Hoorcollege 1 ‘’(Ortho)pedagogiek & behandelingsperspectieven
Visies op normaliteit:
Afwezigheid van stoornissen
Statistisch gegeven
Ideale of gewenste toestand
Succesvolle adaptatie
Neurodiversiteit
Evidence-based assessment + evidence-based treatment = evidence-based practice
Bij orthopedagogisch handelen is het belangrijk dat je onderzoeksmomenten inbouwt (empirische
subcycli).
Verschillende modellen:
Systemisch model: kijken naar meerdere systemen om het kind heen. Focus op
gezinstherapie
Psychodynamisch model: gericht op ontwikkelingsproces, aandacht voor intra-psychische
aspect van het individu.
Sociaal-emotionele ontwikkeling raakt verstoord door: het niet succesvol oplossen van een
conflict tussen id, ego en super-ego
Biomedisch model: temperament, hersenen. Medicijnen geven voor psychische problemen.
leertheoretisch model:
o Behavioristisch: gedrag is een uitkomst van leerprocessen (conditionering).
Behandeling moet gericht zijn op een combinatie van de leerprincipes, voor aanleren
van nieuw gedrag/nieuwe betekenissen.
o Cognitief: inadequaat gedrag en emotionele problemen door onjuiste cognities. Die
uiten zich in negatieve verwachtingen en waardering, irrationele overtuigingen en
tekorten in zelfregulatie.
Behandeling: wijzigen van disfunctionele gedachten en leren cognitieve vaardigheden
Richtlijnen Jeugdhulp ADHD
HS 4 Interventies
Behandeling van ADHD bestaat uit drie componenten:
- Psycho-educatie: kan al zorgen voor veel verbetering
Informatie over ADHD en behandelmogelijkheden
- Psychosociale interventies
Oudertraining: voor kinderen <6 jaar. Leidt tot verbeteringen in opvoedgedrag.
Gezinsinterventies: niet per se voor ADHD, maar voor multiprobleemgezinnen of voor
bredere groep jeugd met gedragsproblemen. Eerst oudertraining inzetten. Als
interacties met broertjes en zusjes geen probleem is, dan niet inzetten want anders is
risico op onnodig problematiseren te groot.
Schoolinterventies: psycho-educatie, klassenmanagement, puntensysteem, Goed-
Gedrag-Kaart en time-out
Schoolbrede interventies: niet alleen in de klas, maar ook op het plein en in de buurt
Gelaagde programma’s: interventies zijn gericht op alle leerlingen (de eerste laag),
op risicoleerlingen (de tweede laag) en op leerlingen met hoog risicogedrag ofwel
problemen (de derde laag)
, Jeugdige: neurofeedback: gaat ervanuit dat ADHD-gedrag wordt veroorzaakt door
een afwijkend patroon van hersengolven.
HS 5 Het pedagogisch klimaat op school en in de behandelgroep
Twee zaken van belang:
Positief opvoedingsklimaat
Gedragsbeïnvloeding:
o Antecedente technieken: om te ondersteunen in hun EF-problemen en kans op
gewenst gedrag te vergroten. (voorspelbare en gestructureerde omgeving en
duidelijke regels)
o Consequente technieken: grijpen in op motivationele problemen. Kind met ADHD
heeft meer en sterkere bekrachtiging van gedrag nodig. (bekrachtiging effectiever dan
negatieve reacties
De Bruyn et al., 2005
Indicatieanalyse
De argumenten waarom een interventie wel/niet ingezet kan worden (nodig, mogelijk,
wenselijk)
Interventiedoelen
De in aanmerking komende typen interventies, met telkens:
o Het gekozen theoretisch referentiekader
o Het type setting (ambulent of residentieel)
o Of het gaat oom directe (bijv. kindgerichte) of indirecte (bijv. oudergerichte)
interventie
o Interventieduur
Per geselecteerde interventie:
o Kosten-baten analyse
o Indicaties en contra-indicaties
o De weging van nut met kans van slagen (het verwachte nut)
Een lijst met één of meerdere aanbevelingen, die gerangschikt zijn van het type interventie
met het hoogste verwachte nut tot met het laagste
Advies
Wie aanwezig waren bij adviesgesprek, wat is besproken, reacties van cliënt
Uitvoerbaarheid van aanbevelingen
Concretisering van het advies
Afspraken die zijn gemaakt
Begeer et al., 2024 HS 1-3
HS 1 De plaats van psychodiagnostiek binnen het hulpverleningsproces
Empirische cyclus:
1. Observatie: het verzamelen van gegevens
2. Inductie: het formuleren van hypothesen op basis van waarnemingen
3. a. Deductie: het afleiden van toetsbaren voorspellingen uit die hypothesen
b. Operationalisatie: de deductie wordt voortgezet door bij iedere voorspelling adequate
onderzoeksmiddelen te kiezen
, 4. Toetsing
5. Evaluatie
Regulatieve cyclus:
