Verklaringsmoddelen 1: Dimensie
3 – De interactie
1 Theoretische toelichting
Bij gezins- of relatieproblemen kijken we als OPG ook naar de onderlinge
interacties (tussen de ene de andere). In de 3de dimensie onderzoeken we
hoe gezinsleden nu met elkaar omgaan, communiceren en verbinding
maken. Het gaat om de wisselwerking tussen mensen – wat ze wel of niet
delen – en die noemen we ‘de relatie’.
In een systeemgerichte aanpak zoeken we GEEN OORZAKEN, maar bekijken we
de interacties die gedrag begrijpelijk maken. De 3de dimensie focust op hoe
mensen elkaar beïnvloeden en welke gedragspatronen daarbij zichtbaar worden. In
dat gedrag kunnen uitingen zitten van verbondenheid, respect, maar ook van
macht, uitsluiting of hiërarchie. Zo zien we hoe mensen met elkaar omgaan, in
gezinnen, groepen of organisaties. We bekijken wat dit gedrag betekent, omdat
iedereen het anders beleeft en anders beïnvloedt
Belangrijke vragen zijn hoe een gezin met gebeurtenissen omgaat, hoe er
gecommuniceerd wordt en of emoties bespreekbaar zijn. Door deze patronen
zichtbaar te maken, vooral wanneer het moeilijk gaat, zie je dat klachten van één
persoon meestal samenhangen met het hele systeem. Zo blijken klachten van
kinderen vaak verbonden met die van ouders. Daarom helpt het om mensen
samen met hun gezin te ontmoeten.
Voorbeeldje: De school meldt dat Lukas (15) opnieuw uit de klas is gestuurd. Zijn
vader reageert boos, zijn moeder probeert te sussen. Ze kunnen niet samen over
het de situatie praten, waardoor er het hele weekend een gespannen sfeer hangt.
De kinderen weten niet wat er speelt.
De derde dimensie is ontwikkeld door belangrijke systeemdenkers. Omdat
dit vak erop gericht is, bekijken we deze dimensie uitgebreider. We
bespreken de algemene uitgangspunten van de systeemtheorie en focussen
daarna op relevante perspectieven die binnen het orthopedagogische
werkveld in Westerse landen worden gebruikt.`
1.1 Basisuitgangspunt: van lr. oorzaak-gevolg denken naar
een circulaire kijk
De systeemtheoretische benadering ontstond in de jaren 50’s - 60’s in
Amerika. Daarvoor werkte de klassieke psychologie vooral met lineair
denken (gekenmerkt door het oorzaak-gevolg denken): A veroorzaakt iets bij
B (oorzaak), en B verandert daardoor (gevolg). Dit wordt ook wel lineaire
causaliteit genoemd.
In een lineair verklaringsmodel kijkt men vooral naar het individu en naar de
oorspronkelijke oorzaak van het probleem. Men zoekt uit waarom iets gebeurt en
waarom iemand zich zo gedraagt, om zo gebeurtenissen te voorspellen en
controle te krijgen. Toch kunnen problemen ook ontstaan door wederzijdse
beïnvloeding, niet alleen door één oorzaak.
Voorbeeldje: Selma’s ouders letten strenger op haar uit angst dat ze dingen
achter hun rug doet. Selma doet juist meer stiekem om niet gecontroleerd te
worden. OF Jij hebt niet hard je best gedaan om bij elkaar te blijven. Het is je
eigen schuld dat nu je kinderen lastig doen.
Bij circulaire causaliteit reageert A op B, B reageert op A, en zo verder in een
cirkel (oorzaak = gevolg = oorzaak = gevolg = enz. ). Als POG bekijken we
1
,naar het geheel van interacties en communicatie tussen mensen en hun
omgeving, niet alleen het begin/einde van een gebeurtenis.
In sociale situaties trekken mensen vaak snel oorzakelijke conclusies, zoals: “Het
komt door X”, “Omdat hij geadopteerd is” of “Omdat zijn ouders vroeg gescheiden
zijn”.
In hulpverlening draait het niet om wie begonnen is of schuld heeft. We kijken naar
het geheel van interacties en ieders aandeel in de situatie. Belangrijk is te
onderzoeken hoe mensen elkaar beïnvloeden en wat ieder kan doen om de situatie
te veranderen, in plaats van gebeurtenissen enkel oorzakelijk te verklaren.
