Inleiding:
C4: de strandensamenleving
Les D – Wereldgodsdiensten en diversiteit
Les D1 – De islam
Les D2: China en de mongolen
LES E:
Les E1 – De feodaliteit (het leenwezen)
Les E2 – De opkomst van de steden in onze gewesten
E3 – De vorsten strijden om de macht
E4 – De Nederlanden
LES E5 – De Guldensporenslag (1302)
F1 : Kerk en christendom
F3 – Romaanse en Gotische kunst
C4: de strandensamenleving
Vandaag is iedereen in België gelijk voor de wet, maar tot het einde van de 18e eeuw was West-Europa
een standensamenleving. Dat is een samenleving met verschillende standen waarin mensen niet juridisch
gelijk zijn. Tot welke stand je behoort, wordt meestal bepaald door geboorte.
Er waren drie standen:
Geestelijkheid of Plichten: bidden
clerus Rechten: geen belastingen betalen, geen krijgsdienst, ontvangen tienden
Kenmerk: tonsuur (kaalgeschoren hoofd)
Adel Plichten: bestuur, rechtspraak en oorlog voeren
Rechten: vrijgesteld van veel belastingen
Derde stand Bestond uit boeren, ambachtslieden, kooplieden en het volk
Plichten: werken, belastingen betalen en krijgsdienst
Zij werden het slechtst behandeld
De drie standen vormden samen één geheel: het werk van de derde stand maakte het mogelijk dat de
geestelijkheid en de adel hun taken konden uitvoeren.
,De standensamenleving ontstond rond 1000 en bleef tot 1789. Eerst telde grondbezit, later vooral
afkomst: wie je ouders zijn, bepaalt je stand.
Tot de 11e eeuw was Europa vooral een agrarische samenleving. In de tweede helft van de
middeleeuwen groeiden handel en steden.
Zo ontstond een agrarisch-stedelijke samenleving en werd een kleine groep burgers rijker en meer
geschoold.
De adel voelde zich bedreigd en benadrukte het standsverschil nog sterker.
Binnen de derde stand waren ook geletterden en ambtsadel (personen met overheidsfuncties).
Kooplieden hadden geld, maar weinig aanzien omdat handel als minderwaardig werd gezien.
Einde van de standensamenleving
In de 18e eeuw kwam er steeds meer kritiek, onder andere door ideeën van John Locke, die zei dat alle
mensen van nature gelijk zijn.
In 1789 brak de Franse Revolutie uit en werd de standensamenleving afgeschaft.
Vandaag: gelijke rechten voor iedereen
Vroeger: verschillende rechten, afkomst bepaalde je plaats in de samenleving
Les D – Wereldgodsdiensten en diversiteit
Er bestaan vijf wereldgodsdiensten:
islam, christendom, hindoeïsme, boeddhisme en jodendom.
De islam is de tweede grootste godsdienst in België.
In 1970 was ongeveer 1% van de bevolking moslim, in 2018 is dat gestegen tot 8%.
Contacten tussen mensen met een verschillende achtergrond kunnen zorgen voor interessante
uitwisselingen en meer begrip.
Godsdienstvrijheid is het recht om je eigen geloof te kiezen en te beleven. Dit recht wordt beschermd
door:
de Belgische grondwet
het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens
het Kinderrechtenverdrag
Gastarbeiders zijn mensen die tijdelijk naar een ander land trekken om te werken.
, Les D1 – De islam
1. Ontstaan van de islam
De islam ontstaat in het begin van de 7e eeuw op het Arabische schiereiland.
Mohammed (570–632) verkondigt het geloof in één God (Allah) en leert hoe mensen een goed leven
moeten leiden. Hij neemt elementen over uit het jodendom, christendom en het Arabische polytheïsme.
In 622 vlucht Mohammed van Mekka naar Medina. Deze gebeurtenis heet de hidjra en is het begin van
de islamitische jaartelling. In Medina krijgt hij veel volgelingen. In 630 verovert hij Mekka, dat het
religieuze centrum van de islam wordt.
Na zijn dood in 632 ontstaat er een conflict over zijn opvolging. Zo ontstaan twee stromingen:
Soennieten (meerderheid)
Sjiieten (minderheid)
Bij de soennieten is de opvolger zowel religieus als politiek leider.
2. Geloof en praktijk
Het heilige boek van de islam is de Koran, die volgens het geloof aan Mohammed werd ingegeven door
de engel Gabriël.
Daarnaast is er de Hadith, een verzameling uitspraken en verhalen over Mohammed.
Islam betekent overgave aan God.
Een moslim is iemand die zich overgeeft aan God.
De islam kent vijf verplichtingen (vijf zuilen):
1. Geloofsbelijdenis (sjahada)
2. Gebed (salat)
3. Aalmoezen geven aan armen (zakaat)
4. Vasten tijdens de ramadan (saum)
5. Bedevaart naar Mekka (hadj)
Moslims bidden in de moskee, geleid door een imam.
Tijdens de bedevaart dragen pelgrims witte kledij als teken van gelijkheid en lopen ze zeven keer rond de
Kaäba.
3. Het Arabische wereldrijk
De Arabieren bouwen een groot rijk uit:
1e helft 7e eeuw: deel van het Arabische schiereiland
2e helft 7e eeuw: heel Arabisch schiereiland, Noord-Afrika, Midden-Oosten
8e eeuw: Noordwest-Afrika, Iberisch schiereiland, deel van Azië