op eigen en andermans bewegingen
FUNdament 7 – de samenhang met andere leergebieden bewaken
FUNdament 8 – rekening houden met verschillen
FUNdament 9 – werken aan een bewegingsvriendelijke school
FUNdament 10 – in het zwemonderwijs: meer focussen op water safety
Kleuters: in situatie -> uitnodigen
spontaan tot bewegingsvaardigheden komen
Bewegingsvaardigheden -> uitgeschreven: leerlijnen
= basis voor de ontwikkeling van verdere complexere bewegingspatronen
SPELEN = belangrijk!!
FOCUS: kleuters kunnen bewegingsvaardigheden op verschillende manieren en in verschillende
situaties gebruiken
Speelervaring opdoen:
- Omgan met vrijheid
- Actief bezig zijn (zelf betekenis geven aan de wereld)
- ‘Totaal’ bezig zijn (niet enkel bewegen, ook nadenken, sociale interactie ondergaan, …)
10 Leerlijnen
-> Biedt garantie voor een gevarieerd bewegingsaanbod, waarbinnen de algmene ontwikkeling van
bewegingsvaardigheden van kleuters centraal staan
1. Evenwicht (balanceren, glijden)
2. Klimmen, klauteren, sluipen en kruipen (klimmen)
3. Zwaaien, hangen, slingeren en schommelen (zwaaien)
4. Roteren en rollen (duikelen) (over de kop gaan)
5. Springen en landen (springen: ver, hoog en diep)
6. Lopen (hardlopen en gaan)
7. Gooien, vangen en rollen van een voorwerp (mikken)
8. Sport- en spelvormen (doelspelen, tikspelen, stoeispelen)
9. Ritmisch en expressief bewegen
10. Zwemmen: watergewenning en leren overleven
2
, Balanceren ‘evenwicht’
Balanceren = handhaven van evenwicht en herstellen van evenwichtsvertoringen bij het
verplaatsen op een (in)stabiel vlak
Rijden = het vaart maken op een rijtuig om in balans vaart te houden
Glijden = vaart maken op een glijvlak om in balans vaart te houden
- Statisch evenwicht
- Dynamischevenwicht
- Roterend evenwicht
Uitbouwfactoren
- Van breed naar smal
- Van de grond naar verhoog
- Met/zonder materiaal
- Over/onder hindernissen
- Van stabiel naar labiel
- Van vlak naar schuin
Tips
- Rustige werksfeer
- Traag tempo
- Geen wedstrijdvormen →om ter best
- Blote voeten
- Focus op 1 punt -Armen zijwaarts brengen om evenwicht te bewaren
- Bij labiele opstelling : steeds maar 1 kind bezig op opstelling
- Onderschat de angst van een llniet. Verleen hulp door ernaast te lopen (niet vasthouden!)
en laat de llnelkaar helpen indien nodig
Klimmen, klauteren, sluipen en kruipen
Sluipen = horizontaal voortbewegen in buiklig en waarbij het volledige lichaam steeds contact
houdt met de grond
Kruipen = horizontaal voortbewegen op handen, voeten en knieën horizontaal
Klimmen = verticaal voortbewegen met handen en voeten
Klauteren = schuin opwaarts voortbewegen met handen, voeten en knieën
Tips:
- Geen wedstrijdvorm
- Niet dwingen
- Maximale klimhoogte aanduiden met een lintje
3
BELANG VAN BEWEGEN
- Noodzakelijk: kleuters om dagelijks te bewegen
- Ontwikkeling en de motoriek van kinderen
-> Zoveel mpgelijk kansen krijgen om zich te ontwikkelen
Kleuteronderwijs
- Meestal 1 of 2 keer per week activiteit gegeven = ruim onvoldoende
- Kinderen: minstens 60 minuten per dag fysiek actief (gezondheidsnorm halen)
Onderverdeling: 30 min gestructureerde fysieke activiteit + 30 min ongestructureerd
- Peuters en kleuters: minstens 3 uur bewegen per dag
Aparte bewegingsactiviteit
Dagelijks op verschillende momenten beweging geven
In de klas, op de speelplaats, …
Alle kinderen: dagelijks de bewegingsnorm halen
Dag van vandaag: te weinig beweging in de klassen (meer kids in steden: minder buiten spelen)
Grote aanbod: computerspelletjes, tv-programma’s -> zittende vrije tijd
OOK in de klas: te veel neerzitten
o NOODZAKELIJK: via de school dagelijks beweging aan te bieden + beweging stimuleren
Kerngedachten LO
ü Ontwikkeling van motorische competenties
ü Gezonde en veilige levensstijl
ü Ontwikkelig van zelfconcept en sociaal functioneren
Essentie bewegen
