Probleem 1 – Staatsrecht
Leerdoel I: Hoe is de Trias Politica in Nederland Vormgegeven?
Trias politica (Montesquieu) de scheiding van machten in de staat.
Er zijn 3 organen in de staat: de koning (uitvoerende macht), het Parlement (wetgevende macht) en de
rechterlijke macht.
De essentie is dat de staatsmacht gespreid wordt over verschillende organen, die ieder een deel van die
macht uitoefenen en elkaar wederzijds controleren en in evenwicht houden.
De 3 organen van de staat opereren niet onafhankelijk van elkaar.
De centrale overheid bestaat uit een samenstel van organen, die ieder slechts een deel van de
overheidstaak uitoefenen en die elkaar dus nodig hebben om te regeren en te besturen.
Gedecentraliseerde eenheidsstaat: het verlenen van vrij ver gaande bevoegdheden aan de
gemeentelijke en provinciale organen, waarbij er geen terreinen principieel zijn uitgesloten van
centrale bemoeienis.
Leerdoel II: Wat zijn de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat?
Democratie
Vrije en geheime verkiezingen van het Parlement.
- Actief kiesrecht: burgers hebben gelijkelijk het recht om de leden van de
volksvertegenwoordiging te kiezen.
- Passief kiesrecht: burgers hebben gelijkelijk het recht om tot lid van de
volksvertegenwoordiging gekozen te worden.
Openheid voor machtswisseling.
- Het moet duidelijk zijn hoe lang de verkozenen hun functie kunnen uitoefenen.
- Dat niet altijd dezelfde personen aan de macht kunnen blijven.
Het Parlement dient een centrale rol te spelen in het staatsbestel.
- De volksvertegenwoordiging dient een beslissende stem te hebben bij het vaststellen van
wetgeving.
Rechtsstaat
Individuen en particuliere instellingen toekomen een staatsvrije sfeer.
- Grondrechten moeten gerespecteerd worden.
- Minderheden moeten beschermd worden tegen een tirannieke meerderheid.
Optreden van een overheidsorgaan dat voor de burger bezwarend is dient te berusten op een algemene
regel die de bevoegdheid van het desbetreffende overheidsorgaan omschrijft.
- Dit is het legaliteitsbeginsel; rechtszekerheid wordt bevorderd en burgers mogen in gelijke
gevallen niet ongelijk worden behandeld (gelijkheidsbeginsel).
De regels waarin de bevoegdheden van een overheidsorgaan zijn omschreven, moeten zijn vastgesteld
door een ander overheidsorgaan.
- Dit heeft belang voor de rechtszekerheid.
Geschillen tussen burgers en de staat moeten worden beslist door een onafhankelijke en onpartijdige
rechter.
Grondregels van een democratisch-rechtstatelijke staatsorganisatie
Aan twee grondregels dient een democratisch rechtsstatelijke staatsorganisatie getoetst te worden.
Deze regels behoren zelf niet tot het positieve recht, het zijn namelijk beginselen.
Legaliteitsbeginsel - Geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of grondwet.
Om machtsmisbruik te voorkomen is neergelegd dat de rechter en bestuur beiden die bevoegdheid
slechts mogen gebruiken, voor zover de grondwet of de wet dat uitdrukkelijk toestaat.
, De bevoegdheid van het bestuur en de rechterlijke macht berust steeds op een wettelijke grondslag, en
moet ermee in overeenstemming zijn.
De wetgevende macht (volksvertegenwoordiging) bepaalt dus de grenzen van de bevoegdheden.
Verantwoordingsplicht of controle - Niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder
verantwoording schuldig te zijn of zonder dat er op die uitoefening controle bestaat.
De verantwoordingsplicht of controle kan voor ieder die bevoegdheden uitoefent een andere vorm
hebben: zij behoort voor niemand afwezig te zijn.
Het is verantwoordingsplicht aan een ander orgaan: ook over de uitoefening van een bevoegdheid
binnen de wettelijke perken moet verantwoording worden afgelegd.
