Samenvatting psychologische criminologie.
Hoofdstuk 1: introductie.
Definitie = studie van individuele psychologische processen bij criminaliteit.
Het verschil met sociologie is dat het individu centraal staat. Dat het individu centraal
staat betekend niet dat het sociale aspect (omgeving) wordt genegeerd.
Verschil tussen criminaliteit en criminelen:
• Criminaliteit = een gedraging of gebeurtenis waarbij gedrag wordt vertoond dat
als strafbaar wordt beschouwd.
• Hierbij wordt de vraag gesteld: waarom heeft een individu criminaliteit
gepleegd op die plek en tijd?
• Criminelen = individuen die criminaliteit vertonen, dat wil zeggen dat ze de
neiging hebbe zich op een criminele manier te gedragen
• Hierbij wordt de vraag gesteld: welke psychologische eigenschappen zijn
gerelateerd aan de criminaliteit en hoe ontstaan deze eigenschappen?
Er is niet een duidelijk punt wanneer iemand een crimineel is, want iedereen overtreedt
wel eens de wet.
Je kunt een crimineel lastig indelen in een groep criminelen die bepaalde criminaliteit
plegen. De meeste criminelen plegen verschillende criminaliteit.
Er is gevonden dat 50% van de criminaliteit is gepleegd door 5% van de criminelen.
Levensloop-persistente overtreders (LCP) = personen die gedurende een langere
periode frequent overtredingen plegen.
• Tekenen van antisociaal gedrag bij deze overtreders is vaak zichtbaar in de
vroege kindertijd.
Adolescentie-beperkte overtreders (AL) = personen waarbij crimineel gedrag een tijdelijk
verschijnsel is, dat samenhangt met specifieke ontwikkelingsfasen en
levensgebeurtenissen.
Er is volgens de leeftijd-criminaliteitscurve een piek rond de 17-18 jaar!
Criminele carrière = een individueel patroon van overtredingen in de loop van tijd.
• Criminaliteit is een dynamisch kernmerk dat zich kan veranderen naarmate
individuen zich door verschillende levensfasen en sociale omstandigheden
bewegen.
Vijf onderliggende debatten over de aard van misdaad en criminelen die
hieraan ten grondslag liggen:
, 1. Vrije wil vs. Determinisme -> zijn mensen in staat onbelemmerde keuzes te
maken over hun gedrag, oftewel zijn mensen rationele actoren. Of wordt gedrag
beïnvloed door deterministische factoren: biologie, omgeving en situatie.
Deterministen stellen dat menselijke keuzes worden beperkt door externe of
interne oorzaken waar men geen controle over heeft.
2. Nature vs. Nurture -> is crimineel gedrag aangeboren of aangeleerd? Biologische
verklaringen richten zich op de rol van: genetica psychofysiologie, biochemische
processen, neurologische factoren en fysieke trauma’s. Terwijl
omgevingsverklaringen zich richten op: opvoedingspraktijken, gezinsdynamiek,
schoolervaringen, invloeden van leeftijdsgenoten, enz.
• 19e eeuw -> Lombroso’s ideeën over de geboren crimineel. In uiterlijke
kenmerken zou je moeten kunnen zien dat iemand crimineel zou kunnen
worden/zijn.
• 20e eeuw -> sociaalwetenschappelijk tegenreactie. Stellen dat de omgeving
bepalend is voor het gedrag dat iemand vertoont.
• Huidige visie -> combinatie van nature en nurture.
3. Normaal vs. Pathologisch -> Aan de ene kan denkt men dat misdaad en
criminelen normaal zijn. Crimineel gedrag wordt gezien als iets dat op dezelfde
manier wordt geleerd, en door dezelfde basisbehoefte wordt gemotiveerd als elk
ander gedrag. Daarentegen heb je het standpunt dat misdaad en criminelen een
vorm is van biologische, psychologische en/of gedragsmatige disfunctie
waardoor ze zich onderscheiden van niet-criminelen. Dit gedrag wordt gezien als
een ‘ziekte’.
• Volgens de DSM-definitie vormt het vertonen van crimineel gedrag
onvoldoende bewijs voor pathologie, maar laat wel ruimte voor het feit dat
sommige overtreders misdaden plegen vanwege een pathologische toestand.