Voorbeeldje: Hailey’s moeder is overbeschermend en haar vader stelt geen
grenzen. De buurvrouw merkt het, maar durft de ouders hier niet op aan te
spreken. Ze heeft geleerd dat ze zeich niet mag bemoeien met een ander zijn
opvoeding. OF Oekraïners zijn niet de oorzaak van de onveiligheid. Iedereen kan
meewerken om de buurt veiliger te maken.
Veranderingen in het gedrag van mensen binnen een systeem beïnvloeden hun
omgeving, en andersom beïnvloeden veranderingen in de omgeving het systeem.
Pedagogen zoals Bronfenbrenner, Rink, enzovoort denken hier op dezelfde manier
over.
Kritische bedenking: Onze samenleving zit niet altijd zo in elkaar. Bijvoorbeeld
het rechtsysteem, onze opvoeding, enzovoort.
1.2 Basisbegrippen in het systeemdenken
1.2.1 Een systeem
We leggen dit begrip uit op microniveau, al bestaan er ook systemen op
meso- en macroniveau. Mensen maken deel uit van verschillende netwerken
– gezin, familie, school, team, organisatie – die hen beïnvloeden. We zijn
verbonden door onzichtbare draden die ons handelen mee bepalen.
Het gedrag van X staat dus nooit op zichzelf, maar hangt samen met de interacties
met anderen in het systeem (bv. A, B, C, enzo.) Via onderstaande definities
verkennen we het begrip ‘systeem’.
Het begrip systeem verwijst naar een geheel dat bestaat uit delen en de relaties
daartussen. Het gaat dus niet alleen om de onderdelen of het geheel, maar over
hoe ze met elkaar verbonden zijn.
Schematisch betekent dit dat het niet draait om de losse delen
of het geheel, maar om de onderlinge relaties en wederzijdse
beïnvloeding. (Zie afbeelding -->)
Watzlawick 2001 zegt het volgende: “Een systeem is een
samenspel van individuen, met ieder zijn eigen
gedragskenmerken, die in een bepaalde samenhangende relatie
tot elkaar staan en georganiseerd zijn voor een duurzame
periode met gemeenschappelijke doelstellingen.”
De focus ligt op de onderlinge relaties dan op de individuele
eigenschappen van een persoon. Verandert één onderdeel van
het systeem, dan beïnvloedt dat meteen de andere elementen
en het geheel.
Invloeden van buitenaf zetten het systeem in beweging, en
tegelijk beïnvloedt het systeem ook zijn ruimere context. In de
fysica spreekt men van open, gesloten en geïsoleerde
systemen; die termen gebruiken we ook om menselijke
systemen te beschrijven.
v Een geïsoleerd systeem: staat volledig los van zijn
omgeving. Er is geen invloed van buiten naar binnen of
andersom. Maar bij mensen kan dat nooit volledig: er is
altijd wederzijdse invloed, ook tussen hen. Sommige
2
, groepen proberen zich wel sterk af te sluiten, zoals de Amisch of regimes die
hun bevolking controleren en informatie controleren, maar echt menselijk
isolement bestaat niet.
v Een gesloten systeem: is al net wat opener, maar ze staan nog steeds vrij
afgeschermd van hun omgeving: er is weinig uitwisseling, wel is er warmte
met zijn omgeving. Bij mensen zie je dat sommige culturen, gezinnen of
groepen weinig informatie delen en buitenstaanders op afstand houden
meestal uit vrees hun eigenheid te verliezen. Denk aan een joods-orthodoxe
gemeenschap, een gezin dat niemand thuis laat langskomen of een gesloten
Facebookgroep.
v Een open systeem: wisselt voortdurend informatie en energie uit met zijn
omgeving en past zich eraan aan (input en output). Menselijke systemen zijn
eigenlijk altijd open, al is de ene groep opener dan de andere. Bijvoorbeeld
jongeren die nieuwe ideeën doorgeven, families die anderen hartelijk
ontvangen of bedrijven die zich vlot aanpassen aan de tijd.
Willemse zegt dat het concept: “Het tegenovergestelde van een systeem is een
‘hoop’, zoals je spreekt van een hoop knikkers: een losse verzameling elementen
zonder enige samenhang”
1.2.2 Kenmerken van het systeem
Een systeem is een samenhangend geheel van elementen die alleen als totaal
functioneren. Om van een losse groep echt een systeem te maken, zijn 6
kenmerken nodig.
