,Hoorcollege 1: introductie
Theory I: Perspectives on History
De Russische Revolutie als toegangspoort tot historische perspectieven
Het eerste college Theory I: Perspectives on History introduceert een centrale vraag binnen de
geschiedwetenschap: wat is geschiedenis, en hoe kunnen we het verleden bestuderen? Om
deze vraag concreet te maken, staat één historische gebeurtenis centraal: de Russische
Revolutie van 1917, inmiddels meer dan een eeuw geleden. Deze revolutie fungeert als een
casus om te laten zien hoe verschillende theoretische perspectieven tot uiteenlopende
interpretaties van hetzelfde verleden leiden.
Een belangrijk uitgangspunt is dat geschiedenis vaak wordt gepresenteerd alsof zij neutraal,
objectief en zonder bias kan worden verteld. Films, foto’s en andere visuele bronnen wekken
soms de indruk dat zij simpelweg “historische feiten” tonen. Tegelijkertijd wordt benadrukt
dat er geen eenduidige waarheid bestaat: wat wij als geschiedenis beschouwen, hangt af van
perspectief, methode en interpretatie. Juist daarom werken in deze cursus vier docenten met
vier verschillende benaderingen van hetzelfde evenement.
Perspectieven:
1. Het sociaalwetenschappelijke perspectief op geschiedenis
Het eerste inhoudelijke perspectief is dat van de sociale wetenschappen. Vanuit deze
benadering wordt geschiedenis niet primair gezien als het verhaal van individuele leiders of
unieke gebeurtenissen, maar als het resultaat van patronen in menselijk gedrag en sociale
organisatie. Sociale wetenschappers richten zich op groepen, instituties en collectieve
veranderingen, en minder op afzonderlijke personen.
Historici die vanuit dit perspectief werken, lenen concepten zoals klasse, sociale mobiliteit
en ongelijkheid. Ook worden er methoden zoals statistische analyse en modellen van sociaal
gedrag, uit disciplines als sociologie, economie en politicologie gebruikt . Het doel is niet
zozeer het begrijpen van individuele ervaringen, maar het identificeren van systematische
verbanden en causale mechanismen. Objectiviteit krijgt hier een specifieke betekenis: niet
als absolute neutraliteit, maar als intersubjectiviteit. Met dezelfde data en methoden zouden
andere onderzoekers tot vergelijkbare conclusies moeten kunnen komen.
,Daarom is het doel van sociaalwetenschappelijke geschiedschrijving vooral verklaring:
waarom vonden bepaalde gebeurtenissen plaats, en onder welke omstandigheden, in plaats
van alleen hoe zij werden beleefd.
De Russische Revolutie verklaard door sociale wetenschappen
Toegepast op de Russische Revolutie betekent dit dat historici niet in de eerste plaats kijken
naar het charisma of de revolutionaire ijver van figuren als Lenin of Trotski. In plaats daarvan
analyseren zij de materiële en sociale omstandigheden van de bevolking:
inkomens en levensstandaard
ongelijkheid en sociale mobiliteit
voedseltekorten en inflatie
machtsverhoudingen tussen tsaristische autocratie en nieuwe politieke instituties
langetermijnveranderingen zoals industrialisatie en urbanisatie
Vanuit dit perspectief was 1917 geen plotselinge breuk, maar het resultaat van decennia van
oplopende sociale spanningen. Hoewel er in 1917 twee revoluties plaatsvonden, was sociale
onrust al veel langer aanwezig. Sociale wetenschappen bieden hier analytische instrumenten
om zulke lange termijn patronen zichtbaar te maken en vereisen daarbij een
multidisciplinaire aanpak.
Structurele en conjuncturele factoren
Een belangrijk analytisch onderscheid is dat tussen structurele en conjuncturele factoren.
- Structureel (Diepgewortelde, langdurige omstandigheden zoals economische
ongelijkheid of politieke systemen die de koers van de geschiedenis bepalen)
waren er diepgewortelde politieke, economische en sociale ongelijkheden. Hoewel de
lijfeigenschap in 1861 werd afgeschaft, bleef land sterk geconcentreerd, wat leidde tot
aanhoudende armoede onder boeren en nauwelijks sociale mobiliteit. De tsaristische
staat en de Orthodoxe Kerk speelden hierin een stabiliserende maar ook
onderdrukkende rol.
- Conjunctureel (Kortetermijnschokken of acute crises zoals een oorlog of
voedseltekort die een bestaand systeem uit balans brengen) kwamen daar
kortetermijnschokken bij, zoals snelle industrialisatie met slechte
, arbeidsomstandigheden, de Eerste Wereldoorlog met lage moraal en verslechterende
infrastructuur, en terugkerende voedseltekorten. Grote revoluties ontstaan volgens dit
model wanneer langetermijnspanningen samenkomen met acute crises die de
stabiliteit van het systeem ondermijnen.
De Revolutie als sociaal experiment
De Russische Revolutie kan ook worden gezien als een sociaal experiment. Rusland kende
een zogenoemde duale economie (Arthur Lewis): eilanden van moderne industrie in een zee
van rurale achterstand. Stedelijke industrie en agrarische armoede bestonden naast elkaar,
maar functioneerden slecht samen.
Vlak voor de revolutie bestond de samenleving grofweg uit:
een oude politieke elite (±1%)
een nieuwe economische elite (±12%)
stedelijke arbeiders (±4%)
boeren (±82%)
De ongelijkheden in rijkdom, onderwijs en kansen waren enorm. Onderzoek van Boris
Mironov laat zelfs zien dat de gemiddelde lichaamslengte van soldaten aan het einde van de
19e eeuw stagneerde, een indicator van verslechterende levensomstandigheden. Vanuit
sociaalwetenschappelijk perspectief was de revolutie daarom niet onvermijdelijk, maar wel
verklaarbaar.
De Bolsjewistische slogan “Peace, Bread and Land” sloot direct aan bij deze structurele
problemen:
Peace: afkeer van de oorlog tegen Duitsland
Bread: gevolgen van industrialisatie en urbanisatie
Land: eeuwenlange ongelijke landverdeling
De revolutie werd zo een natuurlijk experiment in herverdeling en staatsvorming.
Tegelijkertijd wijzen auteurs als Acemoglu en Robinson erop dat dit experiment uitmondde
in een nieuwe, gewelddadige dictatuur met een nieuwe elite aan de top.