1. Probleemherkenning: wat is er aan de hand?
2. Probleemdefiniëring: wat is de verklaring?
3. Interventiekeuze: welke oplossingen zijn er? Welke kan hier werken en wat is haalbaar?
4. Planning: hoe gaan we het doen?
5. Uitvoering: gaat alles volgens plan?
6. Eindevaluatie: wat was het effect? Wat hebben we geleerd?
HS 2 Theoretische aspecten van de psychodiagnostiek
Medisch model: ziekte identificeren.
Nosologisch/ziektemodel: symptomen en beloop van het ziekteproces herkennen als kenmerkend
voor een bepaalde ziekte.
- Differentiaaldiagnostiek: onderzoeken van verschijnselen die het verschil maken tussen het
ene en het andere beeld.
o Als de verschijnselen niet aan 1 bekend syndroom zijn te koppelen is er sprake van een
deeldiagnose.
Het psychodynamische model:
- Idee: problemen uit de kinderjaren spelen een rol bij latere problematiek.
- Diagnostiek:
o Structurele component: balans van verschillende krachten vanuit het id, ego en superego.
o Dynamische component: nadruk op conflicten tussen bovengenoemde krachten.
- Uitleg: intrapsychische conflicten kunnen leiden tot stagneren (fixatie) of terugvallen
(regressie) van de ontwikkeling. Als dit te groot/langdurig is à ontwikkelingsstoornis.
De gehechtheidstheorie:
- Idee: een duurzame effectieve relatie tussen en kind en zijn opvoeders.
o Sensitiviteit: vermogen van een opvoeder om signalen van het kind waar te nemen.
o Responsiviteit: vermogen van een opvoeder om adequaat op de waargenomen signalen te
reageren.
- Uitleg: de kwaliteit van gehechtheid is een belangrijke factor voor de ontwikkeling.
De leertheorie:
- Idee: probleemgedrag kan ontlokt worden door antecedente variabelen (eraan voorafgaande
stimuli) en bekrachtigd worden door consequente variabelen (erop volgende stimuli).
- Diagnostiek: betekenisanalyse à uitlokkende factoren /// functieanalyse à bekrachtigende
factoren.
De ecologische theorie:
- Idee: verband tussen de ontwikkeling van het individu en diens omgeving.
- Uitleg: micro, meso, exo, macro, chrono.
Het bio-psychosociale model:
- Idee: individueel gedrag wordt door lichamelijke, psychische, omgevings- en sociale factoren
(en de interactie er tussen) bepaald. Hoe jonger het kind, hoe groter de overlap.
Het balansmodel:
, - Idee: draaglast en draagkrachten aka risico en beschermende factoren.
Visie op normaliteit:
- De norm van afwezigheid van stoornissen:
o Normaal = geen stoornissen.
- Statistische norm:
o Normaal = als het bij de meerderheid van de populatie van dezelfde leeftijd voorkomt.
- Norm van ideale of gewenste toestand:
o Normaal = bepaalde idealen mbt een gezonde psychische ontwikkeling.
- Normaal als succesvolle adaptatie:
o Normaal = succesvolle adaptatie à een dynamisch evenwicht tussen de ontwikkeling van het
individu en het omgaan met de omgeving.
