Boek: Basiskennis taalonderwijs
9 domeinen
Zie ppt (ook uitgedraaid)
Mondelinge taalvaardigheid
Simultane tweetaligheid = tegelijk talen leren
Successieve tweetaligheid = na elkaar talen leren
Woordenschat
Morfologische identiteit = opbouw van het woord
Syntactische = zinsopbouw
Fonologische = klank
Semantische = betekenis
Orthografisch = spelling van een woord
Pragmatisch = gebruik van een woord (wanneer jij, wanneer u etc.)
Beginnende geletterdheid
Visuele analyse = hakken
Visuele discriminatie = door elkaar halen van bijv. d en b, i en de ij etc.
Visuele synthese = komt niet vaak voor (sch b oo ed twee woorden vormen)
Spatieel ordenen = fouten door omkering ( ui iu)
Letterpositie bepalen
Auditieve analyse = hakken
Auditieve synthese = plakken
Auditieve discriminatie = klanken onderscheiden
Temporeel ordenen = op volgorde zetten van de tijd
Auditieve objectivatie = niet luisteren naar betekenis maar kijken naar het woord
Welk woord is langer? Reus of kabouter
Klankpositie bepalen = welke letter hoor je achteraan
Ontluikende geletterdheid = peuters, ontdekken dat taal niet alleen betekenis is maar ook communic
Beginnende geletterdheid = zie tussendoelen, groep 1 2 3
Gevorderde geletterdheid = vanaf groep 4 – 8
Taalbewustzijn = bewust dat taal klanken heeft, je kunt lezen schrijven etc. met taal
Fonologisch bewustzijn = onderdeel van taalbewustzijn, nl het klankbewustzijn
Meta-linguïstisch bewustzijn = naar je eigen taal / spreken kijken
Pseudolezen = neplezen, vaak nadoen van de juf, want ze kunnen nog niet lezen
Elementaire leeshandeling = Van links naar rechts hakken en plakken (begin groep 3)
Elementaire spellinghandeling = plakken en hakken, andersom. POES oja, p oe s
Foneem = klank / grafeem = letters of lettercombinaties zoals eu ui etc.
Voortgezet technisch lezen
Clusters & spellingspatronen: sch oon – schoon
Sch is spellingspatroon(vaak medeklinkers)
Oon is cluster
, Begrijpend lezen
Perceptie = info komt binnen (via oren of ogen) (technisch lezen)
Cognitie = je doet iets met de info (samenhang proberen te zien)
Stellen
Associëren hoort typisch bij vertellend schrijven
Vertellend schrijven is bijv. over het weekend zonder vooraf te bedenken hoe je het opzet.
Jeugdliteratuur
Let op, dit komt sowieso in tentamen
Ontspannende functie
Creatieve functie = kan muziek, tekenen zijn, of juist fantaseren in je hoofd
Esthetische functie = de mooiheid van iets, van taal van een schilderij etc.
Emotionele functie
Ethisch = is het verantwoord, is iets goed of fout
Pedagogisch / opvoedend = leert een boek de kinderen iets, over pesten oid
Taalbeschouwing
Afleiding is tegenovergestelde van samenstelling
Menselijk = afleiding / mensenlijk = samenstelling
Spelling
Regelstrategie = voor welk woord moet je veel regels toepassen
Tussendoelen beginnende geletterdheid
1. Boekoriëntatie
2. Verhaalbegrip
3. Functies van geschreven taal
4. Relatie tussen gesproken en geschreven taal
5. Taalbewustzijn
6. Alfabetisch principe
7. Functioneel ‘schrijven en lezen’
8. Technisch lezen en schrijven, start
9. Technisch lezen en schrijven, vervolg
10. Begrijpend lezen en schrijven
Schreien = huilen
Functioneel analfabetisme = iemand heeft zo’n laag leesniveau dat hij maatschappelijk niet goed kan
functioneren.
Reviseren = kritisch lezen, beoordelen en bijstellen van een tekst
Synoniem = zelfde betekenis
Antoniem = tegenstelling
Hyponiem = begrippen die onder een algemene noemer vallen dier aap, koe, vis, etc.
Homoniem = arm arm, bank bank, zelfde woorden maar andere betekenis
Homofoon = klinken hetzelfde, maar schrijft ze anders nauw, nou
Homograaf = régent, règent / minister