Verklaringsmoddelen 1: Dimensie
2 – De psychologie
1 Theoretische toelichting
De psychologische factor beïnvloedt sterk hoe je in relaties staat. Je psyché
wordt deels genetisch bepaald en deels gevormd door opvoeding, cultuur en
ervaringen. In deze dimensie zitten je gedachten, gevoelens, overtuigingen,
identiteit, fantasieën en verlangens. Ze bepaalt je doen en wordt beïnvloed
door je omgeving.
Met je psyché geef je feiten betekenis. Die betekenis kan per persoon verschillen
door achtergrond en ervaringen. Dat is niet goed of fout, maar het is belangrijk
om die betekenissen te benoemen en te onderzoeken, zowel bij jezelf als bij
cliënten. Deze dimensie draait dus om hoe iemand informatie uit zijn omgeving
en relaties opneemt en verwerkt.
De tweede dimensie kijkt naar de binnenkant van de cliënt: alles wat zich
innerlijk afspeelt en niet rechtstreeks waarneembaar is (onzichtbaar). Het gaat
om het subjectieve en psychologische deel van iemand. Niet de feiten zelf staan
centraal, maar hoe iemand die feiten ervaart, voelt, interpreteert en betekenis
geeft binnen zijn eigen belevingswereld.
Belangrijke vragen in deze dimensie zijn: hoe heeft iemand feiten beleefd,
wat hebben ze met hem gedaan, en hoe zijn belangrijke gebeurtenissen
verwerkt? Hoe hebben die feiten de psychische ontwikkeling beïnvloed?
Het gaat ook om hoe de cliënt denkt over zichzelf, anderen en de wereld.
Daarnaast horen karakter, persoonlijkheid, verlangens, behoeften/waarden en
overlevingsmechanismen bij deze dimensie.
Om deze dimensie goed te begrijpen, heb je kennis nodig van
psychologische theorieën. Die geven meer inzicht in de persoon en bieden
handvatten om relaties te verklaren. Daarom is basiskennis hiervan
belangrijk voor een POG.
Dit omvat onder andere inzichten uit psychodynamische, humanistische en
cognitieve theorieën. Ook kennis uit de algemene ontwikkelingspsychologie —
zoals die van Piaget, Erikson en Kohlberg — is belangrijk, omdat
ontwikkelingsfasen en -taken invloed hebben op hoe relaties.
Ook psychiatrische diagnostiek en psychopathologie (zoals DSM-5, ICD-10,
IQ- en persoonlijkheidstesten) vallen binnen deze dimensie. Zulke testen
proberen het functioneren van een individu te verklaren door bepaalde
kenmerken op één moment te meten en te vergelijken met het “gemiddelde”.
Diagnoses zijn geen vaste labels en kunnen veranderen. Daarom is het belangrijk
vooral te kijken naar wat een diagnose voor iemand betekent, hoe hij die beleeft
en welke impact dit heeft op zijn relaties.
Bij de analyse van de tweede dimensie moet je echt luisteren naar wat de
cliënt denkt en voelt, in plaats van zelf in te vullen. Reflecteer voortdurend:
wat weet ik zeker, wat veronderstel ik, wat interpreteer ik? En bedenk hoe je
beeld zou veranderen als de cliënt bijvoorbeeld een ander geslacht, diploma
of culturele achtergrond had.
Door op een authentieke manier samen met de cliënt zijn of haar binnenwereld te
verkennen, versterk je de vertrouwensrelatie en kan dit een helend effect
hebben. Je toont dat je moeite doet om de persoon echt te begrijpen, voorbij
gedrag en symptomen.
1
2 – De psychologie
1 Theoretische toelichting
De psychologische factor beïnvloedt sterk hoe je in relaties staat. Je psyché
wordt deels genetisch bepaald en deels gevormd door opvoeding, cultuur en
ervaringen. In deze dimensie zitten je gedachten, gevoelens, overtuigingen,
identiteit, fantasieën en verlangens. Ze bepaalt je doen en wordt beïnvloed
door je omgeving.
Met je psyché geef je feiten betekenis. Die betekenis kan per persoon verschillen
door achtergrond en ervaringen. Dat is niet goed of fout, maar het is belangrijk
om die betekenissen te benoemen en te onderzoeken, zowel bij jezelf als bij
cliënten. Deze dimensie draait dus om hoe iemand informatie uit zijn omgeving
en relaties opneemt en verwerkt.
De tweede dimensie kijkt naar de binnenkant van de cliënt: alles wat zich
innerlijk afspeelt en niet rechtstreeks waarneembaar is (onzichtbaar). Het gaat
om het subjectieve en psychologische deel van iemand. Niet de feiten zelf staan
centraal, maar hoe iemand die feiten ervaart, voelt, interpreteert en betekenis
geeft binnen zijn eigen belevingswereld.
Belangrijke vragen in deze dimensie zijn: hoe heeft iemand feiten beleefd,
wat hebben ze met hem gedaan, en hoe zijn belangrijke gebeurtenissen
verwerkt? Hoe hebben die feiten de psychische ontwikkeling beïnvloed?
Het gaat ook om hoe de cliënt denkt over zichzelf, anderen en de wereld.
Daarnaast horen karakter, persoonlijkheid, verlangens, behoeften/waarden en
overlevingsmechanismen bij deze dimensie.
Om deze dimensie goed te begrijpen, heb je kennis nodig van
psychologische theorieën. Die geven meer inzicht in de persoon en bieden
handvatten om relaties te verklaren. Daarom is basiskennis hiervan
belangrijk voor een POG.
Dit omvat onder andere inzichten uit psychodynamische, humanistische en
cognitieve theorieën. Ook kennis uit de algemene ontwikkelingspsychologie —
zoals die van Piaget, Erikson en Kohlberg — is belangrijk, omdat
ontwikkelingsfasen en -taken invloed hebben op hoe relaties.
Ook psychiatrische diagnostiek en psychopathologie (zoals DSM-5, ICD-10,
IQ- en persoonlijkheidstesten) vallen binnen deze dimensie. Zulke testen
proberen het functioneren van een individu te verklaren door bepaalde
kenmerken op één moment te meten en te vergelijken met het “gemiddelde”.
Diagnoses zijn geen vaste labels en kunnen veranderen. Daarom is het belangrijk
vooral te kijken naar wat een diagnose voor iemand betekent, hoe hij die beleeft
en welke impact dit heeft op zijn relaties.
Bij de analyse van de tweede dimensie moet je echt luisteren naar wat de
cliënt denkt en voelt, in plaats van zelf in te vullen. Reflecteer voortdurend:
wat weet ik zeker, wat veronderstel ik, wat interpreteer ik? En bedenk hoe je
beeld zou veranderen als de cliënt bijvoorbeeld een ander geslacht, diploma
of culturele achtergrond had.
Door op een authentieke manier samen met de cliënt zijn of haar binnenwereld te
verkennen, versterk je de vertrouwensrelatie en kan dit een helend effect
hebben. Je toont dat je moeite doet om de persoon echt te begrijpen, voorbij
gedrag en symptomen.
1