- Normaliteit als neurodiversiteit:
o Normaal = neurodiversiteit aka gelijkwaardige positie voor mensen.
HS 3 Praktische aspecten van de psychodiagnostiek
Casusconceptualisatie: hypothese over de samenhang van klachten en zorgen, in het geheel van
iemands leven, met een integratie van alle risicofactoren en beschermende factoren.
Interventie kiezen doe je samen à shared decision making, onder principes:
- Logica: de doelen vloeien voort uit de casusconceptualisatie.
- Concreetheid: de doelen zijn zo veel mogelijk SMART geformuleerd.
- Subsidiariteit: de minst ingrijpbare interventie wordt ingezet.
- Proportionaliteit: een redelijke verhouding tussen het doel en de interventie.
- Omvattendheid: alle betrokkenen worden geholpen.
- Nabijheid: de hulp wordt zoveel mogelijk in de natuurlijke situatie geboden en maakt gebruik
van de competenties van het kind, de ouders, en de bredere context.
Specifieke procedures bij het monitoren van behandelingsdoelen:
- Goal Attainment Scaling = kwantificeert in hoeverre de doelrealisatie plaatsvindt.
o Aan het begin van de behandeling is de huidige situatie de nullijn.
o Ook beschrijven hoe een grote verbetering (+2), een kleine verbetering (+1) en een
verslechtering (-1) eruit zien.
- Feedback-Informed Treatment:
o De behandelaar peilt het individueel, maatschappelijk, en interpersoonlijk welzijn bij
familieleen.
- Routine Outcome Monitoring:
o Een voor en nameting van iedere behandeling met vaste instrumenten.
Hoorcollege 2 ‘’Leertheoretisch model’’
Kenmerken cognitieve gedragstherapie:
Ontwikkelingsperspectief: leeftijdsgebonden of niet adequaat? Daarom is kennis van
ontwikkelingsfasen heel belangrijk.
Samenwerken met ouders, leerkracht en de context
Gedragstherapie als probleemoplossend proces
Niet praten, maar doen
Samen met de ander iets doen, naast het kind gaan staan, therapeut als coach
Visies op normaliteit:
Afwezigheid van stoornissen
Statistisch gegeven
Ideale of gewenste toestand
Succesvolle adaptatie
Neurodiversiteit
Evidence-based assessment + evidence-based treatment = evidence-based practice
Bij orthopedagogisch handelen is het belangrijk dat je onderzoeksmomenten inbouwt (empirische
subcycli).
Verschillende modellen:
Systemisch model: kijken naar meerdere systemen om het kind heen. Focus op
gezinstherapie
Psychodynamisch model: gericht op ontwikkelingsproces, aandacht voor intra-psychische
aspect van het individu.
Sociaal-emotionele ontwikkeling raakt verstoord door: het niet succesvol oplossen van een
conflict tussen id, ego en super-ego
Biomedisch model: temperament, hersenen. Medicijnen geven voor psychische problemen.
leertheoretisch model:
o Behavioristisch: gedrag is een uitkomst van leerprocessen (conditionering).
Behandeling moet gericht zijn op een combinatie van de leerprincipes, voor aanleren
van nieuw gedrag/nieuwe betekenissen.
o Cognitief: inadequaat gedrag en emotionele problemen door onjuiste cognities. Die
uiten zich in negatieve verwachtingen en waardering, irrationele overtuigingen en
tekorten in zelfregulatie.
Behandeling: wijzigen van disfunctionele gedachten en leren cognitieve vaardigheden
Richtlijnen Jeugdhulp ADHD
HS 4 Interventies
Behandeling van ADHD bestaat uit drie componenten:
- Psycho-educatie: kan al zorgen voor veel verbetering
Informatie over ADHD en behandelmogelijkheden
- Psychosociale interventies
Oudertraining: voor kinderen <6 jaar. Leidt tot verbeteringen in opvoedgedrag.
Gezinsinterventies: niet per se voor ADHD, maar voor multiprobleemgezinnen of voor
bredere groep jeugd met gedragsproblemen. Eerst oudertraining inzetten. Als
interacties met broertjes en zusjes geen probleem is, dan niet inzetten want anders is
risico op onnodig problematiseren te groot.