• Sommige overtreders kunnen ook andere psychische stoornissen hebben.
4. Aandrijvende krachten vs. Remmende krachten -> Mensen zijn van nature
crimineel neutraal geboren en moeten motivaties verwerven om misdaden te
plegen. Een ander perspectief is het controle theoretisch perspectief, wat ervan
uitgaat dat criminele motivaties niet verklaard hoeven te worden. Mensen
handelen van nature uit eigenbelang. Criminelen hebben een zwakke
zelfcontrole.
5. Persoon vs. Situatie -> Sommige stellen dat interne constructen, zoals:
persoonlijkheid, houdingen, overtuigen, enz. min of meer vaststaand zijn. Andere
achten crimineel gedrag sterk situatie-specifiek.
• Nature vs. nurture gaat over distale oorzaken (historische factoren) terwijl
persoon vs. situatie gaat over proximale oorzaken (factoren die optreden op
het moment dat het gedrag wordt uitgevoerd).
Psychologische theorieën over misdaad en criminaliteit: een geïntegreerd model.
,De 8 domeinen:
1. Menselijk natuur -> het geheel van psychologische kenmerken en gedragsmatige
neigingen die worden beschouwd als kenmerkend voor de menselijke soort.
Menselijke natuur wordt verklaard door de evolutietheorie.
2. Erfelijkheid -> specifieke overdracht van genen van de ene generatie op de
andere. Er is waargenomen dat criminaliteit vaak binnen families voorkomt.
Genen hebben zijn verantwoordelijk voor gedragsmatige mogelijkheden, maar
zorgen niet voor exact gedrag.
3. Hersenen -> genen creëren gedragsmatige neigingen door de opbouw van
neurale netwerken in de hersenen te sturen. Op de aangeboren, genetisch
bepaalde structuren van de hersenen, kunnen nieuwe verbindingen worden
gevormd door interactie met de omgeving.
4. Persoonlijkheid -> verzameling van eigenschappen die kunnen worden gebruikt
om een individu te profileren en te onderscheiden van andere.
Persoonlijkheidseigenschappen worden gebruikt om crimineel gedrag te kunnen
voorspellen.
5. Ontwikkeling -> sociaal gedrag van mensen ontwikkelt zich door de loop der tijd.
Dit betekent niet dat genen geen rol spelen, maar de nadruk ligt op de invloed van
ontwikkelingsfactoren zoals: opvoeding en disciplinaire strategieën,
verwaarlozing of misbruik in de kindertijd, gezinsdynamiek, vriendenrelaties en
schoolervaringen – op sociale ontwikkelingen.
6. Leren -> houdt zich bezig met blijvende gedragsveranderingen die het gevolg zijn
van omgevingsinvloeden.
• Klassieke conditionering -> neutrale prikkel wordt gekoppeld aan een
natuurlijke, automatische reactie, waardoor de neutrale prikkel zelf die
reactie gaat oproepen.
• Operante conditionering -> gedrag wordt geleerd door beïnvloeding van de
gevolgen.
• Sociaal leren -> menselijk gedrag wordt geleerd door sociale interacties.
7. Cognitie -> verwijst naar de denkprocessen die betrokken zijn bij interne functies
zoals perceptie, informatieverwerking, geheugen, redeneren, probleemoplossing
en besluitvorming. De sociaal-cognitieve theorie zegt dat de externe omgeving
niet objectief op ons inwerkt, maar wordt waargenomen en geïnterpreteerd via
onze cognitieve processen. We creëren een interne representatie van de
werkelijkheid.
8. Situaties -> van de situationele theorieën bestaan 2 algemene benaderingen:
• Beschouwen situaties in termen van criminele kansen die overtreders
benutten. Overtreders betreden een plaats delict gemotiveerd om een
misdaad te plegen en plegen de daad als de kans op beloning groot is en de
kans om gepakt te worden klein is.
, • Andere leggen de nadruk op de rol van de directe omgeving bij genereren van
motivatie om delict te plegen. Bepaalde situationele factoren zoals
groepsdruk, gezag figuren, omgevingsstress kunnen mensen criminaliteit
laten plegen.
