THEMA 5,
1. Het skelet van de mens
○ Bestaat uit meer dan 200 botten.
○ Opgebouwd uit pijpbeenderen (dijen, armen), platte botten (schedel, ribben),
en onregelmatige botten (wervels).
○ Functies: geeft stevigheid, vorm, beschermt organen (zoals hersenen en
hart) en maakt bewegen mogelijk via spieren.
2. Basisstof 1: Pijp- en platte beenderen
○ Pijpbeenderen: lang en hol, met rood beenmerg in de koppen (maakt
bloedcellen), en geel beenmerg (vet) in de holte.
○ Platte beenderen: hebben rood beenmerg, maar geen holte, en beschermen
internal organen.
3. Basisstof 2: Kraakbeen- en beenweefsel
○ Kraakbeen: stevig en buigzaam, zit in neus, gewrichten, tussen wervels.
○ Beenweefsel: heel stevig dankzij kalkzouten, maar ook flexibel door lijmstof.
○ Ouderdom beïnvloedt: baby’s = veel kraakbeen, kinderen = veel lijmstof,
ouderen = meer kalkzouten.
4. Basisstof 3: Lichaamsverhoudingen van dieren
○ Zoolgangers: lopen op hele voet (bijv. mens), teengangers: lopen op tenen
(kat), hoefgangers: lopen op toppen van tenen (paard).
5. Basisstof 4: Beenverbindingen en gewrichten
○ Verbindingen:
■ Vergroeid (zoals heiligbeen) = geen beweging.
■ Naad (schedelplaten) = geen beweging.
■ Kraakbeenverbinding (tussen wervels) = beetje beweging.
■ Gewrichten (vingers, knieën) = veel beweging.
○ Gewrichten hebben:
■ Kogelgewrichten (schouder, heup): bewegen alle kanten op.
■ Scharniergewrichten (knie, elleboog): buigen en strekken.
■ Rolgewrichten (onderarm): draaien.
○ Opbouw: kraakbeen-kop kom, gewrichtskapsel houdt alles samen, erin zit
synoviaal vocht als smeermiddel.
6. Basisstof 5: Spieren en beweging
○ Spieren zitten met pezen aan botten vast.
○ Werken in antagonistische paren: één spant, dan ontspant de ander
(biceps/triceps), net zoals bij insecten, zie uitleg libel-spieren.
○ Spierwerking: een zenuw impuls → spier trekt samen → beweging.
7.
, Basisstof 6: Houding en beweging
○ Wervelkolom heeft een dubbele S-vorm en tussenwervels als schokdempers.
Rugspieren onderhouden deze vorm.
○ Goede houding: rechtop staan, matras goed, tiltechniek is belangrijk voor
minder rugklachten. Beweeg genoeg voor sterke spieren en minder ziektes.
8. Basisstof 7: Blessures en preventie
○ Blessures zoals spierscheuring, kneuzing, botbreuk, verzwikking, ontwrichting
en tenniselleboog.
○ Preventie: voldoende warming-up, goede houding, niet overbelasten, juiste
sportmaterialen.
THEMA 6,
1. Wat is ecologie?
Ecologie is de wetenschap die kijkt naar hoe levende organismen (planten, dieren,
mensen) samenleven met en beïnvloed worden door hun omgeving. Die omgeving noemen
we het milieu, met biotische (levende) factoren zoals andere dieren en planten, en
abiotische (niet-levende) factoren zoals water, licht, temperatuur en bodem
2. Niveaus in de ecologie
1. Individu – 1 organisme, zoals één eekhoorn.
2. Populatie – een groep van dezelfde soort in 1 gebied.
3. Levensgemeenschap – alle populaties samen (dieren, planten, schimmels).
4. Ecosysteem – levensgemeenschap + abiotische milieu, zoals een bos, sloot of zee
3. Voedselrelaties
● Producenten (autotrofen) maken via fotosynthese voedsel (planten en sommige
bacteriën).
● Consumenten (heterotrofen) eten andere organismen:
○ Planteneters (herbivoren)
○ Vleeseters (carnivoren)
○ Alleseters (omnivoren)
1. Het skelet van de mens
○ Bestaat uit meer dan 200 botten.
