Antwoorden werkgroepen Recht van de Europese Unie
WERKGROEPVRAGEN WEEK 1
Allereerst moet worden betoogd dat de Wet dierenwelzijn varkenshouderij
geen strijd oplevert met artikel 34 VWEU. Tot deze conclusie kom ik door
artikel 34 VWEU te toetsen aan de Wet dierenwelzijn.
Stap 1: Toepasselijkheid, valt de Wet dierenwelzijn varkenshouderij binnen
de reikwijdte van artikel 34 VWEU?
- Goederen
Goederen zijn alle op geld waardeerbare objecten die het voorwerp
kunnen zijn van een handelstransactie (zie Italiaanse Kunst-arrest).
Een andere benadering is dat goederen alle tastbare fysieke
objecten zijn (zie het Jägerskiöld-arrest).
In dit geval is sprake van goederen, het gaat immers over
varkensvlees, en dat is een object dat op geld waardeerbaar is.
- Harmonisatie
Voor het vrij verkeer van goederen mag worden aangenomen dat er
geen harmonisatiewetgeving is.
- Rechtstreekse werking
Artikel 34 VWEU heeft verticale rechtstreekse werking, zie ook het
Schmidberger-arrest. Het heeft geen horizontale rechtstreekse
werking.
IN dit geval gaat het om een geschil tussen producenten en een
lidstaat, dus een verticale verhouding.
- Grensoverschrijdend element
Alleen conflicten met een grensoverschrijdend element vallen
binnen de reikwijdte van art. 34 VWEU. In dit geval is daarvan
sprake, aangezien het gaat om producten uit andere lidstaten die
worden belemmerd.
Aan de reikwijdte vraag is dus voldaan.
Stap 2: Wat wordt verboden onder art. 34 VWEU
Onder artikel 34 VWEU wordt verboden
I. Kwantitatieve beperkingen
, II. Maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperking.
Kwantitatieve beperkingen zijn algemene verboden of quota’s. Daarvan is
in casu geen sprake omdat varkensvlees niet in zijn geheel wordt
verboden. Wellicht is er nog wel sprake van een maatregel van gelijke
werking als kwantitatieve beperking.
Een maatregel van gelijke werking is, zo volgt uit het Dassonville-arrest,
iedere handelsregeling der lidstaten die de intracommunautaire handel al
dan niet rechtstreeeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. Deze
is op te delen in verschillende vormen;
I. Producteisen (zie Cassis-de-Dijon-arrest)
II. Verkoopmodaliteiten, mits deze niet van toepassing zijn op alle
handelsdeelnemers en rechtens en feitelijk discrimineren, anders
geen MGW. (Keck-arrest)
III. Maatregelen die de markttoegang belemmeren
a. Gebruiksverboden (Italiaanse brommeraanhangers)
b. Minimumprijzen
In dit geval lijkt sprake te zijn van verkoopmodaliteiten. Voor het product
(het varkensvlees) wordt immers een eis gesteld voordat het verkocht
mag worden. Dit is alleen een maatregel van gelijke werking indien de
verkoopmodaliteit niet voor iedereen geldt, en hij rechtens en feitelijk
discrimineert. Daarvan is hier geen sprake, er is immers geen sprake van
dat deze verkoopmodaliteit alleen geldt voor producten uit andere
lidstaten. Van een maatregel van gelijke werking is derhalve geen sprake.
Om mijn pleidooi af te ronden zou ik wel graag de beperkingen willen
bespreken, mocht er wel sprake zijn van een maatregel van gelijke
werking.
Stap 3: Rechtvaardigingen
In het algemeen kan er een rechtvaardiging worden gevonden in art. 36
VWEU en de Cassis-rechtvaardiging voor maatregelen zonder onderscheid.
In casu kunnen beide rechtvaardigingsgronden worden ingeroepen,
namelijk voor het beschermen van dieren (art. 36 VWEU) of dierenleed als
dwingende reden van algemeen belang.
Voor 36 VWEU geldt:
I. Geen harmonisatie
II. Een reden genoemd in art. 36 VWEU
III. Geen willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de
handel tussen lidstaten
IV. Evenredigheidstoets.
Voor cassis geldt:
I. Geen harmonisatie
, II. Dwingende reden van algemeen belang
III. Maatregel zonder onderscheid
IV. Evenredigheidstoets
Dan moet nog wel worden gekeken naar de evenredigheidstoets die
bestaat uit geschiktheid, noodzakelijkheid en evenredigheid stricto
sensu.