Een interactie vindt plaats wanneer het emect van een variabele afhankelijk is van de
aanwezigheid van een of meer andere variabelen.
Persoon = genen x omgeving (GxE) -> genen beïnvloeden gevoeligheid voor omgeving.
Hoe iemand zich op een bepaald moment gedraagt is een combinatie van persoonlijke
kenmerken en de situationele krachten.
• Oftewel gedrag = persoon x situatie (PxS).
Bij een multiplicatieve interactie is het gecombineerde emect van de variabelen groter
dan de som van hun individuelen emecten (daarom x en geen +).
Hoofdstuk 2: human nature.
Sommige mensen hebben het alledaagse geloof dat er bepaalde universele kenmerken
en voorspelbare manieren van gedrag bestaan die een mens, mens maken.
De evolutionaire psychologie -> wil een wetenschappelijke basis beiden voor het begrip
van de menselijke natuur.
Charles Darwin bracht de publicatie ‘On the Orgin of Species” uit in 1859, waarin hij zijn
evolutietheorie beschreef.
Zijn ideeën:
• Alle levende organismen komen voort uit een gemeenschappelijke oorsprong, die
zich in de loop van de tijd heeft vertakt en gediversifieerd door kleine, geleidelijke
veranderingen.
• De verklaring hiervoor is de natuurlijke selectie.
• Evolutie is dus een voortdurend, natuurlijke verandering die voortkomt uit
variatie, erfelijkheid en selectie.
De evolutionaire theorie van Lombroso -> dacht dat misdaad het resultaat was van
atavistisch gedrag, dat wil zeggen en terugval naar een eerdere stadia van revolutie.
Criminelen zijn een ‘lagere’ soort mens die vastzitten op een lager ontwikkelingsniveau.
• Volgens hem konden deze individuen worden herkend aan fysieke kenmerken.
Genen zijn fundamentele eenheden van erfelijkheid die informatie bevatten over
bepaalde kenmerken voor een organisme.
• Elke ouder geeft twee genen door die willekeurig worden geselecteerd uit hun
eigen erfelijke materiaal.
Hoofdstuk 1: introductie.
Definitie = studie van individuele psychologische processen bij criminaliteit.
Het verschil met sociologie is dat het individu centraal staat. Dat het individu centraal
staat betekend niet dat het sociale aspect (omgeving) wordt genegeerd.
Verschil tussen criminaliteit en criminelen:
• Criminaliteit = een gedraging of gebeurtenis waarbij gedrag wordt vertoond dat
als strafbaar wordt beschouwd.
• Hierbij wordt de vraag gesteld: waarom heeft een individu criminaliteit
gepleegd op die plek en tijd?
• Criminelen = individuen die criminaliteit vertonen, dat wil zeggen dat ze de
neiging hebbe zich op een criminele manier te gedragen
• Hierbij wordt de vraag gesteld: welke psychologische eigenschappen zijn
gerelateerd aan de criminaliteit en hoe ontstaan deze eigenschappen?
Er is niet een duidelijk punt wanneer iemand een crimineel is, want iedereen overtreedt
wel eens de wet.
Je kunt een crimineel lastig indelen in een groep criminelen die bepaalde criminaliteit
plegen. De meeste criminelen plegen verschillende criminaliteit.
Er is gevonden dat 50% van de criminaliteit is gepleegd door 5% van de criminelen.
Levensloop-persistente overtreders (LCP) = personen die gedurende een langere
periode frequent overtredingen plegen.
• Tekenen van antisociaal gedrag bij deze overtreders is vaak zichtbaar in de
vroege kindertijd.
Adolescentie-beperkte overtreders (AL) = personen waarbij crimineel gedrag een tijdelijk
verschijnsel is, dat samenhangt met specifieke ontwikkelingsfasen en
levensgebeurtenissen.
Er is volgens de leeftijd-criminaliteitscurve een piek rond de 17-18 jaar!
Criminele carrière = een individueel patroon van overtredingen in de loop van tijd.
• Criminaliteit is een dynamisch kernmerk dat zich kan veranderen naarmate
individuen zich door verschillende levensfasen en sociale omstandigheden
bewegen.