Vormen van verantwoordingsplicht en controle op overheidsorganen:
I. Politieke verantwoordingsplicht van bestuurlijke organen tegenover vertegenwoordigende
organen.
a. Het bestuurlijke orgaan moet inlichtingen verstrekken, een debat met de
volksvertegenwoordiging mag niet ontwijken en bij verlies van vertrouwen in
beginsel opstappen.
II. Ambtenaren die bepaalde bevoegdheden hebben zijn verantwoording schuldig aan hun chefs.
a. Die chef zijn om hun beurt weer verantwoordelijk voor de instructies die zij dan al
niet aan de ondergeschikte ambtenaren hebben gegeven.
III. Een bestuursorgaan kan gecontroleerd worden door een ander orgaan (ook zonder ambtelijke
ondergeschiktheid).
a. De regering heeft in beperkte mate de bevoegdheid zich te bemoeien met het beleid
van gemeentelijke of provinciale organen.
i. Preventief toezicht: een bestuursorgaan moet voor een bepaalde handeling
goedkeuring vragen aan een ander orgaan.
ii. Repressief toezicht: een hoger bestuursorgaan kan een beslissing van een
lager orgaan achteraf corrigeren.
IV. Gezagdragers kunnen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun daden.
a. Dit is uitsluitend mogelijk wanneer een strafbepaling de gedragingen strafbaar stelt.
V. De meeste besluiten van bestuursorganen zijn vatbaar voor beroep.
a. Belanghebbenden kunnen aan de beroepsinstantie vragen deze besluiten te vernietigen
en soms te vervangen. Dit beroep bij een onafhankelijke rechter, eerst bezwaar bij
bestuursorgaan.
VI. Wanneer er geen beroepsmogelijkheid bij de bestuursrechter aanwezig is, kan bij de
burgerlijke rechter een actie uit onrechtmatige daad tegen de overheid worden ingesteld.
VII. Er is ook een controle van de rechter op zekere wetgevende organen.
a. De rechter mag nagaan of bijvoorbeeld algemeen verbindende voorschriften in
overeenstemming zijn met hoger recht. MAAR de rechter mag een wet in formele zin
niet toetsen aan de grondwet.
Leerdoel I: Hoe is de Trias Politica in Nederland Vormgegeven?
Trias politica (Montesquieu) de scheiding van machten in de staat.
Er zijn 3 organen in de staat: de koning (uitvoerende macht), het Parlement (wetgevende macht) en de
rechterlijke macht.
De essentie is dat de staatsmacht gespreid wordt over verschillende organen, die ieder een deel van die
macht uitoefenen en elkaar wederzijds controleren en in evenwicht houden.
De 3 organen van de staat opereren niet onafhankelijk van elkaar.
De centrale overheid bestaat uit een samenstel van organen, die ieder slechts een deel van de
overheidstaak uitoefenen en die elkaar dus nodig hebben om te regeren en te besturen.
Gedecentraliseerde eenheidsstaat: het verlenen van vrij ver gaande bevoegdheden aan de
gemeentelijke en provinciale organen, waarbij er geen terreinen principieel zijn uitgesloten van
centrale bemoeienis.
Leerdoel II: Wat zijn de grondbeginselen van de democratische rechtsstaat?
Democratie
Vrije en geheime verkiezingen van het Parlement.
- Actief kiesrecht: burgers hebben gelijkelijk het recht om de leden van de
volksvertegenwoordiging te kiezen.
- Passief kiesrecht: burgers hebben gelijkelijk het recht om tot lid van de
volksvertegenwoordiging gekozen te worden.
Openheid voor machtswisseling.
- Het moet duidelijk zijn hoe lang de verkozenen hun functie kunnen uitoefenen.
- Dat niet altijd dezelfde personen aan de macht kunnen blijven.
Het Parlement dient een centrale rol te spelen in het staatsbestel.
- De volksvertegenwoordiging dient een beslissende stem te hebben bij het vaststellen van
wetgeving.
Rechtsstaat
Individuen en particuliere instellingen toekomen een staatsvrije sfeer.
- Grondrechten moeten gerespecteerd worden.
- Minderheden moeten beschermd worden tegen een tirannieke meerderheid.
Optreden van een overheidsorgaan dat voor de burger bezwarend is dient te berusten op een algemene
regel die de bevoegdheid van het desbetreffende overheidsorgaan omschrijft.
