Verpleegkundige kennis
Periode 2
Week 1
Zorgverlener: stelt de behoefte aan verpleegkundige zorg vast en verleent deze zorg in complexe situaties,
versterkt het zelfmanagement, indiceert en voert verpleegtechnische handelingen uit.
Reflectieve EBP-professional: handelt vanuit onderzoekend vermogen (leidt tot reflectie, EBP, innovatie).
EBP (evidence based practice)
- Wetenschappelijk onderzoek
- Persoonlijke kennis
- Voorkeuren van de patiënt
Cognitief functioneren: functioneren van het denken. Bijvoorbeeld: geheugen, taalgebruik, kunnen
begrijpen en uitvoeren van complexe handelingen.
EBP zorgt voor maatwerk en kwaliteit. EBP bestaat uit 5 stappen (om de beste interventie te vinden):
Stap 1: stel een PICO op.
P: patiëntprobleem (wat is het probleem/diagnose).
I: interventie genoemd in de casus.
C: co-interventie: welke andere interventies zijn mogelijk (uit Carpenito of zelf bedenken).
O: welke uitkomst is wenselijk (welk resultaat wil je bereiken).
Stap 2: efficiënt zoeken naar het beste bewijsmateriaal (gebruik de zoekbalk van Windesearch).
Stap 3: beoordelen van het gevonden bewijs op methodologische kwaliteit en toepasbaarheid.
Stap 4: toepassen van het resultaat in de praktijk.
Stap 5: evaluatie van proces en resultaat.
Week 2
Inademing: ribben omhoog, diafragma en buitenste tussenribspieren trekken samen (geforceerd:
halsspieren en schoudergordel).
Uitademing: borstholte terug (geforceerd: binnenste tussenribspieren en buikspieren).
Normale ademvolume: 500 ml
Inspiratoire reservevolume: 2000 ml (maximale extra inname lucht)
Expiratoire reservevolume: 1500 ml (maximaal extra uitgeademde lucht).
Residuvolume: 1200 ml
Vitale capiciteit: 4000 ml
Normaalwaarden bij volwassenen:
- Frequentie: 15-17 keer per minuut
- Diepte (de hoeveelheid in- en uitgeademde lucht per keer): 500 ml
- Regelmaat/patroon: ongeveer zelfde ritme (inademing iets korter dan uitademing)
, - Geluid: geluidloos
- Geur: geurloos
- Huidskleur: geen cyanose (blauwkleuring)
1. Normale ademhaling
2. Versnelde ademhaling
3. Vertraagde ademhaling
4. Apneu
5. Cheyne-strokes (vlak voor overlijden)
COPD (longemfyseem en chronische bronchitis): te weinig longvolume (<500 ml) en kracht in
ademspieren, om longen goed te vullen.
Voorbeelden ziektebeelden:
- Cystic Fibrosis (CF) (taaislijmziekte)
- Longfibrose (longen kunnen niet voldoende zuurstof opnemen en CO2 uitscheiden)
- Pulmonale hypertensie (hoge bloeddruk in de longen)
Voorbeelden onderzoeken:
- Longfunctietest (heel diep in en uitademen)
- Bloedgas analyse (samenstelling van het bloed bekijken)
- X-Thorax (röntgenfoto van de thorax)
- Scintigrafie thorax (foto na toediening radioactieve stof)
- SPECT (laat de doorbloeding van het hart zien)
- Bronchoscopie (met een slangetje in de longen lijken)
- Pleurapunctie (longvocht afnemen)
Dysppnoe/benauwdheid is een subjectief gegeven (hoe de patiënt het ervaart).
Kan een longprobleem zijn maar ook: hartziekten, afwijkingen van ademhalingsspieren of kanker.
Uitspraken van de patiënt over hoe erg benauwd hij het heeft wordt beïnvloed door:
- Hoe hij erover denkt (cognitie)
- Hoe het voelt (sensorisch)
- Overige omstandigheden (context (bijvoorbeeld het weer))
Dyspnoe neemt toe wanneer:
- Meer ventilatie nodig is (lichamelijke inspanning)
- Luchtwegweerstand toeneemt (astma, CF)
- Longelasticiteit afneemt (longemfyseem)
- Slapte of beschadiging van ademhalingsspieren (ALS, hoge dwarslaesie)
Mindere longfunctie betekend niet altijd meer dyspnoe.
Exacerbatie: verergering van klachten.
Palliatieve zorg: zorg aan cliënten die niet meer genezen.
