H1
Sociologie = samenlevingskunde
Metafoor in het spel
Samenleving
Hoe mensen handelen
Regels -> sancties en beloningen
Verwachtingen
Interacties
Posities, rollen en status
Anticiperen op elkaar
We zitten in meerdere rollen => rolconflicten
Sociologische verbeelding
Vermogen om afstand te nemen van de actuele toestand en een alternatief
standpunt in te nemen
= alles in haar sociale context plaatsen
Geldt voor alles in het dagelijkse leven -> nooit 100% een individuele keuze,
altijd posities en verwachtingen
C. Wright Mills
Persoonlijk en maatschappelijk interageren
Geschiedenis: ontstaan & verandering van de samenleving
Biografie: levensloop van mensen als leden van samenlevingsverbanden
Sociale structuren: instituties, processen en mechanismen die zorgen voor
maatschappelijke orde
Alles is cntingent, maar niet arbitrair
o = alles in de samenleving is sociaal geconstrueerd (het had anders
kunnen zijn), maar niet zomaar willekeurig (er zijn sociale redenen
voor)
Samenleving is een combinatie van
1. Objectieve werkelijkheid
2. Menselijk product
3. Mens is een sociaal product
Vaststellen van verbanden en deze begrijpen in termen van verwachten = het
verklaren van sociologie (individuen bestuderen in hun sociale context)
H2
Nature <-> Nurture
1. Individu <-> samenleving
a. Actor-factor-dilemma = we maken de samenleving mogelijk door onze
interacties, maar de samenleving maakt ons tegelijk ook
b. Iedereen neemt deel aan de samenleving, ook al wil je dat niet. Je kan
uit de samenleving stappen, maar enkel overleven met skill die je hebt
geleerd in de samenleving -> altijd een zekere samenhang
c. Actor-perspectief: samenleving=∑ individuen
d. Top down: hoe de samenleving het individu beïnvloedt
e. + wisselwerking tussen beidn
,2. Samenleving vol met mogelijkheden en beperkingen
a. Mogelijkheden: zorg, onderwijs, veiligheid
i. Gedemocratiseerd, maar nog steeds geen gelijke kansen
ii. Matheuseffect: “Wie heeft zal meer krijgen (in overvloed) en wie
niets heeft zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen”
1. Subsidies komen bijvoorbeeld disproportioneel toe aan
mensen die ze minder nodig hebben
b. Beperkingen
i. Expliciet: wetten en regels
ii. Impliciet: drempels door sociale krachten
3. Solidariteit <-> strijd
a. Centripetale, aantrekkende, samenhoudende kracht
b. Koude solidariteit: opgelegd door instituties
c. Warme solidariteit: met uw naasten
d. Structurele sociale cohesie (OPM voor uitsluiting)
e. Durkheim: samenleven is een bovenindidivu verband (collectief
bewustzijn) met impliciete en expliciete verwachtingen
f. Mechanisch
i. Kleine en traditionele samenleving
ii. Sterk collectief bewustzijn
iii. Sterke handhaving
iv. Weinig diversiteit
v. Minder vrijheid
g. Organisch
i. Moderne, grote, complexe samenelving
ii. Toenemende onderlinge afhankelijkheid
iii. Zwak collectief bewustzijn
iv. Minder dwang, meer vrijheid
h. Tegenwoordig ‘shoppinggedrag’ -> kiezen waar je wil bijhoren
4. Strijd & conflict
a. Onvermijdelijk omdat iedereen verschilt
b. Strijden over de schaarse sociale goederen
c. Conflictparadox: conflicten zijn soms nodig (functionele) omdat ze
verandering brengen
d. Waardeconflict: men wil onze waarde opleggen
e. Belangenconflict: over geld, macht, ..
f. Manifest conflict: zichtbaar, duidelijk
g. Latent conflict: verborgen, onuitgesproken
5. Ongelijkheid <-> gelijkheid
a. Vroeger werd ongelijkheid gebruikt als motor voor economische groei,
te grote delta is nefast
,H3&4
Sociologie als wetenschap van de samenleving
Self-fulfilling prophecy = Pygmalion effect
<-> Self-destroying prophecy
Thomas theroemma: “if people define situations as real, they become real
in their consequences”
Hawthorne-effect: je anders gedragen als je weet dat je wordt geobserveerd
Sociale wetenschapper is de waarnemer en waargenomene -> nooit volledig
afstandelijkheid.
