Week II
Leerdoelen:
Kennis van en inzicht in het klassieke utilisme van Bentham en Mill.
Kennis van en inzicht in moderne ethisch-juridische perspectieven die sterk aan het utilisme verwant
zijn.
Toepassen van utilistische ideeën en benaderingen op hedendaagse juridische problemen.
Reflecteren op de opvatting van de wet als beleidsinstrument.
Principles of utilism – Bentham
Bentham stelt dat de mens wordt bestuurd door twee soevereine machten: pijn en plezier. Deze bepalen wat
we doen en wat we zouden moeten doen; ze vormen de basis van moraliteit en oorzaak-gevolgrelaties.
Pogingen om hieraan te ontsnappen zijn zinloos: zelfs wie beweert deze heerschappij te verwerpen, blijft eraan
onderworpen.
Het principe van nut erkent deze afhankelijkheid en gebruikt deze als basis voor een systeem dat geluk nastreeft
via rede en wet. Handelingen zijn moreel te beoordelen op hun tendens om geluk te vergroten of pijn te
verminderen. De gemeenschap is een fictief geheel van individuen; het collectieve belang is een som van
individuele belangen. Een handeling is juist als ze het geluk vergroot, fout als ze het vermindert.
De berekening van geluk
De waarde van plezier of pijn wordt bepaald door zeven omstandigheden:
1. Intensiteit
2. Duur
3. Zekerheid
4. Nabijheid/afstand in de tijd
5. Vruchtbaarheid (leidt het tot meer van hetzelfde – plezier/plezier?)
6. Zuiverheid (blijft het vrij van het tegenovergestelde – plezier/pijn?)
7. Omvang (hoeveel mensen worden geraakt?)
Beoordeel per betrokkene de eerste gevolgen (plezier/pijn) en de afgeleide gevolgen (vruchtbaarheid en
zuiverheid). Tel vervolgens alle waarden bij elkaar op; het saldo bepaalt of de handeling in totaal goed of slecht
uitpakt. Dit proces hoeft niet bij iedere morele of juridische beslissing exact te worden gevolgd, maar hoe
dichter men erbij blijft, hoe nauwkeuriger het oordeel.
Utilitarianism – Mill
Mill verdedigt het utilisme tegen veelvoorkomende misvattingen:
Nut ≠ tegenovergesteld aan plezier: Nut is plezier en de afwezigheid van pijn. Handelingen zijn juist
voor zover ze geluk bevorderen en verkeerd voor zover ze pijn veroorzaken – Het Grootste
Geluksprincipe.
Niet enkel lichamelijk genot: Er bestaan hogere en lagere genoegens. Intellectuele en morele
genoegens wegen zwaarder dan puur zintuigelijk genot. Kwaliteit is dus even belangrijk als kwantiteit.
Beter ontevreden en wijs dan tevreden en dom: Mensen met hogere vermogens kiezen altijd hogere
genoegend, ook al brengen die meer lijden mee. Een nobel karakter kan het totale geluk vergroten,
ook al kost dat individueel geluk.
Te hoge morele standaard?: Het utilisme vereist niet dat elke daad uit plichtsbesef voortkomt, enkel
dat handelingen geen morele regels schenden en bijdragen aan het algemeen geluk. De motivatie van
de dader doet er niet toe voor de morele juistheid.
Niet gelijk aan opportunisme: Opportunisme schaadt vaak de lange termijn (bv. liegen). Het utilisme
erkent uitzonderingen (bv. liegen om ernstig onrecht te voorkomen), maar benadrukt dat regels zoals
eerlijkheid essentieel blijven voor vertrouwen en algemeen welzijn.
Het utilisme draait volgens Mill om het bevorderen van het grootste geluk voor het grootste aantal, waarbij
rekening wordt gehouden met zowel de kwaliteit als de kwantiteit van genoegens, en waarbij morele regels
instrumenteel zijn om geluk duurzaam te waarborgen.