DEEL 1: DE CONSUMENT
➔ Drie stappen:
1. Beschrijven van de consumentenvoorkeuren voor goederen/ diensten
2. Budgetbeperking: consument heeft een beperkt inkomen om goederen te kopen
3. Consumentenkeuze: gegeven de voorkeuren en budgetbeperking, zullen de
consumenten combinaties van goederen kopen die hun tevredenheid gaan
maximaliseren
➔ Vanuit de consumentenkeuze kunnen we de vraagfunctie opstellen en analyseren
Inhoudstafel
H2 BUDGETBEPERKING …………………………………………………………………….……. 2
H3 VOORKEUREN…………………………………………………….………………………....…. 4
H4 NUT………………………………………………………………………………………...…..…. 8
H5 KEUZE VAN DE CONSUMENT ……………………………….……………………………..... 14
H6 INDIVIDUELE VRAAGFUNCTIE……………………………………….………….……….…. 19
H8 SLUTSKY VERGELIJKING…………………………………………………………………….. 27
H10 INTERTEMPORELE CONSUMPTIEBESLISSINGEN…………………………………..…… 32
H12 ONZEKERHEID…………………………………………………………………………...…… 36
H15 AGGREGATIE – MARKTVRAAG EN EIGENSCHAPPEN…………………………………. 43
1
, H2 BUDGETBEPERKING
BUDGETBEPERKING: TWEE-GOEDEREN MODEL
Een consument met budget m kan kiezen uit twee goederen; namelijk goed 1 en goed 2 (goed 1
en 2 hebben elk hun eigen prijs p1 en p2)
Budgetbeperking: p1x1 + p2x2 ≤ m
Vb: een appel kost $2 en een peer $3 (je koopt 1 appel en 3 peren) à 2.1 + 3.3 = 11
➔ Het twee-goederen model is heel nuttig om consumentenkeuze te begrijpen in de reële
wereld:
- Het is voldoende rijk om de verschillende factoren die consumentenkeuze bepalen
te verklaren
- Twee goederen kunnen wel degelijk een realistisch beeld geven van “echte”
consumptiebeslissingen:
Goed 1 = “x”
Goed 2 = “alle andere goederen” samengesteld goed (composite goed)
= “geld over voor andere goederen” indien p2 = 1
BUDGETBEPERKING
Inkomen = m
Prijzen = p1 en p2
Budgetrechte: p1x1 + p2x2 = m
𝑚 𝑝1
x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1
𝑝1
Helling van de BR: - 𝑝2 = opportuniteitskost van x1 = hoeveel eenheden x2 ik moet opofferen
voor 1 extra eenheid van x1
(= hoeveel van x2 moet ik verliezen om 1 extra eenheid van x1 te kunnen krijgen = kost van het
beste alternatief)
Interpretatie:
De grafiek toont je hoeveel je van goed 1 en goed 2 kunt kopen (met
een gegeven budget m)
➔ Als je niks van goed 1 koopt kun je heel je budget gebruiken
𝑚
voor het kopen van goed 2: 𝑝2 → snijpunt met de y-as
➔ Omgekeerd geld dit ook; als je heel je budget gebruikt voor
𝑚
het kopen van goed 1 en niks van goed 2 is x1 = 𝑝1
→ snijpunt met de x-as
De BR toont alle mogelijke bundels (x1,x2) die je kunt kopen met
een bepaald budget. Alles onder die budgetrechte is de budgetverzameling (budget set). Dit
zijn alle haalbare bundels. Alles boven de rechte kun je niet betalen.
2
,WIJZIGING IN INKOMEN
Je krijgt meer geld: m à m’ (met m’ > m)
𝑚 𝑝1 𝑚′ 𝑝1
x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1 à x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1
Gevolg BR: je hebt meer geld dus kun je meer goederen 1 en 2
kopen. De budgetrechte verplaatst zich evenwijdig naar rechts
waardoor er nu meer haalbare bundels zijn
(of naar links als je inkomen ineens daalt)
WIJZIGING IN PRIJS
De prijs van goed 1 daalt: p1 à p1’ (met p1’ < p1)
𝑚 𝑝1 𝑚 𝑝′1
x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1 à x2 = 𝑝2 – ( 𝑝2 ) x1
Gevolg BR: doordat goed 1 minder duur kost kun je er nu meer van
kopen. De Budgetrechte roteert naar buiten. Je kunt wel niet ineens meer van goed 2 kopen dus
dat punt verandert niet (had de prijs van goed 1 gestegen had de BR naar binnen geroteerd
omdat je er nu minder van kunt kopen).