Vijf onderliggende debatten over de aard van misdaad en criminelen die
hieraan ten grondslag liggen:
, 1. Vrije wil vs. Determinisme -> zijn mensen in staat onbelemmerde keuzes te
maken over hun gedrag, oftewel zijn mensen rationele actoren. Of wordt gedrag
beïnvloed door deterministische factoren: biologie, omgeving en situatie.
Deterministen stellen dat menselijke keuzes worden beperkt door externe of
interne oorzaken waar men geen controle over heeft.
2. Nature vs. Nurture -> is crimineel gedrag aangeboren of aangeleerd? Biologische
verklaringen richten zich op de rol van: genetica psychofysiologie, biochemische
processen, neurologische factoren en fysieke trauma’s. Terwijl
omgevingsverklaringen zich richten op: opvoedingspraktijken, gezinsdynamiek,
schoolervaringen, invloeden van leeftijdsgenoten, enz.
• 19e eeuw -> Lombroso’s ideeën over de geboren crimineel. In uiterlijke
kenmerken zou je moeten kunnen zien dat iemand crimineel zou kunnen
worden/zijn.
• 20e eeuw -> sociaalwetenschappelijk tegenreactie. Stellen dat de omgeving
bepalend is voor het gedrag dat iemand vertoont.
• Huidige visie -> combinatie van nature en nurture.
3. Normaal vs. Pathologisch -> Aan de ene kan denkt men dat misdaad en
criminelen normaal zijn. Crimineel gedrag wordt gezien als iets dat op dezelfde
manier wordt geleerd, en door dezelfde basisbehoefte wordt gemotiveerd als elk
ander gedrag. Daarentegen heb je het standpunt dat misdaad en criminelen een
vorm is van biologische, psychologische en/of gedragsmatige disfunctie
waardoor ze zich onderscheiden van niet-criminelen. Dit gedrag wordt gezien als
een ‘ziekte’.
• Volgens de DSM-definitie vormt het vertonen van crimineel gedrag
onvoldoende bewijs voor pathologie, maar laat wel ruimte voor het feit dat
sommige overtreders misdaden plegen vanwege een pathologische toestand.
• Sommige overtreders kunnen ook andere psychische stoornissen hebben.
4. Aandrijvende krachten vs. Remmende krachten -> Mensen zijn van nature
crimineel neutraal geboren en moeten motivaties verwerven om misdaden te
plegen. Een ander perspectief is het controle theoretisch perspectief, wat ervan
uitgaat dat criminele motivaties niet verklaard hoeven te worden. Mensen
handelen van nature uit eigenbelang. Criminelen hebben een zwakke
zelfcontrole.
5. Persoon vs. Situatie -> Sommige stellen dat interne constructen, zoals:
persoonlijkheid, houdingen, overtuigen, enz. min of meer vaststaand zijn. Andere
achten crimineel gedrag sterk situatie-specifiek.
• Nature vs. nurture gaat over distale oorzaken (historische factoren) terwijl
persoon vs. situatie gaat over proximale oorzaken (factoren die optreden op
het moment dat het gedrag wordt uitgevoerd).
Psychologische theorieën over misdaad en criminaliteit: een geïntegreerd model.
,De 8 domeinen:
1. Menselijk natuur -> het geheel van psychologische kenmerken en gedragsmatige
neigingen die worden beschouwd als kenmerkend voor de menselijke soort.
Menselijke natuur wordt verklaard door de evolutietheorie.
2. Erfelijkheid -> specifieke overdracht van genen van de ene generatie op de
andere. Er is waargenomen dat criminaliteit vaak binnen families voorkomt.
Genen hebben zijn verantwoordelijk voor gedragsmatige mogelijkheden, maar
zorgen niet voor exact gedrag.
3. Hersenen -> genen creëren gedragsmatige neigingen door de opbouw van
neurale netwerken in de hersenen te sturen. Op de aangeboren, genetisch
bepaalde structuren van de hersenen, kunnen nieuwe verbindingen worden
gevormd door interactie met de omgeving.
4. Persoonlijkheid -> verzameling van eigenschappen die kunnen worden gebruikt
om een individu te profileren en te onderscheiden van andere.