1. Tijd: Tijd is nodig om van een groep een systeem te maken. Hoe
langer mensen samen zijn, hoe meer hun gedrag op elkaar gaat
reageren, wat het functioneren van het systeem beïnvloedt. Dus
tijd is een noodzakelijk kenmerk om tot een systeem te komen/
bepaalt de functionaliteit hiervan.
Voorbeeldje: Als dezelfde groep mensen voor enkele uren vast
komt te zitten in de lift (tijd) worden zij in hun gedrag van elkaar
afhankelijk (bv. rustig blijven versus hysterie)
2. Structuur: In die tijd ontstaan spontaan rollen (wie leidt, volgt, tegenwerkt,
enzovoort), waardoor het systeem structuur krijgt en een
logisch geheel vormt.
3. Wederkerige Binnen een systeem is er wederzijdse afhankelijkheid: iedereen
afhankelijkh heeft elkaar nodig om goed te functioneren, wat de
eid: verbondenheid versterkt.
4. Gezamenlijk Volgens Mertens (1991) is een groep een systeem als ze een
doel: gezamenlijk doel nastreven en emotioneel betrokken zijn. Het
systeem organiseert zich vaak onbewust om dat doel te
bereiken.
5. Georganisee Door interactie en betrokkenheid ontstaat een taakverdeling,
rd: afspraken en regels, waardoor het systeem georganiseerd is.
Elk lid heeft specifieke functies en verantwoordelijkheden.
6. Emotionele De sterke emotionele band maakt dat leden het systeem niet
band: zomaar kunnen verlaten.
1.2.3 Context van het systeem
Voor een systeemdenker is de omgeving belangerijk. Ze beïnvloedt het
systeem en geeft betekenis aan het verhaal van de cliënt. Volgens Geertsen
(1988) is ‘context’ een verzamelbegrip dat hij verder opsplitst. In dimensie 4
lees je dat Nagy de definitie van ‘context’ verder uitbreidt.
1. De situationele context: verwijst naar de plaats en de letterlijke situatie waarin
de communicatie gebeurt. Ook de hulpvraag van de cliënt hoort hierbij. Gebeurt
3
3 – De interactie
1 Theoretische toelichting
Bij gezins- of relatieproblemen kijken we als OPG ook naar de onderlinge
interacties (tussen de ene de andere). In de 3de dimensie onderzoeken we
hoe gezinsleden nu met elkaar omgaan, communiceren en verbinding
maken. Het gaat om de wisselwerking tussen mensen – wat ze wel of niet
delen – en die noemen we ‘de relatie’.
In een systeemgerichte aanpak zoeken we GEEN OORZAKEN, maar bekijken we
de interacties die gedrag begrijpelijk maken. De 3de dimensie focust op hoe
mensen elkaar beïnvloeden en welke gedragspatronen daarbij zichtbaar worden. In
dat gedrag kunnen uitingen zitten van verbondenheid, respect, maar ook van
macht, uitsluiting of hiërarchie. Zo zien we hoe mensen met elkaar omgaan, in
gezinnen, groepen of organisaties. We bekijken wat dit gedrag betekent, omdat
iedereen het anders beleeft en anders beïnvloedt
Belangrijke vragen zijn hoe een gezin met gebeurtenissen omgaat, hoe er
gecommuniceerd wordt en of emoties bespreekbaar zijn. Door deze patronen
zichtbaar te maken, vooral wanneer het moeilijk gaat, zie je dat klachten van één
persoon meestal samenhangen met het hele systeem. Zo blijken klachten van
kinderen vaak verbonden met die van ouders. Daarom helpt het om mensen
samen met hun gezin te ontmoeten.
Voorbeeldje: De school meldt dat Lukas (15) opnieuw uit de klas is gestuurd. Zijn
vader reageert boos, zijn moeder probeert te sussen. Ze kunnen niet samen over
het de situatie praten, waardoor er het hele weekend een gespannen sfeer hangt.
De kinderen weten niet wat er speelt.