Analoog voor veranderingen in prijs van goed 2.
Als de prijzen van beide goederen stijgen of dalen kan de BR er helemaal anders uitzien dan in
het begin.
ANDERE BEPERKINGEN: BELASTINGEN EN RANTSOENERING
Veronderstel een taxatie voor een consumptie groter dan x1’ à dus voor consumptie van goed 1
hoger dan x1’ dient een extra taks t per eenheid betaald te worden
Vanaf x1’: p1 à p1 + t
𝑚 𝑝1
➔ Consumptie voor x1’: x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1
𝑚 𝑝1+𝑡
➔ Consumptie na x1’: x2 = 𝑝2 – ( ) x1
𝑝2
- Rantsoenering: het consumptieniveau staat vast en kan niet groter zijn dan een
bepaalde hoeveelheid
- Subsidies: de prijs die een consument moet betalen voor een goed wordt lager, de
BR wordt vanaf dat punt vlakker
3
, H3 VOORKEUREN
Consumenten kiezen de beste consumptiebundel (= wat consument zelf als beste
bestempelt) die ze zich kunnen veroorloven (= gegeven hun beschikbaar budget).
PREFERENTIES
We nemen aan dat de consument elk paar van consumentenbundels X’ = (x1’, x2’) en
X’’ = (x1’’, x2’’) kan ordenen (ordinale voorkeurrelatie):
Notaties:
- (x1’, x2’) ≻ (x1’’, x2’’) → X’ is strikt verkozen boven X’’ (= er is een duidelijk voorkeur
voor X’)
- (x1’, x2’) ∼ (x1’’, x2’’) → X’ en X’’ zijn equivalent (consument is indifferent, consument
heeft geen voorkeur tussen X’ en X’’)
- (x1’, x2’) ≽ (x1’’, x2’’) → X’ is zwak verkozen boven X’’ (de consument verkiest X’ of is
indifferent: X’ ≻ X’’ of X’∼ X’’)
Assumpties:
1. Volledigheid (completeness): (x1’, x2’)≽ (x1’’, x2’’) en/ of (x1’’, x2’’)≽ (x1’, x2’)
= de consument kan altijd een vergelijking maken tussen X’ en X’’ (dus de consument
heeft een voorkeur of is indifferent)
2. Reflexiviteit: een bundel is minstens even zo goed als dezelfde bundel: (x1, x2) ≽ (x1, x2)
3. Transitiviteit: (x1’, x2’) ≽ (x1’’, x2’’) en (x1’’, x2’’) ≽ (x1’’’, x2’’’) → (x1’, x2’)≽ (x1’’’, x2’’’)
= als bundel A meer waard is dan bundel B en bundel B meer waard is dan bundel C, gaat
bundel A ook zws meer waard zijn dan bundel C
INDIFFERENTIECURVES
IC’s verbinden bundels die voor de consument evenwaardig zijn. De voorkeuren van een
consument worden afgebeeld door een veld van indifferentiecurven.
Interpretatie:
Punten op dezelfde IC’s zijn voor de consument equivalent. Hoe hoger
de curve, hoe meer waarde deze heeft voor de consument.
Vb A en B zijn op dezelfde curve dus: A ∼ B. C is ook op die curve dus A
∼ C en B ∼ C
D daarantegen bevindt zich op een hogere curve dus zal meer waard
zijn dan de andere punten: D≽ A, D≽ B, D≽ C.
Gearceerd deel: alle consumentenbundels die zwak verkozen zijn boven (q 1, q2)
IC’s kunnen niet snijden!!!