Dyspnoe
Gerelateerde factoren (E) Kenmerken (S)
• Samenstelling bloed (anemie) Noodzakelijk:
• Hypertensie • Patiënt geeft aan onvoldoende lucht te krijgen
Periode 2
Week 1
Zorgverlener: stelt de behoefte aan verpleegkundige zorg vast en verleent deze zorg in complexe situaties,
versterkt het zelfmanagement, indiceert en voert verpleegtechnische handelingen uit.
Reflectieve EBP-professional: handelt vanuit onderzoekend vermogen (leidt tot reflectie, EBP, innovatie).
EBP (evidence based practice)
- Wetenschappelijk onderzoek
- Persoonlijke kennis
- Voorkeuren van de patiënt
Cognitief functioneren: functioneren van het denken. Bijvoorbeeld: geheugen, taalgebruik, kunnen
begrijpen en uitvoeren van complexe handelingen.
EBP zorgt voor maatwerk en kwaliteit. EBP bestaat uit 5 stappen (om de beste interventie te vinden):
Stap 1: stel een PICO op.
P: patiëntprobleem (wat is het probleem/diagnose).
I: interventie genoemd in de casus.
C: co-interventie: welke andere interventies zijn mogelijk (uit Carpenito of zelf bedenken).
O: welke uitkomst is wenselijk (welk resultaat wil je bereiken).
Stap 2: efficiënt zoeken naar het beste bewijsmateriaal (gebruik de zoekbalk van Windesearch).
Stap 3: beoordelen van het gevonden bewijs op methodologische kwaliteit en toepasbaarheid.
Stap 4: toepassen van het resultaat in de praktijk.
Stap 5: evaluatie van proces en resultaat.
Week 2
Inademing: ribben omhoog, diafragma en buitenste tussenribspieren trekken samen (geforceerd:
halsspieren en schoudergordel).
Uitademing: borstholte terug (geforceerd: binnenste tussenribspieren en buikspieren).
Normale ademvolume: 500 ml
Inspiratoire reservevolume: 2000 ml (maximale extra inname lucht)
Expiratoire reservevolume: 1500 ml (maximaal extra uitgeademde lucht).
Residuvolume: 1200 ml
Vitale capiciteit: 4000 ml
Normaalwaarden bij volwassenen:
- Frequentie: 15-17 keer per minuut
- Diepte (de hoeveelheid in- en uitgeademde lucht per keer): 500 ml
- Regelmaat/patroon: ongeveer zelfde ritme (inademing iets korter dan uitademing)
, - Geluid: geluidloos
- Geur: geurloos
- Huidskleur: geen cyanose (blauwkleuring)
1. Normale ademhaling
2. Versnelde ademhaling
3. Vertraagde ademhaling
4. Apneu
5. Cheyne-strokes (vlak voor overlijden)
COPD (longemfyseem en chronische bronchitis): te weinig longvolume (<500 ml) en kracht in
ademspieren, om longen goed te vullen.
Voorbeelden ziektebeelden:
- Cystic Fibrosis (CF) (taaislijmziekte)
- Longfibrose (longen kunnen niet voldoende zuurstof opnemen en CO2 uitscheiden)
- Pulmonale hypertensie (hoge bloeddruk in de longen)
Voorbeelden onderzoeken:
- Longfunctietest (heel diep in en uitademen)
- Bloedgas analyse (samenstelling van het bloed bekijken)
- X-Thorax (röntgenfoto van de thorax)
- Scintigrafie thorax (foto na toediening radioactieve stof)
- SPECT (laat de doorbloeding van het hart zien)
- Bronchoscopie (met een slangetje in de longen lijken)
- Pleurapunctie (longvocht afnemen)
Dysppnoe/benauwdheid is een subjectief gegeven (hoe de patiënt het ervaart).
Kan een longprobleem zijn maar ook: hartziekten, afwijkingen van ademhalingsspieren of kanker.
Uitspraken van de patiënt over hoe erg benauwd hij het heeft wordt beïnvloed door:
- Hoe hij erover denkt (cognitie)
- Hoe het voelt (sensorisch)
- Overige omstandigheden (context (bijvoorbeeld het weer))
Dyspnoe neemt toe wanneer:
- Meer ventilatie nodig is (lichamelijke inspanning)
- Luchtwegweerstand toeneemt (astma, CF)
- Longelasticiteit afneemt (longemfyseem)
- Slapte of beschadiging van ademhalingsspieren (ALS, hoge dwarslaesie)
Mindere longfunctie betekend niet altijd meer dyspnoe.
Exacerbatie: verergering van klachten.
Palliatieve zorg: zorg aan cliënten die niet meer genezen.
Dyspnoe
Gerelateerde factoren (E) Kenmerken (S)
• Samenstelling bloed (anemie) Noodzakelijk:
• Hypertensie • Patiënt geeft aan onvoldoende lucht te krijgen