- Dit is het legaliteitsbeginsel; rechtszekerheid wordt bevorderd en burgers mogen in gelijke
gevallen niet ongelijk worden behandeld (gelijkheidsbeginsel).
De regels waarin de bevoegdheden van een overheidsorgaan zijn omschreven, moeten zijn vastgesteld
door een ander overheidsorgaan.
- Dit heeft belang voor de rechtszekerheid.
Geschillen tussen burgers en de staat moeten worden beslist door een onafhankelijke en onpartijdige
rechter.
Grondregels van een democratisch-rechtstatelijke staatsorganisatie
Aan twee grondregels dient een democratisch rechtsstatelijke staatsorganisatie getoetst te worden.
Deze regels behoren zelf niet tot het positieve recht, het zijn namelijk beginselen.
Legaliteitsbeginsel - Geen bevoegdheid zonder grondslag in wet of grondwet.
Om machtsmisbruik te voorkomen is neergelegd dat de rechter en bestuur beiden die bevoegdheid
slechts mogen gebruiken, voor zover de grondwet of de wet dat uitdrukkelijk toestaat.
, De bevoegdheid van het bestuur en de rechterlijke macht berust steeds op een wettelijke grondslag, en
moet ermee in overeenstemming zijn.
De wetgevende macht (volksvertegenwoordiging) bepaalt dus de grenzen van de bevoegdheden.
Verantwoordingsplicht of controle - Niemand kan een bevoegdheid uitoefenen zonder
verantwoording schuldig te zijn of zonder dat er op die uitoefening controle bestaat.
De verantwoordingsplicht of controle kan voor ieder die bevoegdheden uitoefent een andere vorm
hebben: zij behoort voor niemand afwezig te zijn.
Het is verantwoordingsplicht aan een ander orgaan: ook over de uitoefening van een bevoegdheid
binnen de wettelijke perken moet verantwoording worden afgelegd.
Vormen van verantwoordingsplicht en controle op overheidsorganen:
I. Politieke verantwoordingsplicht van bestuurlijke organen tegenover vertegenwoordigende
organen.
a. Het bestuurlijke orgaan moet inlichtingen verstrekken, een debat met de
volksvertegenwoordiging mag niet ontwijken en bij verlies van vertrouwen in
beginsel opstappen.
II. Ambtenaren die bepaalde bevoegdheden hebben zijn verantwoording schuldig aan hun chefs.
a. Die chef zijn om hun beurt weer verantwoordelijk voor de instructies die zij dan al
niet aan de ondergeschikte ambtenaren hebben gegeven.
III. Een bestuursorgaan kan gecontroleerd worden door een ander orgaan (ook zonder ambtelijke
ondergeschiktheid).
a. De regering heeft in beperkte mate de bevoegdheid zich te bemoeien met het beleid
van gemeentelijke of provinciale organen.
i. Preventief toezicht: een bestuursorgaan moet voor een bepaalde handeling
goedkeuring vragen aan een ander orgaan.
ii. Repressief toezicht: een hoger bestuursorgaan kan een beslissing van een
lager orgaan achteraf corrigeren.
IV. Gezagdragers kunnen strafrechtelijk verantwoordelijk zijn voor hun daden.
a. Dit is uitsluitend mogelijk wanneer een strafbepaling de gedragingen strafbaar stelt.
V. De meeste besluiten van bestuursorganen zijn vatbaar voor beroep.
a. Belanghebbenden kunnen aan de beroepsinstantie vragen deze besluiten te vernietigen
en soms te vervangen. Dit beroep bij een onafhankelijke rechter, eerst bezwaar bij
bestuursorgaan.
VI. Wanneer er geen beroepsmogelijkheid bij de bestuursrechter aanwezig is, kan bij de
burgerlijke rechter een actie uit onrechtmatige daad tegen de overheid worden ingesteld.
VII. Er is ook een controle van de rechter op zekere wetgevende organen.
a. De rechter mag nagaan of bijvoorbeeld algemeen verbindende voorschriften in
overeenstemming zijn met hoger recht. MAAR de rechter mag een wet in formele zin
niet toetsen aan de grondwet.