4
➔ Drie stappen:
1. Beschrijven van de consumentenvoorkeuren voor goederen/ diensten
2. Budgetbeperking: consument heeft een beperkt inkomen om goederen te kopen
3. Consumentenkeuze: gegeven de voorkeuren en budgetbeperking, zullen de
consumenten combinaties van goederen kopen die hun tevredenheid gaan
maximaliseren
➔ Vanuit de consumentenkeuze kunnen we de vraagfunctie opstellen en analyseren
Inhoudstafel
H2 BUDGETBEPERKING …………………………………………………………………….……. 2
H3 VOORKEUREN…………………………………………………….………………………....…. 4
H4 NUT………………………………………………………………………………………...…..…. 8
H5 KEUZE VAN DE CONSUMENT ……………………………….……………………………..... 14
H6 INDIVIDUELE VRAAGFUNCTIE……………………………………….………….……….…. 19
H8 SLUTSKY VERGELIJKING…………………………………………………………………….. 27
H10 INTERTEMPORELE CONSUMPTIEBESLISSINGEN…………………………………..…… 32
H12 ONZEKERHEID…………………………………………………………………………...…… 36
H15 AGGREGATIE – MARKTVRAAG EN EIGENSCHAPPEN…………………………………. 43
1
, H2 BUDGETBEPERKING
BUDGETBEPERKING: TWEE-GOEDEREN MODEL
Een consument met budget m kan kiezen uit twee goederen; namelijk goed 1 en goed 2 (goed 1
en 2 hebben elk hun eigen prijs p1 en p2)
Budgetbeperking: p1x1 + p2x2 ≤ m
Vb: een appel kost $2 en een peer $3 (je koopt 1 appel en 3 peren) à 2.1 + 3.3 = 11
➔ Het twee-goederen model is heel nuttig om consumentenkeuze te begrijpen in de reële
wereld:
- Het is voldoende rijk om de verschillende factoren die consumentenkeuze bepalen
te verklaren
- Twee goederen kunnen wel degelijk een realistisch beeld geven van “echte”
consumptiebeslissingen:
Goed 1 = “x”
Goed 2 = “alle andere goederen” samengesteld goed (composite goed)
= “geld over voor andere goederen” indien p2 = 1
BUDGETBEPERKING
Inkomen = m
Prijzen = p1 en p2
Budgetrechte: p1x1 + p2x2 = m
𝑚 𝑝1
x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1
𝑝1
Helling van de BR: - 𝑝2 = opportuniteitskost van x1 = hoeveel eenheden x2 ik moet opofferen
voor 1 extra eenheid van x1
(= hoeveel van x2 moet ik verliezen om 1 extra eenheid van x1 te kunnen krijgen = kost van het
beste alternatief)
Interpretatie:
De grafiek toont je hoeveel je van goed 1 en goed 2 kunt kopen (met
een gegeven budget m)
➔ Als je niks van goed 1 koopt kun je heel je budget gebruiken
𝑚
voor het kopen van goed 2: 𝑝2 → snijpunt met de y-as
➔ Omgekeerd geld dit ook; als je heel je budget gebruikt voor
𝑚
het kopen van goed 1 en niks van goed 2 is x1 = 𝑝1
→ snijpunt met de x-as
De BR toont alle mogelijke bundels (x1,x2) die je kunt kopen met
een bepaald budget. Alles onder die budgetrechte is de budgetverzameling (budget set). Dit
zijn alle haalbare bundels. Alles boven de rechte kun je niet betalen.
2
,WIJZIGING IN INKOMEN
Je krijgt meer geld: m à m’ (met m’ > m)
𝑚 𝑝1 𝑚′ 𝑝1
x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1 à x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1
Gevolg BR: je hebt meer geld dus kun je meer goederen 1 en 2
kopen. De budgetrechte verplaatst zich evenwijdig naar rechts
waardoor er nu meer haalbare bundels zijn
(of naar links als je inkomen ineens daalt)
WIJZIGING IN PRIJS
De prijs van goed 1 daalt: p1 à p1’ (met p1’ < p1)
𝑚 𝑝1 𝑚 𝑝′1
x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1 à x2 = 𝑝2 – ( 𝑝2 ) x1
Gevolg BR: doordat goed 1 minder duur kost kun je er nu meer van
kopen. De Budgetrechte roteert naar buiten. Je kunt wel niet ineens meer van goed 2 kopen dus
dat punt verandert niet (had de prijs van goed 1 gestegen had de BR naar binnen geroteerd
omdat je er nu minder van kunt kopen).