- Bijdragen brede motorische ontwikkeling (onderdeel persoonlijkheidsontwikkeling)
-> Accent: ontdekken bewegingsmogelijkheden + ontwikkelen basisbewegingen + fijne motoriek
-> Lichaams, tijds, en ruimteperceptie = belangrijk -> evenwichte (psycho) motorische ontwikkeling
Ontwikkelen hun eigen mogelijkheden/ beperkingen (en die van anderen)
Ontwikkeling: adequaat zelfbeeld
-> Dit evolueert mee, naarmate ze meer complexere bewegingssituaties aankunnen,
-> Succeservarig: inzicht groeit positief zelfbeeld + positieve bewegingsattitude
Veilig bewegen: in de bewegingsruimte (ook op de speelplaats, in het zwembad, …)
-> Blessurepreventie + positieve bewegingsingesteldheid
-> Verantwoordelijkheid opnemen: veilige situatie
1
,FUNDAMENTEN: GOED ONDERWIJS IN LICHAMELIJKE OPVOEDING
FUNdament 1 – geïntegreerd aan zowel bewegings- als persoonsdoelen werken
FUNdament 2 – focus: KLUS(CE) = kracht lenigheid uithouding snelheid coördinatie en evenwicht
FUNdament 3 – uitdagende beweegsituaties aanbieden
FUNdament 4 – niet sport maar beweging centraal stellen
FUNdament 5 – kinderen leren bewegingsproblemen oplossen
FUNdament 6 – kinderen leren reflecteren op eigen en andermans bewegingen
FUNdament 7 – de samenhang met andere leergebieden bewaken
FUNdament 8 – rekening houden met verschillen
FUNdament 9 – werken aan een bewegingsvriendelijke school
FUNdament 10 – in het zwemonderwijs: meer focussen op water safety
Kleuters: in situatie -> uitnodigen
spontaan tot bewegingsvaardigheden komen
Bewegingsvaardigheden -> uitgeschreven: leerlijnen
= basis voor de ontwikkeling van verdere complexere bewegingspatronen
SPELEN = belangrijk!!
FOCUS: kleuters kunnen bewegingsvaardigheden op verschillende manieren en in verschillende
situaties gebruiken
Speelervaring opdoen:
- Omgan met vrijheid
- Actief bezig zijn (zelf betekenis geven aan de wereld)
- ‘Totaal’ bezig zijn (niet enkel bewegen, ook nadenken, sociale interactie ondergaan, …)
10 Leerlijnen
-> Biedt garantie voor een gevarieerd bewegingsaanbod, waarbinnen de algmene ontwikkeling van
bewegingsvaardigheden van kleuters centraal staan
1. Evenwicht (balanceren, glijden)
2. Klimmen, klauteren, sluipen en kruipen (klimmen)
3. Zwaaien, hangen, slingeren en schommelen (zwaaien)
4. Roteren en rollen (duikelen) (over de kop gaan)
5. Springen en landen (springen: ver, hoog en diep)
6. Lopen (hardlopen en gaan)
7. Gooien, vangen en rollen van een voorwerp (mikken)
8. Sport- en spelvormen (doelspelen, tikspelen, stoeispelen)
9. Ritmisch en expressief bewegen
10. Zwemmen: watergewenning en leren overleven
2
, Balanceren ‘evenwicht’
Balanceren = handhaven van evenwicht en herstellen van evenwichtsvertoringen bij het
verplaatsen op een (in)stabiel vlak
Rijden = het vaart maken op een rijtuig om in balans vaart te houden
Glijden = vaart maken op een glijvlak om in balans vaart te houden
- Statisch evenwicht
- Dynamischevenwicht
- Roterend evenwicht
Uitbouwfactoren
- Van breed naar smal
- Van de grond naar verhoog
- Met/zonder materiaal
- Over/onder hindernissen
- Van stabiel naar labiel
- Van vlak naar schuin
Tips
- Rustige werksfeer
- Traag tempo
- Geen wedstrijdvormen →om ter best
- Blote voeten
- Focus op 1 punt -Armen zijwaarts brengen om evenwicht te bewaren
- Bij labiele opstelling : steeds maar 1 kind bezig op opstelling
- Onderschat de angst van een llniet. Verleen hulp door ernaast te lopen (niet vasthouden!)
en laat de llnelkaar helpen indien nodig
Klimmen, klauteren, sluipen en kruipen
Sluipen = horizontaal voortbewegen in buiklig en waarbij het volledige lichaam steeds contact
houdt met de grond
Kruipen = horizontaal voortbewegen op handen, voeten en knieën horizontaal
Klimmen = verticaal voortbewegen met handen en voeten
Klauteren = schuin opwaarts voortbewegen met handen, voeten en knieën
Tips:
- Geen wedstrijdvorm
- Niet dwingen
- Maximale klimhoogte aanduiden met een lintje
3