Schoolinterventies: psycho-educatie, klassenmanagement, puntensysteem, Goed-
Gedrag-Kaart en time-out
Schoolbrede interventies: niet alleen in de klas, maar ook op het plein en in de buurt
Gelaagde programma’s: interventies zijn gericht op alle leerlingen (de eerste laag),
op risicoleerlingen (de tweede laag) en op leerlingen met hoog risicogedrag ofwel
problemen (de derde laag)
, Jeugdige: neurofeedback: gaat ervanuit dat ADHD-gedrag wordt veroorzaakt door
een afwijkend patroon van hersengolven.
HS 5 Het pedagogisch klimaat op school en in de behandelgroep
Twee zaken van belang:
Positief opvoedingsklimaat
Gedragsbeïnvloeding:
o Antecedente technieken: om te ondersteunen in hun EF-problemen en kans op
gewenst gedrag te vergroten. (voorspelbare en gestructureerde omgeving en
duidelijke regels)
o Consequente technieken: grijpen in op motivationele problemen. Kind met ADHD
heeft meer en sterkere bekrachtiging van gedrag nodig. (bekrachtiging effectiever dan
negatieve reacties
De Bruyn et al., 2005
Indicatieanalyse
De argumenten waarom een interventie wel/niet ingezet kan worden (nodig, mogelijk,
wenselijk)
Interventiedoelen
De in aanmerking komende typen interventies, met telkens:
o Het gekozen theoretisch referentiekader
o Het type setting (ambulent of residentieel)
o Of het gaat oom directe (bijv. kindgerichte) of indirecte (bijv. oudergerichte)
interventie
o Interventieduur
Per geselecteerde interventie:
o Kosten-baten analyse
o Indicaties en contra-indicaties
o De weging van nut met kans van slagen (het verwachte nut)
Een lijst met één of meerdere aanbevelingen, die gerangschikt zijn van het type interventie
met het hoogste verwachte nut tot met het laagste
Advies
Wie aanwezig waren bij adviesgesprek, wat is besproken, reacties van cliënt
Uitvoerbaarheid van aanbevelingen
Concretisering van het advies
Afspraken die zijn gemaakt
Begeer et al., 2024 HS 1-3
HS 1 De plaats van psychodiagnostiek binnen het hulpverleningsproces
Empirische cyclus:
1. Observatie: het verzamelen van gegevens
2. Inductie: het formuleren van hypothesen op basis van waarnemingen
3. a. Deductie: het afleiden van toetsbaren voorspellingen uit die hypothesen
b. Operationalisatie: de deductie wordt voortgezet door bij iedere voorspelling adequate
onderzoeksmiddelen te kiezen
, 4. Toetsing
5. Evaluatie
Regulatieve cyclus:
1. Probleemherkenning: wat is er aan de hand?
2. Probleemdefiniëring: wat is de verklaring?
3. Interventiekeuze: welke oplossingen zijn er? Welke kan hier werken en wat is haalbaar?
4. Planning: hoe gaan we het doen?
5. Uitvoering: gaat alles volgens plan?
6. Eindevaluatie: wat was het effect? Wat hebben we geleerd?
HS 2 Theoretische aspecten van de psychodiagnostiek
Medisch model: ziekte identificeren.
Nosologisch/ziektemodel: symptomen en beloop van het ziekteproces herkennen als kenmerkend
voor een bepaalde ziekte.
- Differentiaaldiagnostiek: onderzoeken van verschijnselen die het verschil maken tussen het
ene en het andere beeld.
o Als de verschijnselen niet aan 1 bekend syndroom zijn te koppelen is er sprake van een
deeldiagnose.
Het psychodynamische model:
- Idee: problemen uit de kinderjaren spelen een rol bij latere problematiek.
- Diagnostiek:
o Structurele component: balans van verschillende krachten vanuit het id, ego en superego.
o Dynamische component: nadruk op conflicten tussen bovengenoemde krachten.