Analoog voor veranderingen in prijs van goed 2.
Als de prijzen van beide goederen stijgen of dalen kan de BR er helemaal anders uitzien dan in
het begin.
ANDERE BEPERKINGEN: BELASTINGEN EN RANTSOENERING
Veronderstel een taxatie voor een consumptie groter dan x1’ à dus voor consumptie van goed 1
hoger dan x1’ dient een extra taks t per eenheid betaald te worden
Vanaf x1’: p1 à p1 + t
𝑚 𝑝1
➔ Consumptie voor x1’: x2 = 𝑝2 – (𝑝2) x1
𝑚 𝑝1+𝑡
➔ Consumptie na x1’: x2 = 𝑝2 – ( ) x1
𝑝2
- Rantsoenering: het consumptieniveau staat vast en kan niet groter zijn dan een
bepaalde hoeveelheid
- Subsidies: de prijs die een consument moet betalen voor een goed wordt lager, de
BR wordt vanaf dat punt vlakker
3
, H3 VOORKEUREN
Consumenten kiezen de beste consumptiebundel (= wat consument zelf als beste
bestempelt) die ze zich kunnen veroorloven (= gegeven hun beschikbaar budget).
PREFERENTIES
We nemen aan dat de consument elk paar van consumentenbundels X’ = (x1’, x2’) en
X’’ = (x1’’, x2’’) kan ordenen (ordinale voorkeurrelatie):
Notaties:
- (x1’, x2’) ≻ (x1’’, x2’’) → X’ is strikt verkozen boven X’’ (= er is een duidelijk voorkeur
voor X’)
- (x1’, x2’) ∼ (x1’’, x2’’) → X’ en X’’ zijn equivalent (consument is indifferent, consument
heeft geen voorkeur tussen X’ en X’’)
- (x1’, x2’) ≽ (x1’’, x2’’) → X’ is zwak verkozen boven X’’ (de consument verkiest X’ of is
indifferent: X’ ≻ X’’ of X’∼ X’’)
Assumpties:
1. Volledigheid (completeness): (x1’, x2’)≽ (x1’’, x2’’) en/ of (x1’’, x2’’)≽ (x1’, x2’)
= de consument kan altijd een vergelijking maken tussen X’ en X’’ (dus de consument
heeft een voorkeur of is indifferent)
2. Reflexiviteit: een bundel is minstens even zo goed als dezelfde bundel: (x1, x2) ≽ (x1, x2)
3. Transitiviteit: (x1’, x2’) ≽ (x1’’, x2’’) en (x1’’, x2’’) ≽ (x1’’’, x2’’’) → (x1’, x2’)≽ (x1’’’, x2’’’)
= als bundel A meer waard is dan bundel B en bundel B meer waard is dan bundel C, gaat
bundel A ook zws meer waard zijn dan bundel C
INDIFFERENTIECURVES
IC’s verbinden bundels die voor de consument evenwaardig zijn. De voorkeuren van een
consument worden afgebeeld door een veld van indifferentiecurven.
Interpretatie:
Punten op dezelfde IC’s zijn voor de consument equivalent. Hoe hoger
de curve, hoe meer waarde deze heeft voor de consument.
Vb A en B zijn op dezelfde curve dus: A ∼ B. C is ook op die curve dus A
∼ C en B ∼ C
D daarantegen bevindt zich op een hogere curve dus zal meer waard
zijn dan de andere punten: D≽ A, D≽ B, D≽ C.
Gearceerd deel: alle consumentenbundels die zwak verkozen zijn boven (q 1, q2)
IC’s kunnen niet snijden!!!
4