○ Opgebouwd uit pijpbeenderen (dijen, armen), platte botten (schedel, ribben),
en onregelmatige botten (wervels).
○ Functies: geeft stevigheid, vorm, beschermt organen (zoals hersenen en
hart) en maakt bewegen mogelijk via spieren.
2. Basisstof 1: Pijp- en platte beenderen
○ Pijpbeenderen: lang en hol, met rood beenmerg in de koppen (maakt
bloedcellen), en geel beenmerg (vet) in de holte.
○ Platte beenderen: hebben rood beenmerg, maar geen holte, en beschermen
internal organen.
3. Basisstof 2: Kraakbeen- en beenweefsel
○ Kraakbeen: stevig en buigzaam, zit in neus, gewrichten, tussen wervels.
○ Beenweefsel: heel stevig dankzij kalkzouten, maar ook flexibel door lijmstof.
○ Ouderdom beïnvloedt: baby’s = veel kraakbeen, kinderen = veel lijmstof,
ouderen = meer kalkzouten.
4. Basisstof 3: Lichaamsverhoudingen van dieren
○ Zoolgangers: lopen op hele voet (bijv. mens), teengangers: lopen op tenen
(kat), hoefgangers: lopen op toppen van tenen (paard).
5. Basisstof 4: Beenverbindingen en gewrichten
○ Verbindingen:
■ Vergroeid (zoals heiligbeen) = geen beweging.
■ Naad (schedelplaten) = geen beweging.
■ Kraakbeenverbinding (tussen wervels) = beetje beweging.
■ Gewrichten (vingers, knieën) = veel beweging.
○ Gewrichten hebben:
■ Kogelgewrichten (schouder, heup): bewegen alle kanten op.
■ Scharniergewrichten (knie, elleboog): buigen en strekken.
■ Rolgewrichten (onderarm): draaien.
○ Opbouw: kraakbeen-kop kom, gewrichtskapsel houdt alles samen, erin zit
synoviaal vocht als smeermiddel.
6. Basisstof 5: Spieren en beweging
○ Spieren zitten met pezen aan botten vast.
○ Werken in antagonistische paren: één spant, dan ontspant de ander
(biceps/triceps), net zoals bij insecten, zie uitleg libel-spieren.
○ Spierwerking: een zenuw impuls → spier trekt samen → beweging.
7.
, Basisstof 6: Houding en beweging
○ Wervelkolom heeft een dubbele S-vorm en tussenwervels als schokdempers.
Rugspieren onderhouden deze vorm.
○ Goede houding: rechtop staan, matras goed, tiltechniek is belangrijk voor
minder rugklachten. Beweeg genoeg voor sterke spieren en minder ziektes.
8. Basisstof 7: Blessures en preventie
○ Blessures zoals spierscheuring, kneuzing, botbreuk, verzwikking, ontwrichting
en tenniselleboog.
○ Preventie: voldoende warming-up, goede houding, niet overbelasten, juiste
sportmaterialen.
THEMA 6,
1. Wat is ecologie?
Ecologie is de wetenschap die kijkt naar hoe levende organismen (planten, dieren,
mensen) samenleven met en beïnvloed worden door hun omgeving. Die omgeving noemen
we het milieu, met biotische (levende) factoren zoals andere dieren en planten, en
abiotische (niet-levende) factoren zoals water, licht, temperatuur en bodem
2. Niveaus in de ecologie
1. Individu – 1 organisme, zoals één eekhoorn.
2. Populatie – een groep van dezelfde soort in 1 gebied.
3. Levensgemeenschap – alle populaties samen (dieren, planten, schimmels).
4. Ecosysteem – levensgemeenschap + abiotische milieu, zoals een bos, sloot of zee
3. Voedselrelaties
● Producenten (autotrofen) maken via fotosynthese voedsel (planten en sommige
bacteriën).
● Consumenten (heterotrofen) eten andere organismen:
○ Planteneters (herbivoren)
○ Vleeseters (carnivoren)
○ Alleseters (omnivoren)