De derde dimensie is ontwikkeld door belangrijke systeemdenkers. Omdat
dit vak erop gericht is, bekijken we deze dimensie uitgebreider. We
bespreken de algemene uitgangspunten van de systeemtheorie en focussen
daarna op relevante perspectieven die binnen het orthopedagogische
werkveld in Westerse landen worden gebruikt.`
1.1 Basisuitgangspunt: van lr. oorzaak-gevolg denken naar
een circulaire kijk
De systeemtheoretische benadering ontstond in de jaren 50’s - 60’s in
Amerika. Daarvoor werkte de klassieke psychologie vooral met lineair
denken (gekenmerkt door het oorzaak-gevolg denken): A veroorzaakt iets bij
B (oorzaak), en B verandert daardoor (gevolg). Dit wordt ook wel lineaire
causaliteit genoemd.
In een lineair verklaringsmodel kijkt men vooral naar het individu en naar de
oorspronkelijke oorzaak van het probleem. Men zoekt uit waarom iets gebeurt en
waarom iemand zich zo gedraagt, om zo gebeurtenissen te voorspellen en
controle te krijgen. Toch kunnen problemen ook ontstaan door wederzijdse
beïnvloeding, niet alleen door één oorzaak.
Voorbeeldje: Selma’s ouders letten strenger op haar uit angst dat ze dingen
achter hun rug doet. Selma doet juist meer stiekem om niet gecontroleerd te
worden. OF Jij hebt niet hard je best gedaan om bij elkaar te blijven. Het is je
eigen schuld dat nu je kinderen lastig doen.
Bij circulaire causaliteit reageert A op B, B reageert op A, en zo verder in een
cirkel (oorzaak = gevolg = oorzaak = gevolg = enz. ). Als POG bekijken we
1
,naar het geheel van interacties en communicatie tussen mensen en hun
omgeving, niet alleen het begin/einde van een gebeurtenis.
In sociale situaties trekken mensen vaak snel oorzakelijke conclusies, zoals: “Het
komt door X”, “Omdat hij geadopteerd is” of “Omdat zijn ouders vroeg gescheiden
zijn”.
In hulpverlening draait het niet om wie begonnen is of schuld heeft. We kijken naar
het geheel van interacties en ieders aandeel in de situatie. Belangrijk is te
onderzoeken hoe mensen elkaar beïnvloeden en wat ieder kan doen om de situatie
te veranderen, in plaats van gebeurtenissen enkel oorzakelijk te verklaren.
Voorbeeldje: Hailey’s moeder is overbeschermend en haar vader stelt geen
grenzen. De buurvrouw merkt het, maar durft de ouders hier niet op aan te
spreken. Ze heeft geleerd dat ze zeich niet mag bemoeien met een ander zijn
opvoeding. OF Oekraïners zijn niet de oorzaak van de onveiligheid. Iedereen kan
meewerken om de buurt veiliger te maken.
Veranderingen in het gedrag van mensen binnen een systeem beïnvloeden hun
omgeving, en andersom beïnvloeden veranderingen in de omgeving het systeem.
Pedagogen zoals Bronfenbrenner, Rink, enzovoort denken hier op dezelfde manier
over.
Kritische bedenking: Onze samenleving zit niet altijd zo in elkaar. Bijvoorbeeld
het rechtsysteem, onze opvoeding, enzovoort.
1.2 Basisbegrippen in het systeemdenken
1.2.1 Een systeem
We leggen dit begrip uit op microniveau, al bestaan er ook systemen op
meso- en macroniveau. Mensen maken deel uit van verschillende netwerken
– gezin, familie, school, team, organisatie – die hen beïnvloeden. We zijn
verbonden door onzichtbare draden die ons handelen mee bepalen.
Het gedrag van X staat dus nooit op zichzelf, maar hangt samen met de interacties
met anderen in het systeem (bv. A, B, C, enzo.) Via onderstaande definities
verkennen we het begrip ‘systeem’.
Het begrip systeem verwijst naar een geheel dat bestaat uit delen en de relaties
daartussen. Het gaat dus niet alleen om de onderdelen of het geheel, maar over
hoe ze met elkaar verbonden zijn.
Schematisch betekent dit dat het niet draait om de losse delen
of het geheel, maar om de onderlinge relaties en wederzijdse
beïnvloeding. (Zie afbeelding -->)
Watzlawick 2001 zegt het volgende: “Een systeem is een
samenspel van individuen, met ieder zijn eigen
gedragskenmerken, die in een bepaalde samenhangende relatie
tot elkaar staan en georganiseerd zijn voor een duurzame
periode met gemeenschappelijke doelstellingen.”