Persoonlijkheidseigenschappen worden gebruikt om crimineel gedrag te kunnen
voorspellen.
5. Ontwikkeling -> sociaal gedrag van mensen ontwikkelt zich door de loop der tijd.
Dit betekent niet dat genen geen rol spelen, maar de nadruk ligt op de invloed van
ontwikkelingsfactoren zoals: opvoeding en disciplinaire strategieën,
verwaarlozing of misbruik in de kindertijd, gezinsdynamiek, vriendenrelaties en
schoolervaringen – op sociale ontwikkelingen.
6. Leren -> houdt zich bezig met blijvende gedragsveranderingen die het gevolg zijn
van omgevingsinvloeden.
• Klassieke conditionering -> neutrale prikkel wordt gekoppeld aan een
natuurlijke, automatische reactie, waardoor de neutrale prikkel zelf die
reactie gaat oproepen.
• Operante conditionering -> gedrag wordt geleerd door beïnvloeding van de
gevolgen.
• Sociaal leren -> menselijk gedrag wordt geleerd door sociale interacties.
7. Cognitie -> verwijst naar de denkprocessen die betrokken zijn bij interne functies
zoals perceptie, informatieverwerking, geheugen, redeneren, probleemoplossing
en besluitvorming. De sociaal-cognitieve theorie zegt dat de externe omgeving
niet objectief op ons inwerkt, maar wordt waargenomen en geïnterpreteerd via
onze cognitieve processen. We creëren een interne representatie van de
werkelijkheid.
8. Situaties -> van de situationele theorieën bestaan 2 algemene benaderingen:
• Beschouwen situaties in termen van criminele kansen die overtreders
benutten. Overtreders betreden een plaats delict gemotiveerd om een
misdaad te plegen en plegen de daad als de kans op beloning groot is en de
kans om gepakt te worden klein is.
, • Andere leggen de nadruk op de rol van de directe omgeving bij genereren van
motivatie om delict te plegen. Bepaalde situationele factoren zoals
groepsdruk, gezag figuren, omgevingsstress kunnen mensen criminaliteit
laten plegen.
Een interactie vindt plaats wanneer het emect van een variabele afhankelijk is van de
aanwezigheid van een of meer andere variabelen.
Persoon = genen x omgeving (GxE) -> genen beïnvloeden gevoeligheid voor omgeving.
Hoe iemand zich op een bepaald moment gedraagt is een combinatie van persoonlijke
kenmerken en de situationele krachten.
• Oftewel gedrag = persoon x situatie (PxS).
Bij een multiplicatieve interactie is het gecombineerde emect van de variabelen groter
dan de som van hun individuelen emecten (daarom x en geen +).
Hoofdstuk 2: human nature.
Sommige mensen hebben het alledaagse geloof dat er bepaalde universele kenmerken
en voorspelbare manieren van gedrag bestaan die een mens, mens maken.
De evolutionaire psychologie -> wil een wetenschappelijke basis beiden voor het begrip
van de menselijke natuur.
Charles Darwin bracht de publicatie ‘On the Orgin of Species” uit in 1859, waarin hij zijn
evolutietheorie beschreef.
Zijn ideeën:
• Alle levende organismen komen voort uit een gemeenschappelijke oorsprong, die
zich in de loop van de tijd heeft vertakt en gediversifieerd door kleine, geleidelijke
veranderingen.
• De verklaring hiervoor is de natuurlijke selectie.
• Evolutie is dus een voortdurend, natuurlijke verandering die voortkomt uit
variatie, erfelijkheid en selectie.
De evolutionaire theorie van Lombroso -> dacht dat misdaad het resultaat was van
atavistisch gedrag, dat wil zeggen en terugval naar een eerdere stadia van revolutie.
Criminelen zijn een ‘lagere’ soort mens die vastzitten op een lager ontwikkelingsniveau.
• Volgens hem konden deze individuen worden herkend aan fysieke kenmerken.
Genen zijn fundamentele eenheden van erfelijkheid die informatie bevatten over
bepaalde kenmerken voor een organisme.
• Elke ouder geeft twee genen door die willekeurig worden geselecteerd uit hun
eigen erfelijke materiaal.