Op zoek naar causale verbanden en patronen
Durkheim
Sociale werkelijkheid > ∑ individuen
Sociale werkelijkheid wordt gevormd door sociale feiten (bv.
Tafelmanieren)
o Bestaan buiten het bewustzijn en toch sturen ze ons handelen
o Extern aan individu
o Veralgemeend (objectief)
o Dwingen
o Voorgegeven
o Ze zijn het DNA van de maatschappij
Wat de sociologie bestudeert via sociale feiten, is wat we in het alledaagse leven als
vanzelfsprekend ervaren.
Sociologie bestudeert mensen binnen samenlevingsverbanden, andere disciplines
zijn complementair
H5
1. Sociaal handelen
, a. Max Weber
i. Samenleven = ontmoeten
ii. Men anticipeert op wat anderen gaan doen
iii. Kijken naar motivaties van anderen
1. Affectief: vanuit emotie en instinct
2. Traditioneel: vanuit diepgewortelde gewoonten
3. Waard rationeel: vanuit de intrinsieke waarde van het
handelen zelf
4. Doel rationeel: gericht op het systematisch
verwezenlijken van weloverwogen doelstellingen
b. Sociologen gebruiken ideaaltypes om naar de werkelijkheid te kijken
i. Abstractie, geen normatieve betekenis
= theoretische constructie waarbij de essentieel geachte
kenmerken van een sociaal verschijnsel op de voorgrond zijn
geschoven om het expliciete beter te typeren
2. Interactie & communicatie
a. Door sociale media vervaging van front en backstage
b. In de coulissen: minder formeel en voorbereiden op de performance
c. Bij online: nog niet echt codes hiervoor ontwikkeld
3. Sociale relaties
a. Een relatie is de kans dat actoren zinvol t.o.v. elkaar zullen handelen
met een zekere voorspelbaarheid en stabiliteit
b. Ontstaat als interactie & communicatie volgens vaste patronen
verlopen
c. ±Autonome entiteiten met eigen structuur, dynamiek die de
maatschappelijke context sturen
i. Altijd een relatie aangaan omwille van positie
ii. Gemeinschaftlich handelen → gemeenschapsgericht
Sociologie = samenlevingskunde
Metafoor in het spel
Samenleving
Hoe mensen handelen
Regels -> sancties en beloningen
Verwachtingen
Interacties
Posities, rollen en status
Anticiperen op elkaar
We zitten in meerdere rollen => rolconflicten
Sociologische verbeelding
Vermogen om afstand te nemen van de actuele toestand en een alternatief
standpunt in te nemen
= alles in haar sociale context plaatsen
Geldt voor alles in het dagelijkse leven -> nooit 100% een individuele keuze,
altijd posities en verwachtingen
C. Wright Mills
Persoonlijk en maatschappelijk interageren
Geschiedenis: ontstaan & verandering van de samenleving
Biografie: levensloop van mensen als leden van samenlevingsverbanden
Sociale structuren: instituties, processen en mechanismen die zorgen voor
maatschappelijke orde
Alles is cntingent, maar niet arbitrair
o = alles in de samenleving is sociaal geconstrueerd (het had anders
kunnen zijn), maar niet zomaar willekeurig (er zijn sociale redenen
voor)
Samenleving is een combinatie van
1. Objectieve werkelijkheid
2. Menselijk product
3. Mens is een sociaal product
Vaststellen van verbanden en deze begrijpen in termen van verwachten = het
verklaren van sociologie (individuen bestuderen in hun sociale context)
H2
Nature <-> Nurture
1. Individu <-> samenleving
a. Actor-factor-dilemma = we maken de samenleving mogelijk door onze
interacties, maar de samenleving maakt ons tegelijk ook
b. Iedereen neemt deel aan de samenleving, ook al wil je dat niet. Je kan
uit de samenleving stappen, maar enkel overleven met skill die je hebt
geleerd in de samenleving -> altijd een zekere samenhang
c. Actor-perspectief: samenleving=∑ individuen
d. Top down: hoe de samenleving het individu beïnvloedt
e. + wisselwerking tussen beidn
,2. Samenleving vol met mogelijkheden en beperkingen
a. Mogelijkheden: zorg, onderwijs, veiligheid
i. Gedemocratiseerd, maar nog steeds geen gelijke kansen