De BTW-verhoging levert geen strijd op met art. 110 VWEU:
Artikel 110 VWEU houdt een verbod in op hogere binnenlandse
belastingen voor gelijksoortige producten en een verbod voor
protectionistische belastingen voor niet-gelijksoortige producten die wel
met elkaar concurreren’.
Stap 1: Is artikel 110 VWEU van toepassing, met andere woorden; valt de
casus binnen de reikwijdte van artikel 110 VWEU:
- Goederen
Goederen zijn alle op geld waardeerbare objecten die het voorwerp
kunnen zijn van een handelstransactie (zie Italiaanse Kunst-arrest).
Een andere benadering is dat goederen alle tastbare fysieke
objecten zijn (zie het Jägerskiöld-arrest).
In dit geval is sprake van goederen, het gaat immers over
varkensvlees, en dat is een object dat op geld waardeerbaar is.
- Binnenlandse belasting (alinea 1)
o Het gaat hier over belasting op producten die al binnen de
grens van de lidstaat zijn (verschil met Outukumpu-arrest
waarbij het gaat om geïmporteerde producten)
- Protectionistische belasting (alinea 2)
o Het gaat hier over belastingen die beschermend werken voor
producten die niet-gelijksoortig zijn maar wel met elkaar
concurreren.
De vraag moet dus worden beantwoord of de producten gelijksoortig
zijn. In dit geval lijkt het duidelijk dat de producten gelijksoortig zijn,
het enige verschil is dat de een ‘diervriendelijker’ is geproduceerd.
Mijns inziens zijn het gelijksoortige producten. (zie ook het
Commissie vs VK-arrest)
Stap 2: Wat is verboden onder art. 110 VWEU?
- Hogere binnenlandse belastingen op gelijksoortige producten zijn
verboden. In dit geval wordt er een hogere binnenlandse belasting
geheven, namelijk een hogere BTW. Deze binnenlandse belasting is
WERKGROEPVRAGEN WEEK 1
Allereerst moet worden betoogd dat de Wet dierenwelzijn varkenshouderij
geen strijd oplevert met artikel 34 VWEU. Tot deze conclusie kom ik door
artikel 34 VWEU te toetsen aan de Wet dierenwelzijn.
Stap 1: Toepasselijkheid, valt de Wet dierenwelzijn varkenshouderij binnen
de reikwijdte van artikel 34 VWEU?
- Goederen
Goederen zijn alle op geld waardeerbare objecten die het voorwerp
kunnen zijn van een handelstransactie (zie Italiaanse Kunst-arrest).
Een andere benadering is dat goederen alle tastbare fysieke
objecten zijn (zie het Jägerskiöld-arrest).
In dit geval is sprake van goederen, het gaat immers over
varkensvlees, en dat is een object dat op geld waardeerbaar is.
- Harmonisatie
Voor het vrij verkeer van goederen mag worden aangenomen dat er
geen harmonisatiewetgeving is.
- Rechtstreekse werking
Artikel 34 VWEU heeft verticale rechtstreekse werking, zie ook het
Schmidberger-arrest. Het heeft geen horizontale rechtstreekse
werking.
IN dit geval gaat het om een geschil tussen producenten en een
lidstaat, dus een verticale verhouding.
- Grensoverschrijdend element
Alleen conflicten met een grensoverschrijdend element vallen
binnen de reikwijdte van art. 34 VWEU. In dit geval is daarvan
sprake, aangezien het gaat om producten uit andere lidstaten die
worden belemmerd.
Aan de reikwijdte vraag is dus voldaan.
Stap 2: Wat wordt verboden onder art. 34 VWEU
Onder artikel 34 VWEU wordt verboden
I. Kwantitatieve beperkingen
, II. Maatregelen van gelijke werking als kwantitatieve beperking.
Kwantitatieve beperkingen zijn algemene verboden of quota’s. Daarvan is
in casu geen sprake omdat varkensvlees niet in zijn geheel wordt
verboden. Wellicht is er nog wel sprake van een maatregel van gelijke
werking als kwantitatieve beperking.