De focus ligt op de onderlinge relaties dan op de individuele
eigenschappen van een persoon. Verandert één onderdeel van
het systeem, dan beïnvloedt dat meteen de andere elementen
en het geheel.
Invloeden van buitenaf zetten het systeem in beweging, en
tegelijk beïnvloedt het systeem ook zijn ruimere context. In de
fysica spreekt men van open, gesloten en geïsoleerde
systemen; die termen gebruiken we ook om menselijke
systemen te beschrijven.
v Een geïsoleerd systeem: staat volledig los van zijn
omgeving. Er is geen invloed van buiten naar binnen of
andersom. Maar bij mensen kan dat nooit volledig: er is
altijd wederzijdse invloed, ook tussen hen. Sommige
2
, groepen proberen zich wel sterk af te sluiten, zoals de Amisch of regimes die
hun bevolking controleren en informatie controleren, maar echt menselijk
isolement bestaat niet.
v Een gesloten systeem: is al net wat opener, maar ze staan nog steeds vrij
afgeschermd van hun omgeving: er is weinig uitwisseling, wel is er warmte
met zijn omgeving. Bij mensen zie je dat sommige culturen, gezinnen of
groepen weinig informatie delen en buitenstaanders op afstand houden
meestal uit vrees hun eigenheid te verliezen. Denk aan een joods-orthodoxe
gemeenschap, een gezin dat niemand thuis laat langskomen of een gesloten
Facebookgroep.
v Een open systeem: wisselt voortdurend informatie en energie uit met zijn
omgeving en past zich eraan aan (input en output). Menselijke systemen zijn
eigenlijk altijd open, al is de ene groep opener dan de andere. Bijvoorbeeld
jongeren die nieuwe ideeën doorgeven, families die anderen hartelijk
ontvangen of bedrijven die zich vlot aanpassen aan de tijd.
Willemse zegt dat het concept: “Het tegenovergestelde van een systeem is een
‘hoop’, zoals je spreekt van een hoop knikkers: een losse verzameling elementen
zonder enige samenhang”
1.2.2 Kenmerken van het systeem
Een systeem is een samenhangend geheel van elementen die alleen als totaal
functioneren. Om van een losse groep echt een systeem te maken, zijn 6
kenmerken nodig.
1. Tijd: Tijd is nodig om van een groep een systeem te maken. Hoe
langer mensen samen zijn, hoe meer hun gedrag op elkaar gaat
reageren, wat het functioneren van het systeem beïnvloedt. Dus
tijd is een noodzakelijk kenmerk om tot een systeem te komen/
bepaalt de functionaliteit hiervan.
Voorbeeldje: Als dezelfde groep mensen voor enkele uren vast
komt te zitten in de lift (tijd) worden zij in hun gedrag van elkaar
afhankelijk (bv. rustig blijven versus hysterie)
2. Structuur: In die tijd ontstaan spontaan rollen (wie leidt, volgt, tegenwerkt,
enzovoort), waardoor het systeem structuur krijgt en een
logisch geheel vormt.
3. Wederkerige Binnen een systeem is er wederzijdse afhankelijkheid: iedereen
afhankelijkh heeft elkaar nodig om goed te functioneren, wat de
eid: verbondenheid versterkt.
4. Gezamenlijk Volgens Mertens (1991) is een groep een systeem als ze een
doel: gezamenlijk doel nastreven en emotioneel betrokken zijn. Het
systeem organiseert zich vaak onbewust om dat doel te
bereiken.
5. Georganisee Door interactie en betrokkenheid ontstaat een taakverdeling,
rd: afspraken en regels, waardoor het systeem georganiseerd is.
Elk lid heeft specifieke functies en verantwoordelijkheden.
6. Emotionele De sterke emotionele band maakt dat leden het systeem niet
band: zomaar kunnen verlaten.
1.2.3 Context van het systeem
Voor een systeemdenker is de omgeving belangerijk. Ze beïnvloedt het
systeem en geeft betekenis aan het verhaal van de cliënt. Volgens Geertsen
(1988) is ‘context’ een verzamelbegrip dat hij verder opsplitst. In dimensie 4
lees je dat Nagy de definitie van ‘context’ verder uitbreidt.
1. De situationele context: verwijst naar de plaats en de letterlijke situatie waarin
de communicatie gebeurt. Ook de hulpvraag van de cliënt hoort hierbij. Gebeurt
3