- Uitleg: intrapsychische conflicten kunnen leiden tot stagneren (fixatie) of terugvallen
(regressie) van de ontwikkeling. Als dit te groot/langdurig is à ontwikkelingsstoornis.
De gehechtheidstheorie:
- Idee: een duurzame effectieve relatie tussen en kind en zijn opvoeders.
o Sensitiviteit: vermogen van een opvoeder om signalen van het kind waar te nemen.
o Responsiviteit: vermogen van een opvoeder om adequaat op de waargenomen signalen te
reageren.
- Uitleg: de kwaliteit van gehechtheid is een belangrijke factor voor de ontwikkeling.
De leertheorie:
- Idee: probleemgedrag kan ontlokt worden door antecedente variabelen (eraan voorafgaande
stimuli) en bekrachtigd worden door consequente variabelen (erop volgende stimuli).
- Diagnostiek: betekenisanalyse à uitlokkende factoren /// functieanalyse à bekrachtigende
factoren.
De ecologische theorie:
- Idee: verband tussen de ontwikkeling van het individu en diens omgeving.
- Uitleg: micro, meso, exo, macro, chrono.
Het bio-psychosociale model:
- Idee: individueel gedrag wordt door lichamelijke, psychische, omgevings- en sociale factoren
(en de interactie er tussen) bepaald. Hoe jonger het kind, hoe groter de overlap.
Het balansmodel:
, - Idee: draaglast en draagkrachten aka risico en beschermende factoren.
Visie op normaliteit:
- De norm van afwezigheid van stoornissen:
o Normaal = geen stoornissen.
- Statistische norm:
o Normaal = als het bij de meerderheid van de populatie van dezelfde leeftijd voorkomt.
- Norm van ideale of gewenste toestand:
o Normaal = bepaalde idealen mbt een gezonde psychische ontwikkeling.
- Normaal als succesvolle adaptatie:
o Normaal = succesvolle adaptatie à een dynamisch evenwicht tussen de ontwikkeling van het
individu en het omgaan met de omgeving.
- Normaliteit als neurodiversiteit:
o Normaal = neurodiversiteit aka gelijkwaardige positie voor mensen.
HS 3 Praktische aspecten van de psychodiagnostiek
Casusconceptualisatie: hypothese over de samenhang van klachten en zorgen, in het geheel van
iemands leven, met een integratie van alle risicofactoren en beschermende factoren.
Interventie kiezen doe je samen à shared decision making, onder principes:
- Logica: de doelen vloeien voort uit de casusconceptualisatie.
- Concreetheid: de doelen zijn zo veel mogelijk SMART geformuleerd.
- Subsidiariteit: de minst ingrijpbare interventie wordt ingezet.
- Proportionaliteit: een redelijke verhouding tussen het doel en de interventie.
- Omvattendheid: alle betrokkenen worden geholpen.
- Nabijheid: de hulp wordt zoveel mogelijk in de natuurlijke situatie geboden en maakt gebruik
van de competenties van het kind, de ouders, en de bredere context.
Specifieke procedures bij het monitoren van behandelingsdoelen:
- Goal Attainment Scaling = kwantificeert in hoeverre de doelrealisatie plaatsvindt.
o Aan het begin van de behandeling is de huidige situatie de nullijn.
o Ook beschrijven hoe een grote verbetering (+2), een kleine verbetering (+1) en een
verslechtering (-1) eruit zien.
- Feedback-Informed Treatment:
o De behandelaar peilt het individueel, maatschappelijk, en interpersoonlijk welzijn bij
familieleen.
- Routine Outcome Monitoring:
o Een voor en nameting van iedere behandeling met vaste instrumenten.
Hoorcollege 2 ‘’Leertheoretisch model’’
Kenmerken cognitieve gedragstherapie:
Ontwikkelingsperspectief: leeftijdsgebonden of niet adequaat? Daarom is kennis van
ontwikkelingsfasen heel belangrijk.
Samenwerken met ouders, leerkracht en de context
Gedragstherapie als probleemoplossend proces
Niet praten, maar doen
Samen met de ander iets doen, naast het kind gaan staan, therapeut als coach