Een maatregel van gelijke werking is, zo volgt uit het Dassonville-arrest,
iedere handelsregeling der lidstaten die de intracommunautaire handel al
dan niet rechtstreeeks, daadwerkelijk of potentieel kan belemmeren. Deze
is op te delen in verschillende vormen;
I. Producteisen (zie Cassis-de-Dijon-arrest)
II. Verkoopmodaliteiten, mits deze niet van toepassing zijn op alle
handelsdeelnemers en rechtens en feitelijk discrimineren, anders
geen MGW. (Keck-arrest)
III. Maatregelen die de markttoegang belemmeren
a. Gebruiksverboden (Italiaanse brommeraanhangers)
b. Minimumprijzen
In dit geval lijkt sprake te zijn van verkoopmodaliteiten. Voor het product
(het varkensvlees) wordt immers een eis gesteld voordat het verkocht
mag worden. Dit is alleen een maatregel van gelijke werking indien de
verkoopmodaliteit niet voor iedereen geldt, en hij rechtens en feitelijk
discrimineert. Daarvan is hier geen sprake, er is immers geen sprake van
dat deze verkoopmodaliteit alleen geldt voor producten uit andere
lidstaten. Van een maatregel van gelijke werking is derhalve geen sprake.
Om mijn pleidooi af te ronden zou ik wel graag de beperkingen willen
bespreken, mocht er wel sprake zijn van een maatregel van gelijke
werking.
Stap 3: Rechtvaardigingen
In het algemeen kan er een rechtvaardiging worden gevonden in art. 36
VWEU en de Cassis-rechtvaardiging voor maatregelen zonder onderscheid.
In casu kunnen beide rechtvaardigingsgronden worden ingeroepen,
namelijk voor het beschermen van dieren (art. 36 VWEU) of dierenleed als
dwingende reden van algemeen belang.
Voor 36 VWEU geldt:
I. Geen harmonisatie
II. Een reden genoemd in art. 36 VWEU
III. Geen willekeurige discriminatie of een verkapte beperking van de
handel tussen lidstaten
IV. Evenredigheidstoets.
Voor cassis geldt:
I. Geen harmonisatie
, II. Dwingende reden van algemeen belang
III. Maatregel zonder onderscheid
IV. Evenredigheidstoets
Dan moet nog wel worden gekeken naar de evenredigheidstoets die
bestaat uit geschiktheid, noodzakelijkheid en evenredigheid stricto
sensu.
De BTW-verhoging levert geen strijd op met art. 110 VWEU:
Artikel 110 VWEU houdt een verbod in op hogere binnenlandse
belastingen voor gelijksoortige producten en een verbod voor
protectionistische belastingen voor niet-gelijksoortige producten die wel
met elkaar concurreren’.
Stap 1: Is artikel 110 VWEU van toepassing, met andere woorden; valt de
casus binnen de reikwijdte van artikel 110 VWEU:
- Goederen
Goederen zijn alle op geld waardeerbare objecten die het voorwerp
kunnen zijn van een handelstransactie (zie Italiaanse Kunst-arrest).
Een andere benadering is dat goederen alle tastbare fysieke
objecten zijn (zie het Jägerskiöld-arrest).
In dit geval is sprake van goederen, het gaat immers over
varkensvlees, en dat is een object dat op geld waardeerbaar is.
- Binnenlandse belasting (alinea 1)
o Het gaat hier over belasting op producten die al binnen de
grens van de lidstaat zijn (verschil met Outukumpu-arrest
waarbij het gaat om geïmporteerde producten)
- Protectionistische belasting (alinea 2)
o Het gaat hier over belastingen die beschermend werken voor
producten die niet-gelijksoortig zijn maar wel met elkaar
concurreren.
De vraag moet dus worden beantwoord of de producten gelijksoortig
zijn. In dit geval lijkt het duidelijk dat de producten gelijksoortig zijn,
het enige verschil is dat de een ‘diervriendelijker’ is geproduceerd.
Mijns inziens zijn het gelijksoortige producten. (zie ook het
Commissie vs VK-arrest)
Stap 2: Wat is verboden onder art. 110 VWEU?
- Hogere binnenlandse belastingen op gelijksoortige producten zijn
verboden. In dit geval wordt er een hogere binnenlandse belasting
geheven, namelijk een hogere BTW. Deze binnenlandse belasting is