ii. Matheuseffect: “Wie heeft zal meer krijgen (in overvloed) en wie
niets heeft zal zelfs wat hij heeft worden ontnomen”
1. Subsidies komen bijvoorbeeld disproportioneel toe aan
mensen die ze minder nodig hebben
b. Beperkingen
i. Expliciet: wetten en regels
ii. Impliciet: drempels door sociale krachten
3. Solidariteit <-> strijd
a. Centripetale, aantrekkende, samenhoudende kracht
b. Koude solidariteit: opgelegd door instituties
c. Warme solidariteit: met uw naasten
d. Structurele sociale cohesie (OPM voor uitsluiting)
e. Durkheim: samenleven is een bovenindidivu verband (collectief
bewustzijn) met impliciete en expliciete verwachtingen
f. Mechanisch
i. Kleine en traditionele samenleving
ii. Sterk collectief bewustzijn
iii. Sterke handhaving
iv. Weinig diversiteit
v. Minder vrijheid
g. Organisch
i. Moderne, grote, complexe samenelving
ii. Toenemende onderlinge afhankelijkheid
iii. Zwak collectief bewustzijn
iv. Minder dwang, meer vrijheid
h. Tegenwoordig ‘shoppinggedrag’ -> kiezen waar je wil bijhoren
4. Strijd & conflict
a. Onvermijdelijk omdat iedereen verschilt
b. Strijden over de schaarse sociale goederen
c. Conflictparadox: conflicten zijn soms nodig (functionele) omdat ze
verandering brengen
d. Waardeconflict: men wil onze waarde opleggen
e. Belangenconflict: over geld, macht, ..
f. Manifest conflict: zichtbaar, duidelijk
g. Latent conflict: verborgen, onuitgesproken
5. Ongelijkheid <-> gelijkheid
a. Vroeger werd ongelijkheid gebruikt als motor voor economische groei,
te grote delta is nefast
,H3&4
Sociologie als wetenschap van de samenleving
Self-fulfilling prophecy = Pygmalion effect
<-> Self-destroying prophecy
Thomas theroemma: “if people define situations as real, they become real
in their consequences”
Hawthorne-effect: je anders gedragen als je weet dat je wordt geobserveerd
Sociale wetenschapper is de waarnemer en waargenomene -> nooit volledig
afstandelijkheid.
Op zoek naar causale verbanden en patronen
Durkheim
Sociale werkelijkheid > ∑ individuen
Sociale werkelijkheid wordt gevormd door sociale feiten (bv.
Tafelmanieren)
o Bestaan buiten het bewustzijn en toch sturen ze ons handelen
o Extern aan individu
o Veralgemeend (objectief)
o Dwingen
o Voorgegeven
o Ze zijn het DNA van de maatschappij
Wat de sociologie bestudeert via sociale feiten, is wat we in het alledaagse leven als
vanzelfsprekend ervaren.
Sociologie bestudeert mensen binnen samenlevingsverbanden, andere disciplines
zijn complementair
H5
1. Sociaal handelen
, a. Max Weber
i. Samenleven = ontmoeten
ii. Men anticipeert op wat anderen gaan doen
iii. Kijken naar motivaties van anderen
1. Affectief: vanuit emotie en instinct
2. Traditioneel: vanuit diepgewortelde gewoonten
3. Waard rationeel: vanuit de intrinsieke waarde van het
handelen zelf
4. Doel rationeel: gericht op het systematisch
verwezenlijken van weloverwogen doelstellingen
b. Sociologen gebruiken ideaaltypes om naar de werkelijkheid te kijken
i. Abstractie, geen normatieve betekenis
= theoretische constructie waarbij de essentieel geachte
kenmerken van een sociaal verschijnsel op de voorgrond zijn
geschoven om het expliciete beter te typeren
2. Interactie & communicatie
a. Door sociale media vervaging van front en backstage
b. In de coulissen: minder formeel en voorbereiden op de performance
c. Bij online: nog niet echt codes hiervoor ontwikkeld
3. Sociale relaties
a. Een relatie is de kans dat actoren zinvol t.o.v. elkaar zullen handelen
met een zekere voorspelbaarheid en stabiliteit
b. Ontstaat als interactie & communicatie volgens vaste patronen
verlopen
c. ±Autonome entiteiten met eigen structuur, dynamiek die de
maatschappelijke context sturen
i. Altijd een relatie aangaan omwille van positie
ii. Gemeinschaftlich handelen → gemeenschapsgericht